Gegevens:

Categorie:
Horror
Geplaatst:
18 april 2019, om 17:56 uur
Bekeken:
183 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
89 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Caryn ontmoet Octavius"


In de kringloopwinkel zocht ze naar iets dat ze straks kon lezen in het park. Voor slechts een euro kocht ze een dertig jaar oude paperback met de intrigerende titel De Matriarch – de gespleten liefde van de man. Het was een bijna kapot gelezen werk vol onderstreepte zinnen en hele passages. Op de achterflap las ze dat het boek, geschreven door een dieptepsychologe, ging over mannen met een diepgewortelde angst voor die allesoverheersende vrouw die diep in henzelf leeft, de machtige moeder. Drie keer diep, toe maar, dat was wel héél diep, ze was benieuwd. Het boek paste net in de opgestikte jaszak van haar zomerjasje dat ze droeg over haar luchtige frisgroene katoenen jurk. Een tas had ze niet bij zich – hoefde niet.

   In het park nam ze plaats op een bankje onder een geurige lindenboom waar bijen in rondzoemden. Een kwartiertje zitten in de zon, niet te lang. Vanwege een tere huid, zou Koolhaas gezegd hebben. Ze was nu nog wat bleekjes na de winter, maar met af en toe wat zonnewarmte op haar gezicht, blote armen en benen zou ze wel weer een lichte honingtint krijgen. Ze bladerde wat in het boek, las hier en daar een aangestreepte passage en wat opmerkingen in de kantlijnen. De machtige moeder, de oermoeder, dat was ze immers zelf met haar grote verschijning. Zo moesten sommige mensen haar wel zien, haar collegae op school en de leerlingen vooral. Oergodin Caryn, de uitzonderlijk lange vrouw van 1.94 meter. De vrouw met de lange benen en in sandalen gestoken grote voeten. Benen bijna zo lang, had ze gelezen, als die van de Russische basketbalspeelster Svetlana, met de langste vrouwenbenen ter wereld. Maar die Svetlana was dan ook twee centimeters groter, 1.96 m was die vrouw.

   Ze stond op om huiswaarts te keren maar besloot om via een kleine omweg nog even langs de buurt supermarkt te gaan om een pakje koffiemelk te kopen, dat was ze de vorige dag bij het boodschappen doen vergeten. Toen ze binnen voor de rijen thee en koffie pakken stond waar ook de koffiemelk te vinden was, zag ze op enkele meters afstand de jongen die een paar jaar geleden bij haar in de eindexamenklas had gezeten maar toen om onbekende reden van school was gegaan. Hij stond voor de flessen frisdrank. Octavius Ploegman, hoe zou ze die naam kunnen vergeten. De jongen met de zeven oudere broers, Octavius was de achtste, het nakomertje. Een opmerkelijk kleine jongen, jongeman eigenlijk want hij moest nu wel een jaar of twee-en-twintig zijn. Een kindmannetje eigenlijk, dacht ze vertederd. Ze zag hoe hij met een gekwelde blik naar de bovenste schap keek waarop een rij flessen ver naar achteren stond geschoven en waar hij duidelijk niet bij kon. Hij keek in het rond om te zien of er ergens een lege krat was te bekennen waar hij op kon staan. Maar ze wachtte er wel voor om hem te hulp te schieten want ze herinnerde zich die episode op school. Een lange slungel uit een veel lagere klas – het bleek achteraf notabene om haar eigen zoon Diederik te gaan die vier klassen lager zat – had voor de grap de plastic broodtrommel van Octavius weggegrist en boven op de kast met tekenspullen in het tekenlokaal geplaatst waar alleen hij, Diederik, met zijn lengte bij kon. Wat had Octavius toen gedaan? Had hij de conciërge om het trappetje gevraagd dat ze op school hadden? Nee, de jongen accepteerde nooit hulp van anderen. Een gesloten jongen, in zichzelf gekeerd, onopvallend, gaf geen krimp, uiterst zelfbeheersd. De jongen sloeg zijn middag boterhammen die dag gewoon over en kwam de volgende dag naar school met zijn lunch in een papieren zak. De plastic broodtrommel bleef enkele dagen boven op de kast in het tekenlokaal en enkele later verscheen het in de kantine op het tafeltje in de hoek zo ver mogelijk verwijderd van de anderen waar Octavius gewoonlijk zijn boterhammen zat te eten tijdens de lunch terwijl hij ondertussen een boek las om zich maar niet te hoeven bemoeien met de andere scholieren. Dit alles had ze pas een week later van neefje Arie, die ook bij haar op school zat, te horen gekregen.

   Nu stond Octavius bij haar in de supermarkt. Plotseling merkte hij haar op. Ze voelde zich enigszins betrapt want ze had lang naar hem van opzij staan kijken. Ze zag dat hij nu ook weer zijn verlegen lachend gezicht trok zoals hij dat vroeger altijd op school deed. Het flitste door haar hoofd: To prepare a face to meet the faces that you meet, de woorden van T.S. Eliot in The Love Song of J. Alfred Prufrock. Ja, dat deed hij altijd als hij toegesproken werd – zo’n tegemoetkomende vriendelijke glimlach.

