Gegevens:

Categorie:
Horror
Geplaatst:
13 juli 2018, om 18:14 uur
Bekeken:
278 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
101 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Aankomst Parijs"


In de binnenstad van Parijs, dicht bij hun bestemming, raakte de bus verstrikt in wat nauwe laantjes met hoge muren, het logge gevaarte kon de bocht van een smalle zijstraat niet goed maken. De chauffeur zat grijnzend en onaangedaan aan het stuur te rukken en te draaien, hij stopte, reed achteruit, probeerde opnieuw. Men keek gespannen uit het raam. Hoe moest dit aflopen? Er klonk een klap, er kletterde buiten iets naast de bus. Sancho Panza stopte en kwam van achter het stuur vandaan. Hij grijnsde nog breder, opende de voordeur en verliet de bus. Een kapotte buitenspiegel? Een stuk bumper afgebroken? Ook Lange Hans en enkele leerlingen, waar onder Nina, stapten uit. De bus stond dwars over het te klein bemeten kruispunt. Een bejaarde Fransman verscheen en ging druk gebarend en boze onbegrijpelijke dingen roepend pal voor de bus staan.

   ‘Zeg even tegen die zenuwlijder dat ie een eindje op moet donderen, iemand?’ riep reisleider Hans die mee liep met de chauffeur. Nina liep op het rare mannetje toe, ging voor hem staan, legde haar wijsvinger tegen haar lippen en zei; ‘S’il vous plait, pas de bruit, monsieur. Ronaldo est là, le fameux footballeur. Il dort, il est tres fatigué.’ Ze wees op de bus, ergens in het midden. Het gezicht van de man klaarde op. ‘Ah oui, footballeurs!’ riep hij verheugd, vol ontzag. Hij ging aan de kant. Iedereen stapte weer in. Sancho Panza gaf nogmaals vele korte rukken aan het stuur. Lange Hans stond er bezorgd naar te kijken. “Multi corti rukkkies, cortoma nix aan de handa,’ riep hij opgelucht toen het de chauffeur lukte de bus het smalle straatje met aan weerskanten hoge bakstenen muren in te manoeuvreren. Men zwaaide in het voorbijgaan naar de voetbal bewonderaar die enthousiast terugzwaaide. Ronald opende zelfs een raampje en riep: Ronaldo, c’est moi!

   ‘Wat was dat nou met die footballeurs?’ vroeg Jolien aan Nina.

   Het meisje glimlachte. ‘Dat druktemakertje deed me denken aan mijn opa, een grote voetbalfan. Als hij zich ergens over op wond begon ik altijd over voetbal en dat veranderde zijn stemming ter plekke.’

Nadat de maniakaal grinnikende Caliban-figuur die de bus bestuurde door wat nauwe straatjes van een verloederd stadsdeel had gereden, belandde het bonte reisgezelschap in een obscuur hotelletje in Parijs.

   ‘Typisch zo’n onderkomen in een armenwijk, maar dat is wel een bijzondere belevenis voor ze, hè?’ veronderstelde de Belgische vrouw, door de scholieren ook wel De Belgin genoemd, die zich in Brussel bij de groep had gevoegd.

   ‘We zijn hier behoorlijk in de aap gelogeerd, zeg,’ verzuchtte de leraar Engels. Hij wendde zich tot haar en vroeg: ‘Heb je aan de gevel dat uithangbord niet gezien: Den Aap   - Le Singe?’

   ‘We zullen er het beste van moeten zien te maken en de problemen het hoofd te bieden,’ besloot Wendy, de kordate lerares Wiskunde.

   Lange Hans grijnsde. ‘Ik had jullie toch beloofd dat dit een culturele reis zou worden met veel culture shocks en avontuur?’ Hij wendde zich tot de leraar Engels. ‘A life-changing experience this will be for all of you,’ zei hij.

   ‘Make that the cat wise,’ antwoordde deze – zijn vaakgehoord standard schoolgrapje.

   De Belgin steunde Lange Hans door dik en dun. ‘Les jeunes komen allemaal uit een welgesteld milieu, un milieu aisé, dit moet toch een heerlijke catastrophe voor ze zijn die ze niet eerder hebben meegemaakt? Oh la! La!’

   De leraar Economie keek vertwijfeld rond. ‘Jezuskriebelendechristus, wat is dit? Wat voor jeugdherberg of armoedig achterbuurt hotelletje heeft die Sancho Panza voor ons uitgezocht? Waar zijn we in godesnaam terecht gekomen?’

   ‘Ah, Pangloss – wat voor wereld is dit?’ verzuchtte de lerares Frans om zich heen kijkend. Maar ze besloot toch maar Candideaans optimistisch te blijven onder alle omstandigheden en mompelde: ‘Tout est au mieux...

   De eigenaar van Hotel Catalonia bleek een Spanjaard te zijn uit Barcelona, een booskijkende oudere man met veel rimpels en groeven in zijn verbeten gelaat.

  Kakker Koen vond het maar niks. Bij de verlaten incheckbalie stond hij wat apart en bladerde achteloos in een beduimeld en verkleurd en duidelijk weinig gebruikt gastenboek dat open op een tafeltje lag – er zaten vliegenpoepjes op de bladzijden. ‘Moet je eens zien wat voor volk deze pleisterplaats doorgaans aan doet - landgenoten van ons nog wel. Ik lees hier enkele namen… ene Bralle Piekerma uit Bargeboereburenveen, logeerde hier een poosje geleden… en ene W.C. Kloot van Neukema…’

   ‘Dat zijn gekke namen bedacht door bekende Nederlandse schrijvers, W.F. Hermans en Du Perron,’ wist Sue Xue.

