Gegevens:

Categorie:
Drama
Geplaatst:
2 mei 2019, om 22:14 uur
Bekeken:
190 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
91 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Corpsstudent * 2"


Robert-Jan staarde naar de plek tussen haar machtige dijen die hem, niet alleen zojuist, maar een heel jaar lang, zoveel plezier had verschaft - so viel Spass. Vanuit de grote flubberlippen van haar geslacht sijpelde langzaam iets melkachtig wits naar buiten als een soort spuug.

   `Ze loopt leeg,’ zei Robert-Jan in paniek. `We moeten iets doen.’

   `Dat...’ wees haar echtgenoot, `dat spul... is van ons.’ Hij klonk alsof hij het zelf nauwelijks geloven kon. `Ons gezamenlijke kwakkie.’ Zijn stem trilde. Hij strekte zijn arm alsof hij een saluut wou brengen, maar legde in plaats daarvan zijn hand op de schouder van de lange jongen die als verstijfd bleef staan. Ze keken in stilte en zagen hoe de dikke vrouw van onderen langzaam leegliep.

   `U moet de instanties waarschuwen,’ zei Robert-Jan, die zijn ogen maar niet van de vrouw kon afwenden.  

   `Ben je gek, als ik dat doe, wordt onmiddellijk haar gedeelte van onze uitkering stopgezet, dat scheelt me honderden euro’s,’ sputterde de man tegen. `Dat doe ik voorlopig liever niet. Kom, ik weet iets beters, laten we haar even naar boven slepen.’

Urenlang bleef hij naast het ontzielde lichaam zitten, dat nu, luchtdicht verpakt in doorzichtig plastic, met de benen schuin naar beneden, het hoofd ter hoogte van de vensterbank, ruggelings op een oude kastdeur lag, die Klaas Nieboer en hij uit het fietsenschuurtje hadden gehaald waar de vorige bewoners hem hadden achtergelaten. Zo hadden ze haar boven gekregen, plat op de deur die ze gebruikten als brancard. Haar enorme lijf hadden ze beneden van het bed afgerold zodat ze op de deur kwam te liggen. Zwoegend en stommelend hadden ze haar met veel moeite trede voor trede de trap opgetrokken; ze hadden haar moeten vastbinden op de deur met alles wat ze maar konden vinden - haar ceintuur, hun eigen broekriemen aan elkaar gegespt, een gordijnkoord - opdat haar wiebelende lijf er niet af zou glijden. Eindelijk boven met hun menselijke vracht, bleven ze eerst een hele tijd hijgend uitrusten en vervolgens wikkelden ze het lichaam in het stuk plastic waarin eens het opgevouwen en nog lege waterbed was afgeleverd. Alleen bij het voeteneind was een smalle opening waar een plastic pijpje uitstak dat in verbinding stond met de pvc-afvoerbuis vlak boven de vloer onder de wasbak. Een vondst van Klaas: al haar lichaamsvochten vloeiden door het pijpje de pvc-buis binnen en spoelden uiteindelijk door het riool weg. De wasbak stond vol water - als stankafsluiter. Alle gaatjes in het omhulsel van het lijk, alsook rond de rand van de afvoerbuis waar het pijpje in de ruw uitgekerfde opening van de pvc-buis stak, waren zorgvuldig gedicht met plakband. Geen enkele geur van het langzaam ontbindende lijk zou de buren erop attenderen dat er hier in huis iets loos was.

Klaas Nieboer liet hem alleen met haar. Zittend in diens stoel in de met spaanplaten afgetimmerde zolderkamer, blikte hij terug op de gebeurtenissen.

   In een drankwinkel niet ver van het studentenhuis had Robert-Jan ineens tegenover meneer Nieboer gestaan. Hij had hem niet kunnen ontlopen. Robert-Jan, die met z’n bijna twee meter nu met kop en schouders boven de kleine man uitstak, kon niets anders doen dan de hand schudden die naar hem uitgestoken werd.

   `Meneer Nieboer,’ kreeg hij er met moeite uit.

   `Zeg maar gewoon Klaas. De tijd dat je me als jochie met meneer aansprak, ligt nu wel ver achter ons zou ik zo denken.’