   Ze kwam naast hem staan. ‘Ha Octavius… de achtste van acht Ploegmannen… dat is ook toevallig, wat doe jij hier? Ik had gehoord dat jij tegenwoordig ergens ver weg woonde, in het buitenland.’

   Hij keek naar haar op en zei met zachte stem: ‘Dag mevrouw… nu niet meer acht, nu nog maar zes. M’n oudste broer is overleden en de een na oudste omgekomen…’

   Daar schrok ze van. De oudste broer Ferdinand en de drie jongere kende ze al vanaf dat ze een meisje van elf of twaalf was, ze hadden op dezelfde basisschool gezeten.

   ‘Ach… dat wist ik niet… hoe is dat zo gekomen?’

   Hij bleef haar nerveus lachend aankijken en zei iets wat ze niet verstond. Ze moest zich naar hem toe buigen. Zoals vroeger op school. Hij vertelde haar dat de op een na oudste broer zich doodgereden ergens in Frankrijk en kort daarna was Ferdinand, de oudste, overleden aan een hersentumor.

   ‘Ach nee…,’ was alles wat ze uit kon brengen. Ze bleef hem even aan kijken. Eigenlijk had ze hem troostend willen knuffelen maar zoiets doe je niet gauw in een supermarkt. ‘Ik heb geen overlijdensbericht… tjeetje, wat triest allemaal. We kenden elkaar sinds onze kindertijd…’

   ‘Weet ik, Ferdinand heeft het veel over u gehad met mij. Toen hij ziek was en wist dat hij zou sterven. Hij had mij bij zich geroepen en heeft veel over u verteld, hij is niet zo aardig geweest tegenover u, als kind niet en daarna ook niet, hij heeft daar vooral de laatste weken erg last van gehad. Tegenover mij was hij ook niet…’

   Ze had hem nog nooit zoveel woorden horen gebruiken, hij was in die paar jaar wel wat veranderd. Ze wist niet wat ze verder moest zeggen en staarde naar de rij flessen, voor haar op ooghoogte, maar voor hem buiten bereik. Ze bood hem aan om de fles voor hem te pakken waar hij niet bij kon, hij hoefde maar aan te wijzen welke.  

   ‘Nee, niet nodig mevrouw, ik heb me bedacht. Ik fiets straks nog langs een andere winkel waar de frisdranken wat lager staan opgesteld.’

   ‘Weet je het zeker?’ Ze pakte een Spa rood van de bovenste rij en hield die voor zijn gezicht.

   ‘Nee, die niet. Die!’ Hij wees vaag naar boven.

   ‘Welke dan? Wacht, ik zal je even optillen, dan pak je zelf maar wat je hebben wil, daar ben ik gek genoeg voor, wat kan ons het schelen. Daar ben ik een gekke in, zou Reve gezegd hebben. Laten we eens even lekker gek doen, op school doe je zoiets niet, maar nu, jaren later…’ Ze bukte zich, sloeg een arm om zijn middel en kwam met hem overeind, hem stevig tegen zich aan houdend en de hoogte tillend. Ze hield zijn lichaam vastgeklemd op borsthoogte zoals je een kind tegen je aan gedrukt houdt. Hij keek in het rond, waarschijnlijk om te kijken of andere klanten naar hen keken, hij speurde naar bewakingscamera’s aan het plafond. Maar hij stribbelde niet tegen, de geamuseerde uitdrukking bleef op zijn gezicht.

 

   Hij had ondertussen een grote vierkante plastic fles gepakt die een beetje achteruitgeschoven stond op de bovenste plank. Ze bleef hem vasthouden terwijl ze las wat er op de fles stond: Aloë vera. Met aloë gel uit een cactusplant verkregen en met honing. ‘Tjonge jonge, het staat er in zes talen op: Nederlands, Engels, Frans, Duits, Italiaans, Spaans… Dat spul moet wel iets heel bijzonders wezen… een toverdrank ofzo…’ Haar wang raakte even zijn wang aan terwijl ze dit zei. Toen pas liet ze zijn lichaam langzaam langs haar lichaam naar beneden glijden tot hij weer met beide benen op de grond voor haar stond. Weer keek hij omhoog naar het plafond om te zien of bewakingscamera’s het hadden kunnen registreren. Ze raadde zijn gedachten. ‘Wat kan ons het schelen,’ zei ze. ‘Ik ben, als roodharige reuzin, une géante rouquine, nu eenmaal iemand van wie men zulke gekkigheden kan verwachten. Kom, we moeten eens ernstig praten over die broers van je, over vroeger, over jou, over school… Heb je zin om met me mee naar huis te gaan en een kop koffie te drinken? Venez voir mes estampes japonaises? Letterlijk betekent die uitdrukking: kom nog even naar mijn Japanse prenten kijken. Het toeval wil dat het laatste wat ik van je oudste broer vernomen heb de twee ansichtkaarten waren die hij me toestuurde vanuit Japan: een met een afbeelding van de beroemde grote golf bij Kanagawa, waarop een boot te zien is diep in het dal van een bergachtige dreigende golf en op het andere kaartje een in extase verkerende en met tentakels omwikkelde vrouw in de greep van een levensgrote octopus die die zich aan haar vagina vastgezogen heeft. Zoek maar op je smartphone: The Dream of the Fisherman’s wife van de beroemde houtsnedekunstenaar Hokusai.’

  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.