   ‘Zijn die hier dan geweest?’

   ‘Natuurlijk niet. Hoewel… beiden hebben wel een tijdje in Parijs gewoond.’

   ‘Hoe weet jij dat van die spotnamen van Nederlands grootste literatoren,’ vroeg Jolien, die vanaf een afstandje had staan kijken en luisteren.

   ‘Ik ben het tegengekomen bij het lezen van hun werk. Als voorbereiding op mijn studie van volgend jaar, ik ga immers Nederlands studeren.’

   ‘Je gaat studeren, niet het restaurant voortzetten van je ouders?’ vroeg Bertus. ‘Die willen er toch mee op houden, had je verteld?’

   Sue knikte.

   ‘Je broer misschien? Je hebt toch een oudere broer?’

   ‘Mijn broer…’

   ‘Jouw bloel…,’ viel Karel, haar plaaggeest, haar in de rede.

   ‘Hè, hou toch eens op met die onzin. Mijn broer is chirurg in het Albert Schweitzer ziekenhuis te Dordrecht.’

   ‘En hier hebben we… jawel… ene Magnus… ene Magnus Eyjafjallajökull uit Reykjavik,’ klonk Koens bekakte stem.

   ‘Hoe heet dat restaurant van je ouders ook alweer? Ping Pong of zoiets? Ik heb er wel eens gegeten,’ zei Karel.

   ‘Nee, niet Ping Pong maar Wang Ping.’

   ‘Niet Wang Snee Wang?’

   ‘Nee, dat al helemaal niet. En we hebben ook geen hond die Hoe Lang heet. Ken je nog meer van die Pepijnisschool grapjes?’

   Maurice, die in het najaar aan het conservatorium zou beginnen stelde voor dat ze allemaal hun naam in het gastenboek zouden zetten. In zijn zwierigste handschrift en met grote letters schreef hij: Johann SaPepijntian von Heetboven. Karel schreef er Alfred Dreyfus aka Freddy Drievoet onder. En de jongen met de Indische grootvader schreef er aka Tuan Kaki Tiga bij. De uiterst vriendelijke en eeuwig glunderend dikke jongen die, net als zijn vader, dominee wilde worden, schreef op: Tarara Boembiejee en het babbelzieke meisje Gansje krabbelde giechelend Truusje Troela Ammehoela. Een jongen die trots beweerde te zijn op zijn Friese afkomst schreef: Tsjêbbe de Fierljepper uit Pjolstoksloterboerenkolerveen.

   Herr Hermann, de hoogvoorhoofdige en zwaarbesnorde literatuurdocent verbonden aan een universiteit in het zuiden van Nederland, kwam op dat moment binnengestrompeld met zijn enorme militair-aandoende rugzak van donkergroen- en poepbruingevlekte camouflagekleuren. Hij liep rechtstreeks de gang in, alsof hij hier uitstekend de weg wist. Later bleek dat ook het geval te wezen, aangezien hij al eens eerder een dergelijke cultuur reis had ondernomen met Lange Hans en zijn sidekick Sancho Panza. Maar dat was een trip van Amsterdam via Parijs naar de Toverberg van Thomas Mann geweest twee jaar eerder. Iedereen noemde hem simpelweg Herr Hermann want niemand kon zijn achternaam herinneren nadat men zich vluchtig aan elkaar had voorgesteld. Een zeer moeilijke achternaam met wel twee ringelessen, beweerde Bertus. Een vreemde man van ergens begin dertig. Gansje, die de hele reis van Breda tot Parijs naast de man had gezeten, kende hem nog het beste.

   ‘Begint in ieder geval met een S, die onmogelijke naam van hem,’ zei ze.

   ‘Zoiets als Sauerkrautfresser of Schwankenschwanz of Schnurrbartschwartztruber… eh…, ’ probeerde Bertus.

   ‘Zoiets, ja, wie weet. Hij heeft het de hele tijd met me over Adorno gehad, of Armando. Of was het Derrida? Ik gooi altijd alles door elkaar, zoals jullie weten. Ik had het moeten noteren in mijn opschrijfboekje. Een zeer belezen man. Zijn hoofd zit vol citaten. Hij heeft zich ongans gelezen aan Goethe, Schopenhauer, Freud, Thomas Mann. Hermann Hesse… Mentaal geconstipeerd is hij er door geraakt, beweert hij. Vandaar zijn deelname aan onze Bildungsreise, zoals hij onze bustocht noemt. Hij hoopt dat hij er anders door zal worden, gelukkiger. Een collega van hem aan de universiteit, die ook moeite had met zijn achternaam, noemt hem gewoon De Bree – vanwege die bekende eerste zin van dat verhaal van Bordewijk - Bint: De Bree zijn denken was hoekig en nors.’

   ‘Hoe wil hij een andere persoon, een gelukkiger mens worden?’ wilde de domineeszoon weten. ‘Hoe wil hij, of kunnen wij, dat bewerkstelligen?’

   ‘Door een individuele Umwertung aller Werte, door een Rimbaudiaanse ontregeling te ondergaan van al zijn zintuigen door middel van drugs, drank en seks.’

   ‘Goeie God, grote genade,’ riep de dominee in spe.

   ‘Mooi is dat, nu hebben we dus een lijder aan hersenconstipatie in ons gezelschap die verlost wil worden van zijn kwaal, dat wordt nog wat!’ zei Bertus.

 

 

 

  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.