Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
24 juli 2018, om 11:36 uur
Bekeken:
26 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Ethel"


Hij heette Ethel of zoiets. Althans, zo noemden we hem. Ethel is een meisjesnaam. Misschien had hij een gewone jongensnaam, John bijvoorbeeld, maar ik heb hem tijdens mijn kostschooljaren gekend onder de naam Ethel. Niemand nam ooit de moeite om je werkelijke naam te gebruiken als je eenmaal een of andere nickname opgeplakt had gekregen. Er was altijd wel een reden om iemand een bijnaam te geven: zo kreeg een jongen die van achteren Wright heette de voornaam Lefty. Omdat zijn lul nogal schuin naar links hing. Dat zag je duidelijk als we s’morgens met z’n vijftigen naakt in de rij stonden in de badruimte om ieder heel Spartaans tien tellen onder de koude douche te staan om goed wakker te worden. Er waren vijf douches in een rij zonder deuren of tussenschotten tegen de ene wand en vijf wastafels met koude kranen tegen de andere wand waar je je tanden kon poetsen. Ieder morgen na de bel van zeven uur direct onder de douche. Dit alles onder de superevisie van prefects of house masters. En dit terwijl de temperatuur in Melbourne op winterdagen kon zakken tot zo’n 13 graden. Brrr.

   Ethel dus. Ik denk dat hij zo genoemd werd omdat hij altijd een liedje zong, altijd hetzelfde liedje, met zachte, zijige, droevige piepstem, een liedje van de eens beroemde Amerikaanse zangeres Ethel Merman, bekend van populaire musical comedies: ‘Wish me luck as you wave me goodbye…’ Dat zong Ethel dus, terwijl andere jongens een imitatie gaven van Elvis Presley met ‘You ain’t nothin but a hound dog of Jailhouse Rock.’ Ethel, de vroegoude jongen die een of twee klassen hoger zat dan ik, zong dat liedje op zo’n treurige wijze dat anderen er beroerd van werden. Het kan zijn dat hij troost putte uit het liedje, dat hij zich op die manier staande wist te houden. Iedereen had zo zijn eigen manier.

   Ik haatte de jongen, ik vervloekte hem, ik verachtte hem. Ik benijdde hem ook. Vooral omdat hij op dinsdagen gewoon het schooluniform kon aantrekken en niet de oncomfortabele stugge kledij van de Australian Cadet Corps, de organisatie waar iedereen op school verplicht onderdeel van uit maakte tenzij je om gezondheidsredenen daarvan vrijgesteld was. Iedere dinsdag middag waren wij, jongens tussen de dertien en negentien jaar, achter het kasteelachtige gebouw van de kostschool op de speelvelden urenlang in de weer met walkietalkies, het zo snel mogelijk opzetten en schietklaar maken van de mortieren en de Vickers machineguns, het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van de Brenguns en het marcheren met de zware Lee Enfield kaliber .303 geweren op onze jonge schouders. Al dat materiaal, die uitrusting, was over gebleven van de Tweede Wereldoorlog. Alsmede de volwassen instructeurs die ons toeschreeuwden, ons koeioneerden. Ethel liep dan in zijn gewone schooluniform langs de sportvelden naar ons te kijken terwijl wij soldaatje moesten spelen, kindsoldaat eigenlijk, zoals jaren later in mijn hoofd op kwam nadat ik die term geleerd had. Hitlerjugend, gromde de leraar Duits en scheikunde, ja, daar deed dit militaristische gedoe hem aan terug denken. Hijzelf, meneer Stenzel, had ergens in Duitsland als 15-jarige met drie andere jongens van zijn leeftijd en slechts gewapend met Duitse geweren een brug moeten bewaken terwijl de Amerikaanse tanks op hen af kwamen denderen. Hij was toen gevlucht en later was het hem gelukt om naar Australië gekomen.

   Nee, Ethel hoefde niet mee te doen met dat Cadet-gedoe en ook niet met sport – ook zo’n belangrijk bestanddeel van ons schoolleven. Hoe kwam het dat hij daarvan was vrijgesteld? Niemand wist het. Waarschijnlijk was hij afgekeurd om gezondheidsreden. Net als de jongen die maar één long had en die overleed toen we met honderden Cadets van andere elitescholen in het militaire trainingskamp Puckapunyal waren op zo’n 130 kilometer ten noorden van Melbourne om daar met live ammunition, met scherp dus, te schieten op enorme schietbanen toegebruld door instructeurs uit het reguliere leger. Die kerels blaften ons toe, maakten ons bang voor de recoil, de heftige terugslag, van de zware geweren die immers nooit voor dertien- of vijftienjarige knapen bedoeld waren maar voor volwassen mannen die in de oorlog tegen spleetogige Jappen hadden moeten vechten. Jongens konden nooit rechtop staand schieten zoals je dat wel in oorlogsfilms zag, alleen op de grond liggend met benen wijd uit elkaar en met voeten schrap tegen de grond. De de kolf van het geweer stevig tegen de schouder gedrukt - niet losjes want dan kon de kolf door de terugslag je sleutelbeen verbrijzelen – en dan tien schoten lossen op het doel zo’n 200 meter verderop tegen de heuvel. Toen we terugkeerden van het legerkamp had ik een blank, een losse flodder, een huls zonder puntkogel, die gebruikt werd tijdens veldoefeningen meegenomen naar de kostschool. Dat was volstrekt verboden, alle ongebruikte munitie, of het nu ging om de met kruit gevulde hulzen zonder koperen punt of de gewone kogels voor de .303 kaliber geweren moesten bij de officieren worden ingeleverd voordat we het militaire terrein verlieten.

