Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
24 juli 2018, om 11:53 uur
Bekeken:
47 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
16 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De Udjung"


Na de oorlog woonden wij, mijn vader, moeder en ik, in het havengebied van Surabaya, de Udjung. We woonden in een vrijstaand witgekalkt huis van een verdieping dat aan een stille asfaltweg lag en over een traag-stromende, brede rivier uitkeek, de Kali Mas. Die rivier moest mijn vader iedere dag oversteken in een motorboot om naar het havenkantoor te gaan, een hoog wit gebouw dat uit keek over de kade waar koopvaardij-schepen afmeerden. Hij was daar havenmeester.

   De Kali Mas stroomde gestaag, geduldig, een donkerbruine watermassa die het vuil van de stad naar zee voerde: dode honden met opgezwollen lijven, rottend fruit, verweerde planken, boomstronken, kartonnen dozen, menselijke uitwerpselen. Wanneer ik nu in Four Quartets van T.S.Eliot de woorden lees: ‘I do not know much about gods; but I think that the river/ Is a strong brown god...’,  en verderop in het gedicht  ‘...the river with its cargo of dead negroes, cows and chicken coops...’ krijg ik het beeld van de Kali Mas zoals die voor ons huis stroomde, hoewel ik nooit dode negers of koeien heb zien langsdrijven.     

   Overdag stonden alle deuren en ramen van het huis open, pas om een uur of negen ‘s avonds ging alles veilig op slot. Wel moest ik er altijd goed om denken dat als er een aardbeving plaatsvond en ik mijn bed voelde schudden ik onmiddellijk via de voordeur naar de weg moest rennen of naar het grasveldje naast ons huis.

   ’s Middags tussen twee en vier, als de dag op z’n heetst was en mijn ouders hun middagdutje deden, lummelde ik wat in het stille huis rond of speelde ik op de galerij die het huis verbond met de goedang (rommelkamer) en de mandie-kamer (de badkamer). Als ik maar geen lawaai maakte en het huis of erf niet verliet. Het was nog steeds bersiaptijd, een gevaarlijke tijd voor de blanda’s, maar als er volwassenen in de buurt waren, mocht ik met andere kinderen spelen op het kleine stukje modderstrand voor ons huis bij de riviermonding van de Kali Mas. Het was veilig, er kon niks meer gebeuren, de oorlog was voorbij – ik was negen en het jappenkamp lag al bijna vijf jaar achter ons.

   Toch had mijn moeder het er nog wel eens over, nooit met mij of met mijn vader, maar wel met andere vrouwen en moeders die niet bij ons in het vrouwenkamp Lampersari hadden vastgezeten maar in kampen met mooie magisch-klinkende namen: Ambarawa, Halmaheira, Tjideng en Banjubiru.

Ik was het luistervinkje, ik bleef stilletjes wat rondhangen achter de rotanstoelen van de vrouwen op de voorgalerij. Tot een van hen zich half omdraaide en mijn aanwezigheid bemerkte en ik weggestuurd werd.

   ‘Ga maar met de andere kinderen spelen.

   Maar ik hield niet van spelen. Ik had het nooit geleerd. In het jappenkamp was niets om mee te spelen en speelvriendjes gingen vaak dood, soms twee per dag, op het laatst veel meer. Ze werden dan buiten het kamp begraven, die kinderen. Iemand--waarschijnlijk om me te troosten--vertelde me dat ze onder de grond verder leefden. In de opengebarste harde droge grond van het pad voor ons kamponghuisje en langs de prikkeldraad omheining met gevlochten bamboe lag ik voorovergebogen in de scheuren in de aarde te turen om een glimp van de verdwenen kinderen op te vangen.

 

Een stuk of vijf luidruchtige kinderen bevonden zich op de moddervlakte langs de brede traagstromende kali. Ik kende ze niet; ik was nog maar net op de nieuwe school, vanwege de vele overplaatsingen van mijn vader, mijn zesde school, een ‘School met de Bijbel’.

   De vrouwen vertelden elkaar wat hun was overkomen. Niet alles, wel veel. Sommige dingen waren te erg om over te praten. In een gesprek dat ik eerder afluisterde, had men het over mevrouw Goedhart. Een Japanse officier had de zieke vriendin van Mevrouw Goedhart geslagen. Mevrouw Goedhart werd woedend, pakte haar slof en mepte de jap ermee in het gezicht. Daarna werd ze op een vreselijke manier afgetuigd, weggesleept en dagenlang halfdood in een goederenloods achtergelaten. Dit alles speelde zich af vlak bij ons kamponghuisje in de negende Mangga. Ik moet het gezien hebben, mijn moeder vertelde dat ik er met een grote groep andere kleintjes bij stond.

   Ik wilde er onmiddelijk meer over weten toen ik het verhaal hoorde maar ik werd weggestuurd.

‘Ga met de andere kinderen spelen.’

