Gegevens:

Categorie:
Maatschappij
Geplaatst:
13 maart 2018, om 10:39 uur
Bekeken:
200 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
57 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De Sumerische kat"


De Sumerische kat

Eens per jaar kwam ik in deze buitenwijk tijdens mijn collectewerk voor de Nierstichting. Een van mijn jongere broers is nierpatiënt en zijn getob met de nierdialyse, twee tot drie keer per week, motiveerde mij om dit bedelwerk te doen. Zo leed ik een beetje mee en kon hem zonder schuldgevoel in de ogen kijken.

De wijk bestond uit een paar straten met verpauperde arbeiderswoninkjes,  indertijd gebouwd  in opdracht van de leerlooierij, die hier was gevestigd. De huisjes waren bedoeld om arbeiders te lokken voor een van de smerigste fabricageprocessen, die een rauwe koeienhuid moest upgraden naar een fraai stuk runderleer.

De looierij was inmiddels al decennia geleden afgebroken, maar de huisjes ademden nog steeds de stank van rottende vleesresten, looizuur en loog. De bewoners waren onveranderlijk sociale minima en statushoudende asielzoekers, een populatie, die doorgaans guller gaf dan de inwoners van de villawijk verderop.

De bel bleek stuk en daarom klopte ik aan bij een van de meest verveloze huisjes. De deur werd op een kiertje geopend en een paar exotische bruine ogen in een baardig gezicht keken me aan vanuit de vaal verlichte gang. Toen ik mijn gebruikelijke collectepraatje wilde afsteken, schoot er iets vanuit de half geopende deur langs mij heen. Een kat. Ik ging opzij omdat de bewoner onmiddellijk achter zijn gevluchte huisdier aanging. Omdat deze vertoning min of meer aan mijn komst te wijten was, aarzelde ik niet. Ik zette mijn collectebus snel in het gangetje en volgde de kattenbezitter.

Het beestje, een wollige Perzische kat, huppelde voor zijn baasje uit, speels over de stoep en reageerde niet op zijn lokkende woordjes.

“Sumo, Sumo, kom kom “.

Ik ben zelf een ‘kattenmens’ en daarom besloot ik hem te assisteren. Met mijn hele kattenlokvocabulair lukte het mij uiteindelijk om het beestje te paaien.

Dankbaar nam hij de kat van mij over. Ik volgde hem naar zijn voordeur en wees op

de collectebus, maar voor ik mijn riedel kon afdraaien, noodde hij mij uit binnen te komen. “Ik u danken voor vangen kat, wij nu thee drinken. Ja ? “. 

Ach, waarom niet ? Ik stak mijn hand uit en stelde mij voor. Hij bleek Omer te heten.

In de huiskamer stond de te verwachten inventaris, net op tijd gered van de kraakwagen. Ik nam plaats op een van de gammele stoelen aan een dito tafel. Terwijl ik mijn omgeving in mij opnam was Omer in de weer met de theebereiding op een simpel tweepits gasstelletje. Aan de muur hingen een paar portretten, waarschijnlijk van naaste familieleden en verschoten posters met Oosterse tafrelen. Ik vroeg mij af, of ik, mocht ik nog eens gaan vluchten, in mijn nieuwe vaderland ook afbeeldingen zou ophangen van polderweides met molens en koeien.

Omer serveerde de kruidige thee in glaasjes met romantische rondingen. Hij maakte een proostend gebaar en dankte mij nogmaals voor mijn vangassistentie. Hij bleek afkomstig uit Irak, geboren en getogen in Bagdad en was sinds een jaar officiëel  ‘statushouder’.  Zijn kat Sumo was geen Perzische kat, maar een Sumerische kat, in dit geval een kater.

