Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
5 februari 2019, om 22:37 uur
Bekeken:
13 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Ik kreeg een boxcameraatje toen ik negen jaar was"


augustus 9, 2015

Ik kreeg een boxcameraatje toen ik negen jaar was, of tien. Zo ging dat. Daarna had ik een 9 bij 12 camera met dubbeluittrek en een dubbele anastigmaat uit 1920.

In 1967 een Zenith E. Nu heb ik een Minolta STR 101 en een Minolta motordrive, een Praktica, een Yashica twee ogige spiegelreflex 6 x 6 en een van 4 x 4, twee digitale cameras en binnenkort koop ik een dure Sony digital camera met een memorycard van 512 mb En ik heb ook nog een VHS videocamera. Begin jaren zestig gebruikte ik nog wel eens de Zorki kleinbeeld camera van mijn broer. Dat portret van mij (the artist as a young man) met Els D. op de vluchtheuvel van lijn negen, op het Rembrandtsplein of bij het Waterlooplein na de Blauwbrug is genomen door mijn broer in 1964. In 1985 werd hij dood geknuppeld na een caféruzie door een of andere junkie.
Mijn donkere kamer apparatuur stelde ik vanaf 1973 meestal tijdelijk in de badkamer op voor een week en vergrootte dan honderden fotos achter elkaar. Soms wel zeven honderd. Vergrotings apparaat, water bak, flesjes chemicaliën, aanvankelijk een glansmachine tot je PE papier kreeg, toen was dat niet meer nodig. Geen luxe outfit, zelfs geen tijdklok, nee; ’t moet allemaal een beetje brique braque zijn, net als in die film Blow Up (ik ging er in 1967 met Catharina S. naar toe) waar simpele donkere kamer apparatuur en een paar lekkere meiden een grote rol spelen. Artistiek leven. Het heeft me bijvoorbeeld moei te gekost om de Minoltas niet meer regelmatig te gebruiken en de beide Yashicas van twintig jaar oud in de steek te laten voor de mo derne high resolution came ras, die de beelden op memorycards op slaan en direct op de computer verwerkt kunnen worden. Je eigen ont wikkelcentrale.

Aan het begin van “Si le grain ne meurt” schrijft Gide zoiets als: “mon récit n’a raison d’être que véridique”. Je zou bij zo’n uit spraak kunnen opmerken dat er een tegenspraak schijnt te bestaan tussen de termen “récit” en “veridigue”. Wanneer U mij zegt: het “verhaal” is “waar”, wat bedoelde U daar dan eigenlijk mee?

Daar bedoel ik mee dat het inderdaad waar gebeurd is: dat, als er bijvoorbeeld tien of honderd getuigen bij geweest waren, dat die dan zou den bevestigen dat het precies zo gebeurd is zoals ik het in dat verhaal vertel. En ik heb die getuigen!
Dus U refereert naar de werkelijkheid, naar wat er echt in de leefwereld buiten het verhaal gebeurd is?
Ja, maar ik ben eigenlijk altijd zo geweest… Stel dat ik nou een verhaal vertel – behalve natuurlijk in een essay of iets dergelijks – dan heb ik toch altijd liever dat ik een slag om de arm houd en zeg: nou… laat dan de waarheid ook maar gefingeerd wezen. (grinnikt) Aan U om met behulp van denkbeeldige retorten en glazen buizen de waarheid er uit te destilleren.
Hebt U ook een idee waarom U zo werkt?
Nee, daar heb ik geen idee van. Maar ik vind het een betere… Ach, life is but a dream. Dat wisten de romantici ook al. Kijk maar eens naar die schilderijen van de pre- rafaelieten. En wie is dat ook weer die zei… Caldéron, geloof ik…Nee, niet Ciaoran.

La vida es sueño.

Juist, precies. Kijk, er staan natuurlijk dingen in mijn proza die heel misschien wat overdreven zijn om de bedoeling duidelijk te maken, onderwijzen is overdrijven, ik blijf een schoolmeester… die dingen zijn dus, strikt genomen, maar gedeeltelijk waar of grotendeels waar… U noemde zojuist André Gide. Dat was een typische autobiograaf, niet waar? Hij vond het heel belangrijk. Ik houd incidenteel ook wel een dagboek bij, maar niet om dat bij mijn leven te publiceren, want de muren zouden van schaamte vergaan.
U houdt nog steeds een dagboek bij?
Ja, maar ik publiceer daar nooit wat uit. Slechts een enkeling heeft weet van mijn Geheime Leven. Achter gesloten deuren. Alleen onder vier ogen doe ik daar kond van en dan nog niet tegen Jan en Alleman. Ik ben Kaatje Pisvinger niet!
Schrijft U daar dagelijks in?
Nee, dat wil zeggen: kleine dingen. Het is gewoon een agenda van het verleden, meer niet. Er staat niets schokkends in. Daar pas ik voor. Ik zal dus straks, als U weg bent, erin schrijven: bezocht door de interessante, menslievende, aangenaam ogende, genuanceerde, met Cha nel Egoiste geparfumeerde journalist Frank Forrest, de enige in Nederland, die weet waar Abraham de journalistieke mosterd onder Saras rokken vandaan haalt en waarvan zelfs eigen roem niet eens stinkt, maar visioenen op roept van wilde orchideeën en limoenen. Dan steek ik mijn neus de lucht in en snuif van snif-snif-snif en weet ik weer wat er die dag gebeurd is.
U schrijft dus geen overdenkingen?
Nee, nee; een enkele keer wel, maar meestal helemaal niet. Overdenkingen vind ik goed voor dominees met een lege kerk, die daarom op de televisie verschijnen Ik schreef in dat dagboek ook wel eens invallen met de bedoeling ze later te kunnen gebruiken voor een verhaal of een pamflet. Maar die aanteeningen kun je dan natuurlijk nooit meer terugvinden of hebben ze hun algemene geldigheid al lang verlo ren…

