Gegevens:

Categorie:
Drama
Geplaatst:
8 oktober 2018, om 16:17 uur
Bekeken:
18 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Buurman"


Toen mijn vriendin en ik uit elkaar gingen, vehuisde ik naar een uitgewoonde bovenwoning in een armoedige buurt van de stad. Mijn benedenbuurman heette Evert Hoekstra – een eenzame dertiger, een beeldend kunstenaar die metersgrote doeken volkliederde. Met enige moeite kon men in de overwegend zwarte, bruine en grijze kleurenvegen naargeestige beelden herkennen, angstvisioenen eigenlijk, vol halfvergane lijken, geraamten met grijnsende doodskoppen, dooie vogels, ontbladerde takken en boomstronken die uit de modder staken, afgehakte hoofden en meer van dat soort dingen. Deze werken stonden in zijn woonkamer in een rij op de grond tegen de muur, dat kon ik zien als ik langs zijn woning liep. Tenminste, als de gordijnen toevallig open waren wat niet altijd het geval was. Niemand had echt contact met de man. Als ik de stenen trap af liep en hem in de portiek tegenkwam -  hij had dan zijn blik naar beneden gericht en had meestal twee kratjes pils bij zich - groette ik hem beleefd en dan hij mompelde iets terug. Daar bleef het bij.

De overburen hadden me verteld dat ze hem eens uitgenodigd hadden om kerst en nieuw jaar bij hen te vieren maar hij had z’n hoofd geschud. Zulke onzinnige dingen, kerst, oud en nieuw, verjaardagen, daar deed hij niet aan, had hij gemompeld. Een bejaarde vrouw die naast deze mensen woonde, vertelde dat er af en toe een jonge vrouw bij de kunstenaar op bezoek kwam. Het oude mens zat vrijwel de hele dag voor het raam en kon alles zien wat er zo’n beetje in de straat gebeurde; vaak ook stond ze in haar geopende voordeur om alles nog beter te kunnen zien en om passanten aan te spreken. Een jonge vrouw met kort blond haar, ze komt altijd met een rood autootje, blijft enkele dagen en gaat dan weer weg, wist de oude vrouw te vertellen. Ze kon zien dat die de woonkamer opruimde, stofzuigde, en boodschappen deed.

Op een zaterdagmiddag  kwam ik deze jonge bezoekster tegen bij Everts voordeur. Er stond een wit bestelbusje op het trottoir en ze was bezig Everts schilderijen in te laden. Ik stelde mijzelf voor als de nieuwe bovenbuur.

‘Ik ben Anna, Everts zus,’ zei ze.

‘Ah, ik dacht al …jullie lijken op elkaar.’

‘Ik ben zijn tweelingzus.’

‘Ah, dat lijkt me leuk, een tweeling te zijn. Ben je ook beeldend kunstenaar?’

Ze lachte. Prachtige stralendwitte tanden had ze. ‘Nee, ik werk op een advocatenkantoor.’

 ‘Is dit voor een of andere tentoonstelling?’ vroeg ik, naar de doeken wijzend.

‘Nee, was dat maar waar, deze doeken moeten naar zijn nieuwe atelier in de binnenstad. Ze zijn niet zwaar, alleen een beetje groot en onhandig.’

Ik bood aan om haar bij het inladen te helpen en ze nam het aanbod dankbaar aan. Haar broer was niet tot veel in staat, zei ze. Door de geopende deur had ik Evert op de bank zien zitten. Hij staarde naar zijn schoenen.

Toen twee schildersezels, alle schilderijen en vier dozen met schildersbenodigdheden in het busje opgestapeld lagen, reden we met z’n drieën naar de binnenstad. Anna zat achter het stuur en Evert en ik zaten met de schouders tegen elkaar aangedrukt op de voorbank naast haar.

Everts atelier bleek de bovenste etage te zijn van een hoog pakhuis. Anna had de ruimte goedkoop kunnen huren van de eigenaar van het pand, een steenrijke vastgoedondernemer uit het Westen die ze via een vriendin had leren kennen. De vorige ateliergebruiker, ene Karl, had er nog een aantal kunstwerken hangen, enorme gevaarten die aan haken bevestigd aan de balken hingen. Ze bestonden uit felgekleurde houtblokken in geel, blauw, groen en rood, beslagen met stukken koper en ijzer. Die mobiles, zoals Evert ze noemde, zou de maker ervan in de loop van de volgende week nog komen ophalen.

Mobiles. Nooit van gehoord. La donna e mobile, neuriede ik.

Keer op keer zeulden we met ons drieën Everts spullen naar boven, de trappen op en neer. Een zware klus. Evert raakte al gauw buiten adem en bleef beneden op de trap zitten.