In grappig Nederlands vertelde hij mij in een notendop het verhaal van zijn vertrek uit Bagdad, nu drie jaar geleden. Nee, geen spannende zwerftochten door ongastvrij Europa, maar gewoon met het vliegtuig naar Schiphol, samen met zijn kat. Nederland was zijn bewuste keus vanwege onze beroemde tolerantie en onze sympathie voor katten. Dat van die katten klopte wel. Ik had pas nog gelezen, dat we in ons land wel tweeëneenhalf miljoen katten hebben. Die tolerantie was misschien wel een ‘dingetje’…

Heel vele dank aan Allah. Natuurlijk, hij miste zijn land, zijn familie, zijn vrienden, maar vooral: zijn werk. Hij was journalist geweest bij Al Wifaq, een pro-regeringskrant. Als journalist moest je in Irak wel op je tellen passen, dat wist hij wel. Daarom schreef hij enkel over luchtige onderwerpen, totdat …

Hij onderbrak zichzelf.  “Nog glasje thee ? “.  Hoewel ik geen theeliefhebber ben, zei ik van ganser harte “ja”, want ik wilde zijn verhaal graag horen.

Omer legde uit: het verhaal van Irak is dat van de strijd tussen de Soennieten en de Sjiieten. Al 14 eeuwen lang draait het leven van de Irakees om het twistpunt over de opvolging van Mohammed, de profeet. Dit geschil heeft al die eeuwen het leven van de Irakees beheerst, getroebleerd en vergald.

Omer, die zichzelf als ‘ruimdenker’ omschreef, kon zich daar wel eens goed kwaad over maken, maar zelfs met zijn beste vrienden viel daar nauwelijks over te praten. Een  onschuldig grapje daarover maken, was al te veel. Humor en Islam is geen goede match, zo had hij ervaren. Hij had in zijn wekelijkse column een grap gemaakt, naar aanleiding van de zoveelste autobom in Bagdad. Zijn grap kwam er in het Nederlands ongeveer op neer, dat als de Soennieten en Sjiieten elkaar voor de helft zouden uitmoorden, dan hield je alleen nog ‘Ieten’ over en ja, dan pas zou er eindelijk eenheid en rust komen in Irak. “En Ieten is altijd nog betere dan Nieten”, keek hij mij lachend aan.

Maar in Bagdad werd niet hard gelachen. Het begon met boze blikken van collega’s op de redactie en kennissen, die voor hem op de grond spuugden. Daarna volgden grotere pesterijen, lekgestoken banden en uiteindelijk een steen door de ruit van zijn aftandse autootje.

Zijn grap werd uiteindelijk de aanleiding voor zijn vertrek naar het ‘vrije westen’ .

Of hij nooit spijt had ?  Nee, geen seconde ! Wat hij nog wel  kon wensen, was werk, liefst als journalist.

Het werd weer eens tijd om op te stappen. Ik bedankte voor zijn verhaal en gastvrijheid. Bij de deur vroeg hij mij uitdrukkelijk om nog eens op bezoek te komen als ik weer eens in de buurt was. Tja, wie weet ?

In de dagen daarna moest ik nog vaak aan deze eenzame Irakees met zijn kat denken. Zou ik nog eens bij hem langsgaan ? Een klein stemmetje in mijn achterhoofd zei, dat dat een nobele gedachte was, die ik vooral moest volgen.

Zo klopte ik een week later weer aan bij Omer. Voor Sumo had ik een luxe blikje kattenvoer meegebracht. Breedlachend werd ik binnengelaten. Omer zette thee en offreerde zijn huisdier de helft van de smakelijke hap. Ik begreep later, dat het beest ook echt niet naar buiten kon, omdat het niet veilig was in de buurt. Niet veilig ?? Nee, verderop woonden mensen, die niet van katten hielden. Hij was bang, dat ze Sumo iets zouden aandoen.

Het werd een leuke middag. Omer wilde echt alles weten van zijn nieuwe vaderland. Je kon merken, dat hij gewend was om mensen te interviewen. Vaak moest ik ook lachen om zijn grappige Nederlands.

Ik besloot wekelijks bij hem langs te gaan, voor hem, maar evenzogoed voor mij. Ik genoot van onze ‘culturele uitwisseling’ en die thee smaakte ook steeds beter.

Op een van onze middagen kwamen we te praten over muziek. Hij had een cd-speler en liet wat Irakese toppers horen. Ik probeerde de jammerklanken mooi te vinden, maar dat wilde niet echt lukken. De Aziatische muziek staat toch iets te ver van ons Westerse gevoel voor ritme en melodie. Ik beloofde hem om bij mijn volgende bezoek iets van mijn smaak mee te brengen. En zo zaten we die week daarna te luisteren naar Boudewijn de Groot en Doemaar.