   Klaas Nieboer zei dat hij hem nog steeds eeuwig dankbaar was voor de waarschuwing van destijds. Waarschuwing? Lang geleden, bijna tien jaar nu, toen meneer Nieboer jeugdwerker was in het dorp waar de vader van Robert-Jan nu nog steeds dominee was, kon de kleine, energieke kindervriend alles van hem en van zijn vriendjes gedaan krijgen. De man, toen nog een jonge dertiger, had met zijn tintelende pretoogjes op de kinderen van het dorp een vreemde aantrekkingskracht uitgeoefend. Maar het domineeszoontje had hij met rust gelaten, hij had het blijkbaar niet aangedurfd Robert-Jan bij de spelletjes te betrekken die uiteindelijk tot de geruchten hadden geleid waar het dorp nu nog van gonsde.

   Omdat Robert-Jan uit verlegenheid nog steeds niet wist wat hij moest zeggen en daar maar een beetje stond te grijnzen, voerde Klaas Nieboer het woord. Hij sprak op de vertrouwde manier: `Als een stomme, die zijn mond niet opendoet, ja, als een man in wiens mond geen verweer is...’

De man nodigde hem uit met hem mee te lopen naar zijn huis. Om over de goeie ouwe tijd te praten. Hij was sinds enkele jaren getrouwd met een vrouw die hij in Zuid-Duitsland bij een rondreizend circus had ontmoet. Nou ja, getrouwd? In ieder geval leidde hij nu een geheel ander leven.

Robert-Jan herinnerde zich hoe het was gegaan. Zich van geen kwaad bewust was hij destijds op heel ernstige toon ondervraagd door de dominee, zijn vader, die hem op het hart drukte niets tegen de andere kinderen te zeggen die hij ook nog bij zich zou roepen. Dat laatste had hij toch gedaan en in zijn onschuld had hij het ook aan meneer Nieboer verteld, die het opvatte als een goedbedoelde waarschuwing. Het bijbelmannetje, zoals men Klaas Nieboer in het dorp noemde, begreep dat er een soort onderzoek gaande was naar zijn gedragingen. `Ja, jongen,’ had meneer Nieboer verklaard, `mijn vijanden spreken boosaardig over mij. Allen die mij haten, fluisteren tezamen over mij, zij denken het ergste van mij.’ En Klaas Nieboer was toen plotseling met de noorderzon vertrokken en niemand had hem ooit weergezien.

Robert-Jan was hem dus na al die jaren in deze verre universiteitsstad tegengekomen. Samen kuierden ze met hun drankvoorraad - Klaas Nieboer met zijn kratje bier en Robert - Jan met de fles jenever die hij had gekocht voor een indrinkingsceremonie later op de avond - naar een oude stadswijk met lage sombere rijtjeshuizen van donkerrode baksteen.      

   `Ah, wen hast du für mich mitgebracht?’ riep de echtgenote van Klaas, een vrouw van enorme afmetingen, toen ze met haar meisjesnaam, Maria Oberndorff, aan de lange student voorgesteld werd. Ze had stralende, lichtblauwe ogen en geelblond, golvend haar. Ze klapte in haar handen van blijdschap en zei met zachte, zangerige stem: `Ein echter hollandischer Junge... Das Niederländisch ist mir leider nicht geläufig.’

   Robert-Jan stond wat onwennig in de kleine knusse woonkamer en keek om zich heen. Er stonden twee oude fauteuils en een koffietafel voor het raam dat overwoekerd werd door kamerplanten zodat je haast niet naar buiten kon kijken. Tegenover de kamerdeur was de keuken; hij kon een stuk van een aanrecht en een gasfornuis zien. Het achterste gedeelte van de woonkamer, enigszins afgeschermd door een kleurrijk kamerscherm, was duidelijk de slaaphoek. Er stond een enorm waterbed onder de wenteltrap met open treden naar boven. Het achterraam gaf uitzicht op een schuur en een tegelpad naar een hoge schutting waarachter vermoedelijk een brandgang liep.

   Hij vroeg zich af waarom het echtpaar beneden sliep. Kon de vrouw echt de trap niet op komen, zouden de traptreden het onder haar gewicht begeven? Hij keek naar haar meer dan Rubensachtige lijf gehuld in een zwarte wijde jurk. De rondingen van haar borsten leken op twee valhelmen naast elkaar.

  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.