Anna en ik liepen in de holklinkende ruimte van het atelier over de met verfvlekken besmeurde houten vloer. Bij een raam dat uitzag over een gedeelte van de binnenstad bleven we even uitrusten.

‘Wat is er aan de hand met je broer?’ vroeg ik.

Ze trok een ernstig gezicht. ‘Het zullen de medicijnen wel zijn.’ Ze vertelde dat hij aan depressies leed en soms angstaanvallen had en dat hij de laatste tijd slecht sliep. Ze maakte zich zorgen om hem. ‘Kan jij niet een oogje in het zeil houden?’ vroeg ze. ‘Oppassen dat hij geen gekke dingen doet. Waarschijnlijk overval ik je er mee, ik ken je helemaal niet, maar ik ben ten einde raad.’

Ik vroeg wat ik dan in hemelsnaam voor hem kon doen, wat ik voor Evert zou kunnen betekenen. Ik zat zelf nog zwaar in de put vanwege mijn verbroken relatie, bedacht ik, en daar kwam nu ook nog eens bij het verlies van m’n baan. Maar hierover repte ik met geen woord. Verzonken in diepe stilte keken we uit over de troosteloze daken en de gracht vol woonboten.

 ‘Ik weet wat,’ riep ze plotseling. ‘Toen ik als eerstejaars in Leiden studeerde hadden we in onze studentenvereniging een stug en mensenschuw meisje, Gjeltsje. Ze kwam van het platteland, ze was een grimmigkijkende en weinig spraakzame boerentrien uit Friesland die tussen de koeien was opgegroeid en in een streng protestants gezin was opgevoed. We deden er alles aan om haar wat vlotter, wat losser te maken. Het werd mijn taak om opdrachten voor haar te verzinnen. Ik liet haar iedere morgen in haar eentje naar een bepaald restaurant binnengaan om er koffie te bestellen bij een allervriendelijkstkijkende ober, een opgewekte, wat oudere man die zo’n prettige uitstraling had dat je je onmiddellijk beter ging voelen in zijn aanwezigheid. Met hem moest ze een praatje maken. Tussen de middag moest ze een Vietnamese loempia gaan eten bij een kraampje bij de brug, waar een Vienamese vrouw je bediende met de mooiste glimlach van de wereld. Op weg naar college moest ze van mij minstens drie maal zomaar wat willekeurige voetgangers aanspreken om naar iets te vragen, hoe laat het was, bijvoorbeeld, of de weg naar het station of postkantoor.’

‘En heeft dat geholpen?’

‘Nou en of! Maandenlang heeft het geduurd. Iedere dag moest ze verslag uitbrengen van haar belevenissen. Ze is nu een vlotte meid vol avontuur die prima haar zegje kan doen en niet bang is voor vreemden of nieuwe situaties. We zijn vriendinnen geworden – hartsvriendinnen. Ik zie haar vaak.’ 

Ik beloofde dat ik er over zou nadenken. Ik zou meer contact met hem zoeken, hem een beetje op sleeptouw nemen misschien.

 

Moe en voldaan na alle verrichte arbeid deden we ons die avond tegoed aan twee enorme pizza’s en vele flesjes bier gevolgd door ettelijke glazen rode wijn. Anna en ik zaten op de bank, Evert lag half achterover in een ouderwetse rookstoel tegenover ons. Het gesprek ging al gauw over kunst. We kregen Evert zo ver – de drank had hier wellicht iets mee te maken – dat hij ons probeerde uit te leggen hoe en wat hij schilderde. Beelden, zei hij. Beelden die tot hem kwamen. Vooral de laatste dagen. Als hij tijdens slapeloze nachten zijn ogen dicht deed, verscheen er een beeld van een duistere mannenfiguur die zich over hem heen boog terwijl hij daar roerloos lag. Een soort Darth Vader was het, in een zwart gewaad, een cape, gezichtloos, of met een zwart masker op zoals de onheilspellende figuur die op Mozarts deur komt kloppen in in de film Amadeus.

‘En wat zegt die persoon dan tegen je?’ wilde Anna weten.

‘Niets. Hij zegt niets. Hij staat daar alleen maar. Over me heen gebogen. Een gestalte. Gedaante. Donker. En als ik mijn ogen open doe is hij weg.’

Ik vond het maar wat vreemd, ik had nog nooit van zoiets gehoord. Maar ja, ik was ook geen kunstenaar. Gewoon boekhouder. Nu boekhouder-af.

‘Schilder dat beeld eens,’ stelde Anna voor. ‘Zodat wij die sinistere figuur ook eens kunnen zien.’

‘Is goed,’ mompelde Evert, ‘Ik schilder het morgen. In m’n nieuwe atelier.’