   Terug op de kostschool zag ik Ethel voor me door de gang lopen gekleed in zijn badjas en met een handdoek om zijn nek. Hij was op weg naar de doucheruimte achter in het gebouw. Hij zou wel weer toestemming hebben gekregen om naar een matinee te gaan van een musical comedy met veel ouwewijvengezang à la Ethel Merman. Omdat het een snikhete dag was nam hij eerst een douche alvorens zich in zijn nette pak te steken. Iedereen had twee pakken, een voor door de week en een voor zondags en speciale gelegenheden.

   Er was niemand in de buurt, de anderen waren buiten om naar een cricketwedstrijd te kijken. Ik keerde me om en haastte me naar de kast op de gang waar de geweren stonden opgeborgen, dan naar de slaapzaal waar ik de bolt, het ijzeren grendelgedeelte waarmee je het wapen schietklaar maakte, uit mijn nachtkastje haalde en de blank patroon die ik achter in de loop van het geweer stak en met de haan vergrendelde. Ik sloop door de verlaten gangen naar de doucheruimte in het achterste gedeelte van het gebouw en confronteerde Ethel die naakt onder de douche stond. Met de loop op zijn natte hoofd gericht en met een vertrokken gezicht en maniakale grijns deed ik of ik mata gelap was geworden, een term die ik nog kende uit mijn vroegste jaren in Indonesië. Ik schreeuwde: I gotcha! I’m gonna kill ya! Ik stootte er nog wat gekke woorden bij uit, het hele rijtje van shape, shadow, silhouette, surface, spacing, movement dat ik uit m’n hoofd had moeten leren; het waren dingen waar je rekening mee moest houden als je de vijand besloop, en als je jezelf onzichtbaar probeerde te maken tussen bomen en struikgewas en rotspartijen, blending into the background.

   Ik had een slap droog knalletje verwacht zoals in de buitenlucht tijdens de oefeningen in Puckapunyal toen ik de trekker overhaalde maar een enorm geluid als een donderwolk torende tegen het plafond en botste tegen de stenen muren in de beperkte doucheruimte. Even dacht ik aan een explosie die afging binnen in een betonnen bunker. Een felle vlam spoot uit de loop vlakbij zijn gezicht. Ethel sloeg de handen voor de ogen en zeeg neer op de vloer. I can’t see! piepte hij met een ijl stemmetje. Ik stond een moment verstijfd van angst. Zou ik hem blind gemaakt hebben? Zou de steekvlam zijn ogen geraakt hebben? Of was het stukje karton dat op de plaats waar gewoonlijk de koperen punt van de kogel zat ter afdekking van de kruitlading tegen zijn voorhoofd geschoten? Ethel kroop op zijn knieën voor zich uit tastend naar de wastafels, hees zich op om in de wandspiegel naar zijn gezicht te kijken of hij zijn ogen kon zien. Ik rende weg, de gang op, plaatste het geweer in de kast, vergat eerst de lege huls en bolt uit het grendelgedeelte te halen en die in de slaapkamer in mijn nachtkastje op te bergen, rende terug naar de doucheruimte. Ik verwachtte het ergste. Ik wist niet wat ik moest doen. Ja, hulp halen voor Ethel die blind geworden was. Maar de douchezaal was verlaten. In zijn slaapzaal trof ik Ethel in zijn badjas op zijn bed zittend aan. Hij was niet blind. Alleen vreselijk geschrokken. Dat was ik ook. We keken elkaar aan zonder iets te zeggen. Hij begon in zichzelf gekeerd met een zacht en bedroefd stemmetje voor zich uit te zingen: Wish me luck as you wave me… Ik haastte me nogmaals terug naar de doucheruimte. Ik wilde weten of het schot zo luid was geweest dat men het buiten op de sportvelden had kunnen horen en of anderen waren komen kijken wat er aan de hand was. Kruitdamp, een geur van gunpowder, hing in de ruimte als een dunne nevel die zich langzaam oploste.

   De rest van mijn schooltijd heb ik me nooit meer met Ethel bemoeid, de softy, de zachterik, die nooit iemand kwaad deed. Nu, na zestig jaar, huiver ik als ik eraan terugdenk, ik heb nog steeds last van wroeging.  

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.