Bij het nummer: ’Je loopt je lul achterna’ van Doemaar begon hij te grinniken. Hij vond het toch wel een vies liedje. En dat kwam zomaar over de radio ? Dat zou in Irak nooit gebeuren. Uitgesloten. Vieze liedjes werden stiekem gezongen bij en met vrienden op straat. Maar vieze liedjes gingen in Bagdad niet alleen over seksueel getinte handelingen of wensen. Nee, Soennieten zongen ‘vieze liedjes’over Sjiieten en omgekeerd. En nee, dat soort liedjes stond op geen enkele cd, maar iedereen kende ze !! En je moest wel uitkijken , waar je ze zong, want Irakezen hebben een kort lontje. Ondenkbaar, dat hij zoiets zou zingen in deze straat, want verderop woonde een Sjiitisch gezin met een getatoeëerde heer des huizes.

Ik begreep pas later, dat hij bang was, dat dit heerschap zijn kat iets zou aandoen en dat dat de reden was waarom Sumo niet naar buiten mocht.

Het zal een maand later zijn geweest, dat ik op mijn wekelijkse bezoek een heel andere Omer aantrof dan ik gewend was. Hij liet me, zonder iets te zeggen, met een knikje binnen. Was er iets gebeurd, had hij slecht nieuws uit Bagdad gekregen ? Hij duwde het blikje kattenvoer, dat ik sinds mijn eerste bezoek steevast meebracht, terug in mijn handen. “Is niet meer nodig”.

Niet meer nodig ? Hoezo ? En waar was Sumo ? Ziek ? Weggelopen ? 

Nee, het was veel erger. Hij pakte zijn smartphone en liet mij een foto zien van Sumo. Hij had het beestje ’s morgens voor zijn voordeur gevonden. Het kopje was verbrijzeld en rond de bek zag je sporen van bloed.. De kat was de avond daarvoor ontsnapt en Omer had hem niet kunnen vinden.

O ja, hij wist zeker, waar de dader was te vinden. Een eind verderop, met tatoeages.

Wie deed zoiets ? Was het inderdaad die buurman ? En hoe zou Omer hierop reageren ? Hoe was het met zijn lontje ? Dat alles speelde door mijn hoofd toen we zwijgend onze thee dronken.

Ik probeerde te weten te komen of er al iets van represaille broedde in zijn hoofd, maar hij liet zich enkel uit in termen van gelatenheid. Ik opperde de mogelijkheid om een nieuwe kat te halen uit het asiel, maar daarvan kon echt geen sprake zijn. Hij ging dit verlies verwerken.

Toen ik wegging drukte ik hem nog uitgebreid op het hart toch vooral geen wraak te willen nemen.

 

Het zat me niet lekker en de dag daarna ging ik weer naar het volksbuurtje. Ik zag meteen de ziekenauto verderop in de straat. Eromheen een aantal buurtbewoners. Dit zag er helemaal niet goed uit. Mijn hart bonsde in mijn keel. Verdomme, die Irakezen ook met hun korte lontje !!

Ik verwachtte tevergeefs aan te kloppen bij Omer, maar hij deed enthousiast open. Ik wees naar de ziekenauto verderop. Dat, o, dat was voor die zwangere mevrouw van nummer 38.

Ah, niet voor de kattenkiller dus. Gelukkig. Ik volgde Omer naar binnen en zag meteen de reden van zijn enthousiasme. Grijnzend hield hij een gestreept katje omhoog. “Kijk, gekregen van Hammed”. Hammed bleek zijn getatoeëerde Sjiitische straatgenoot te zijn. Hij had Sumo gevonden langs de weg. Aangereden waarschijnlijk. Hij was het, die het beestje voor Omers deur had gelegd. En toevallig had hij thuis een nest met jonge katjes.

Opgelucht ging ik een half uur later naar huis. Er was nog hoop voor de mensheid …

 

 

 

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.