We vulden onze glazen nogmaals en klonken op Evert, op zijn nieuwe atelier, op morgen, op een nieuw begin. Ik keek naar Evert, ik vond dat zijn gezicht was opgeklaard. Nu sprak hij tenminste, zijn tong was losgekomen. Nu de rest nog. Hij zat er niet meer bij met neergeslagen ogen maar keek recht in je gezicht als je met hem praatte.

Ook Anna was spraakzaam, ja, ze was echt goed op dreef. Ze vertelde over Gjeltsje, dat Friese meisje, die nu sexy gekleed was, een mooie meid met plenty of money. Intieme dingen uit haar leven, vertelde Anna ons over Gjeltsje, gedurfde dingen. Over haar mannen, mannen die haar iets te bieden moesten hebben, zoals ze beweerde. Mannen die ze het hoofd op hol bracht. Vastgoedmagnaten en mensen die vermeld werden in het tijdschrift Quote. Via zulke rijke mannen had ze zich op weten te werken, had ze zich omhoog geneukt, daar wond ze geen doekjes om. “Mijn kutje is mijn goudmijntje,” beweerde ze.

‘Ik geloof dat ik maar eens een voorbeeld aan haar moet gaan nemen,’ zei Anna. ‘Een goudmijntje  - zo moet ik ook maar eens gaan denken over de mijne…’

We schaterden het uit. Evert zat hikkend te lachen. Vijf minuten later zat hij daar nog met zijn kamerbrede grijns op z’n kop.

Het was al laat. ‘Kom ik ga maar eens huiswaarts,’ zei ik. Ik kwam met moeite overeind, alles was zwaar. ‘Ik weet niet of ik de trap nog op kom. De wijn is naar al m’n ledematen gestroomd, het voelt aan alsof ik opgesloten zit in een duikerspak.’ Ik stond werkelijk te tollen op m’n benen. Evert stond ook op en verdween met dezelfde aanhoudende grijns als daareven naar zijn slaapkamer.

‘Je kunt ook hier blijven slapen,’ zei Anna met zacht, lief stemmetje. ‘Dan hoef je die trap niet op. Zo te zien red je dat nooit.’ Ze stond op en trok het onderste gedeelte van de bank uit zodat de rugleuning naar achteren klapte. Nu was het ineens een tweepersoons bed. ‘Hier, deze slaapzak is wijd genoeg voor ons tweeën.’

We ontdeden ons van schoeisel en kledij, bliezen de vlammetjes uit die boven de stompjes kaars flakkerden en kropen in de slaapzak. Ik maakte kennis met, ik exploiteerde, haar goudmijntje.

 

Het was na tienen toen ik wakker werd. Ik hoorde de buitendeur dichtslaan. Ik schoot m’n spijkerbroek aan en haastte me naar de voordeur. Evert liep midden op straat in de richting van het park. Hij hield zijn hoofd opgeheven, het was alsof hij aan weerskanten naar de boomtoppen en de daken keek en zich niet bekommerde om wat er voor zijn voeten afspeelde.

Goed zo, dacht ik, gisteren keek je steeds naar beneden, gisteravond recht voor je uit, nu omhoog. Ik bespeurde een opgaande lijn. Hij had duidelijk weer zin in het leven. Ik ook. En Sammy-kijk-omhoog neuriënd ging ik weer naar binnen. Anna was ondertussen ook wakker geworden. Ik vertelde haar dat ik Evert met opgeheven hoofd naar het atelier had zien lopen. Ik deed zijn loopje na en zong “Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, want daar is de blauwe lucht…”

‘Vreemd,’ zei ze bedachtzaam, ‘Zo heb ik hem nog nooit meegemaakt. Laten we er ook heengaan; hem wat te eten brengen, dat laatste stuk pizza misschien. En een thermoskan koffie. Want op een lege maag kun je toch niet schilderen?’ Ze kroop uit de slaapzak en zat naakt op de rand van het bed. Iets in mij en vooral aan mij kreeg weer belangstelling voor haar goudmijntje met net boven de ingang van haar mijnschacht dat verrukkelijke plukje geelblond haar dat zijde-achtig zacht was als donsveertjes van een kuikentje.

En zo kwam het dat we veel later dan we hadden voorgenomen voor het pakhuis stonden te roepen. Want we hadden geen sleutel; die had Evert meegenomen. Er werd niet open gedaan. Uiteindelijk liet een student die op de begane grond woonde ons binnen. Anna was als eerste boven, ik sukkelde achter haar aan met de kartonnen pizzadoos en de thermoskan. Ik hoorde haar schreeuw. In de deuropening van Everts atelier stond ze met haar hoofd tegen de deurstijl te bonzen. Nee, nee, nee, nee, kermde ze. Over haar schouder kijkend zag ik Evert naast een van de achtergelaten mobiles hangen.

  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.