Gegevens:

Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
21 maart 2018, om 12:05 uur
Bekeken:
184 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
48 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Maar zou dat inhouden dat een gedeelte van het creatief werk..."


Maar zou dat inhouden dat een gedeelte van het creatief werk inderdaad ontstaat uit opwinding en rancune?

Daar heb ik onder andere in “Een natte moesson in Groningen” zeker geen geheim van gemaakt. En wat is daar trouwens op tegen ?

Een zijlijn in het verhaal betreft een gereformeerde Groningse kunstschilder Hank Duvelsjas, die stiekem naar pornoshops gaat en door een ranzige homo wordt opgepikt. Bedoelt U daar een huisschilder uit Oosteremden mee ?

Hank Duvelsjas is een composietfiguur. Ik heb er niemand specifiek mee bedoeld. Die huisschilder zou zich nooit door een homosexueel laten oppikken, daar is hij veel te braaf, te burgerlijk, te aan gepast, te pro vanillesex en te fatsoenlijk voor, dat past niet in zijn bekrompen christelijke wereld beeld, die heeft geen enkele aanleg voor avonturen van welke aard dan ook. Hij weet gewoon niet wat hij mist. Friese kunstenaars lijken trouwens allemaal op elkaar. Je kunt van achteren ook nauw elijks het verschil tussen mannen en vrouwen zien in die provinciale artiestensien. Allemaal haar tot op d’r lui hun reet. Het haar brult ze van boven en van onderen de broek uit. Van achteren MMS, van voren AOW. En een baard zegt tegenwoordig met al die hormonale mogelijkheden ook niets meer over het geslacht. Die huisschilder is veel te oninteressant om over te schrijven. Wat beleeft een zwaarmoedig, zeer middelmatig lidmaat van de vrijgemaakt gereformeerde kerk meer dan twee maal op zondag uren lang naar de meneer de dominee luisteren en voortdurend ja te knikken of in te dommelen nog voor de kollektezak rond gaat, dat scheelt weer een halfje? Die mensen kennen geen passie, voor niets en voor niemand! Laat staan dat ze ooit buiten de pot pissen of hebben gepist! Fred van der Wal natuurlijk wel, die gaat geen uitdaging uit de weg.

De passie achter het fotograferen van wat dan ook?

Dat je – om ‘t wat dik te zeggen – iets wilt vastleggen van de vergankelijkheid. De onhistorische vergankelijkheid. Balkenende die uit een vliegtuig stapt vind ik niet interessant, want dat doet-ie drie keer per week en iedereen fotografeert dat drie keer per week. Foto’s die ik maak zijn van dingen waarvan je hoopt dat niemand erop let. Vijftien jaar geleden maakte ik dingen die toen nog vrij origineel waren. Fragmenten van pompeuze, soms lelijke, maar heel vaak schitterende grafmonumenten bijvoorbeeld waar Frankrijk heel rijk aan is. Ding en waarvan Friezen zeggen: wáa’s daár nou áan, mán, daar kan je toch niet van vretten, mán?! Die fotografeer ik. Op het ogenblik dat je het fotografeert, is het nog niet vergaan of nog net niet verdwenen, ‘t is nog een actualiteit, maar het scheelt niet veel met de vergankelijkheid.

Fotograferen is een poging van mensen om te proberen er achter te komen in wat voor wereld ze staan. Alles verandert, alle auto’s …, de mode, de hele scene, zoals ze dat tegenwoordig modieus zeggen, verandert per seconde. Dát vastleggen is een dagtaak… Foto’s die ik lang geleden maakte en nu weer bekijk geven me vaak associaties. Het is bijvoorbeeld niet zo leuk te constateren, gut ja, toen ik die foto maakte was ik tien jaar jong er en zag er heel wat beter uit. Jazeker, morbide onder werpen, de hele wereld is morbide. Mondo Cane, die film heb ik met genoegen gezien. Alleen, als ze ansichtkaarten maken, laten ze dat allemaal weg uit commerciële redenen. Ik heb een foto van een man die tijdens een familietwist geveld is en op de grond ligt in een plas bloed met een bijl tot aan de steel in zijn kop en een paar lachende agenten van politie erbij, die staan te dansen van plezier, want die leven pas echt op bij moord en doodslag. Vooral als het onherroepelijk is, dan kunnen ze weer in een centraal verwarmd wachtlokaal een uitgebreid proces verbaal schrijven en doen uren of een getypt verslag omdat ze met twee vingers typen. Ik verzeker U dat dát nog eens morbide is.

U heeft zeven computers en acht fotocamera’s ?

Ik kreeg een boxcameraatje toen ik negen jaar was, of tien. Zo ging dat. Daarna had ik een 9 bij 12 camera met dubbel uittrek en een dubbele anastigmaat. In 1967 een Zenith E. Nu heb ik een Minolta STR 101 en een Minolta motordrive, een Praktica, een Yashica twee ogige spiegelreflex 6 x 6 en een van 4 x 4, twee digitale cameras en binnenkort koop ik een dure Sony digital camera met een memorycard van 512 mb En ik heb ook nog een VHS videocamera. Begin jaren zestig gebruikte ik nog wel eens de Zorki kleinbeeld camera van mijn broer. Dat portret van mij (the artist as a young man) met Alice op de vluchtheuvel van lijn negen, op het Rembrandtsplein of bij het Waterlooplein na de Blauwbrug is genomen door mijn broer in 1964. Mijn donkere kamer apparatuur stelde ik vanaf 1973 meestal tijdelijk in de badkamer op voor een week en vergrootte dan honderden fotos achter elkaar. Soms wel zeven honderd. Vergrotings apparaat, waterbak, flesjes chemicaliën, aanvankelijk een glansmachine tot je PE papier kreeg, toen was dat niet meer nodig. Geen luxe outfit, zelfs geen tijdklok, nee; ‘t moet allemaal een beetje brique braque zijn, net als in die film Blow Up (ik ging er in 1967 met Cato naar toe) waar simpele donkere kamer apparatuur en een paar lekkere meiden een grote rol spelen. Artistiek leven. Het heeft me bijvoorbeeld moei te gekost om de Minoltas niet meer regelmatig te gebruiken en de beide Yashicas van twintig jaar oud in de steek te laten voor de mo derne high resolution cameras, die de beelden op memorycards op slaan en direct op de computer verwerkt kunnen worden. Je eigen ontwikkelcentrale.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.