U heeft meer dan tweehonderdentwintig tentoonstellingen op uw naam , toch heeft U onlangs nog in een vraaggesprek gezegd dat U wat konkrete resultaten betreft, heel weinig van die vermaardheid merkt.

Als Harry Mulisch over het Leidseplein loopt zegt iedereen: hee, daar loopt Harry en die komt met zijn verneukte neus en zin eeuwige glimlach uit Haarlem. Ik kom gelukkig uit Amsterdam waar ik het grootste deel van mijn leven heb gewoond en als ik over het Leidse plein loop zegt niemand, daar loopt Fred van der Wal. Als beginnend kunstenaar in 1965 dacht ik wel eens dat het heel fijn zou zijn om be roemd te zijn, maar niks hoor; ik vind het juist heel prettig om als buitenman in de Bourgogne te wonen, waar niemand mij lastig valt, geen hond mij kent en ik onder het hout hakken voor de kachel bedenk hoe verschrikkelijk het moet zijn om op een fantasieloze nieuw bouwflat te wonen in een onaantrekkelijke huurkazerne met gemeenschappelijke centrale verwarming en een leven lang voor de klas te moeten slijten zoals Catharina S. die aanvankelijk heel wat ambities had om het in Parijs te gaan maken, maar daarvoor de potentie en het talent miste zoals zoveel van die gefrustreerde artistieke dames en heren. Ik weet zeker dat ik ‘t niet zou uithouden, zo’n voorgepro grammeerd uitzichtsloos bestaan voor een klas waar misschien een of twee leerlingen interesse hebben in een vak als economie dat zij do ceert. Hoevelen willen niet zijn zoals ik, een wilde maalstroom, een huizenhoge vloedgolf die alle dijken overspoelt en elke bedding te buiten gaat, niet in te dammen door die artistieke zandzakken, hè…ja, zo wil men zijn in stoutste dromen, maar met behoud van maand salaris en dat gaat nu eenmaal niet. Het is kiezen of delen.

Een Japanse handlezeres voorspelde U in 1968 dat U in Uw leven twee maal miljonair zou worden ?

Ja. Zij had in Japan een universitaire graad handleeskunde behaald en was op bezoek bij haar zoon, de abstract geometriese kunstschilder Fuijo Akai die een atelier had in de Koudenhornkazerne te Haarlem in dezelfde tijd dat ik daar ook werkte zomer 1968. Ik deed er ten on rechte wat lacherig over toen ze een analyse maakte van mijn handafdruk, maar alles wat zij te berde bracht uit mijn verleden bleek te kloppen tot op exacte data aan toe. Toen verging mij toch wel even het lachen. In 2001 werd ik voor het eerst miljonair, maar tengevolge van de crash verloren we in 2001 de helft van ons vermogen, dat nu nog zeven, acht ton in guldens ongeveer waard is, maar dan maak ik een schatting die aan de lage kant is. Niet dat ik er een glas wijn minder om drink, maar toch! Mijn wederhelft kreeg net van de week (ju ni 2004) onverwachts een testament in handen waarin vermeld dat zij de toekomstige erfgename van een slordige anderhalf miljoen is. Ik zit geramd, gebeiteld en gebamzaaid voor de rest van mijn toch al zo voorspoedige leven ! Niks te klagen. En als ik dan de huilerige van Klagensteinlyriek hoor van mijn geachte linkse, fijngristelijke Friese kollegaatjes over de teruglopende economie, het missen van kansen, de verbroken relaties en hun gebrek aan omzet, net de kruidenier op de hoek. Gottegottegot ! Waar hebben we het eigenlijk over! Mag het een onsje meer weez’n ? Alsof de Friese, onbenullige collegaatjes ooit van hun leven ergens omzet mee hebben gemaak, behalve in de kroeg, maar daar heeft alleen de kastelein, zijn wijf en de accijnsheffer baat bijt! Zo dragen ze in hunne onnozelheid tegen wil en dank toch nog iets bij aan het maatschappelijk bestel! Hahaha…. En dan open ik mijn met goud doortimmerde bek zo wijd mogelijk en brul het uit als die leeuw in de puike popsong The Lion Sleeps Tonight, maar wel even van het lachen !

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.