   Toen ik later nog eens luistervinkte hoorde ik een van de vrouwen vertellen hoe ze in haar kamp met een aantal andere kampgenoten urenlang had moeten zitten, allen geknield, met lange bamboe palen in hun knieholten waardoor de bloedsomloop werd afgeneden. Na urenlang in deze houding te hebben doorgebracht in de gloeiende zon werden ze gelast overeind te komen maar toen ze dit deden, kwam de bloedsomloop in hun benen weer op gang en dit veroorzaakte een ondraaglijke pijn waardoor ze gillend en kermend over de grond rolden.

   Ik luisterde aandachtig naar zulke verhalen.

‘Ga toch met de andere kinderen spelen,’ riep mijn moeder toen ze merkte dat ik bij de geopende deur achter hen stond.

Ik ging met tegenzin; ik liep naar de weg voor ons huis, stak over en bleef boven aan de steile helling staan. Ik keek naar mijn leeftijdgenootjes. Drie jongens en twee meisjes. Ze stonden of hurkten langs de waterkant. Uit de zware vettige klei hadden ze bootjes gemaakt die ze probeerden op het water te laten drijven. Met een duwtje stuurden ze die de rivier op, maar ze zonken onmiddellijk.

   Ik keek naar de donkere vlakte van de rivier waar geen beweging in was te bespeuren. Het was eb. Ik was bang voor het doodse water, ik durfde er niet vlak bij te komen zoals de anderen.

   Ergens in de verte, vanuit een van de huizen, klonken vlagen van  pianomuziek. Sombere duistere tonen, waren het. Ik moest weer denken aan het jongetje dat verdronken was in het zwembad ergens in de binnenstad. Ik had hem niet gekend, maar de kinderen op de nieuwe school hadden het er over. Diepe treurklanken van de piano waaiden naar me toe over het water als windzuchten, zuchten van droefenis over het dode jongetje.

   Terwijl ik schuin naar beneden keek, slenterde ik de weg af naar de monding van de rivier waar het donkere water zich mengde met het grijze water van de zee. Aan de overkant was het havenkantoor waar mijn vader werkte. Vanuit  het torentje van het witte gebouw zou mijn vader me kunnen zien als hij deze kant op keek. Achter het kantoor was een lange kade van Tandjungperak waar nu kleine boten aangemeerd lagen maar over een maand zou er een groot passagiersschip komen te liggen dat ons gezin en honderen andere mensen, zowel Belanda Totoks  als Belanda Indo’s mee zou nemen, weg uit dit land, voorgoed.

Ik liep terug naar ons huis, klom over het lage tuinmuurtje en zorgde ervoor dat ik ongezien in de voorkamer kwam waar ik de vrouwen kon horen praten op de voorgalerij. Mijn moeder maakte met twee van hen een afspraak om die week naar de herbegrafenis te gaan van meneer Laarmans uit Probolinggo die in het begin van de oorlog was onthoofd omdat hij vele vrouwen en kinderen, waaronder mijn moeder en ik, had geholpen te vluchten vanuit Surabaya naar de bergen in de buurt van Malang en Tosari. Ook douane-officier Wolf in Manado, mijn geboorteplaats, was door de jappen onthoofd. Hij had mijn vader opdracht gegeven met de boot vol vrouwen en kinderen te vertrekken naar Surabaya. Meneer Wolf was achtergebleven om alle haveninstallaties te vernietigen voordat de jappen aan land zouden komen.

‘Vooruit, spelen jij!’ riep mijn moeder boos toen ze merkte dat ik achter de halfgeopende deur weer zat te luistervinken. Ik zou en moest met andere kinderen spelen.. 

Deze keer dwong ik mezelf om af te dalen naar het stille zwarte water. Het moest, of ik nou wilde of niet. De anderen speelden bij een kale boom die half verzonken in de modder lag, een dikke boomstam met bladerloze gebroken takken die bij een vorige overstroming was meegevoerd. Een van de meisjes werd geplaagd. Ze heette Mati, wat in het maleis Dood betekent. “Roti is brood, Mati is Dood”, zongen de jongens. Het meisje was erg bleek, spierwit eigenlijk. Ze was net uit Holland overgekomen en sprak heel anders dan wij. Een indische jongen op school had haar “vies wit” genoemd, wat ik erg vond maar ik had er niks van durven zeggen. Het meisje onderging de plagerijen gelaten.

Plotseling klonk er geschreeuw boven ons. De vrouwen en moeders waren de weg over gerend, ze riepen naar ons, ‘Kom gauw naar boven, er is net een zeebeving geweest, er komt een hoge golf vanuit de zee.’  De kinderen stoven weg, naar boven. Ik bleef alleen achter, verlamd van schrik. Mijn moeder rende de helling af, haar gezicht vol angst. Ze moest overgeven, ze leunde met bijde armen op de boomstam en stond voorovergebogen terwijl ze kotste en kotste. Ik klampte me aan haar arm vast en keek naar de zee die nu nog grijs en glad was maar elk moment een rechtopstaande metershoge golf, een muur van water, op ons af kon sturen.  Mijn moeder en ik, innerlijk verlamd, we konden niet wegkomen, ons niet bewegen, een groot gevoel van machteloosheid overviel ons. Net als in het kamp. Hulpeloos terwijl we een groot onheil op ons af voelden komen.

  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.