Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Liefde/Romantiek
Geplaatst:
2 maart 2018, om 19:10 uur
Bekeken:
195 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
48 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Tirza"


Waar ze vandaan komen weet ik niet. Maar overal zijn ze er, zomaar ergens langs het pad, in the middle of nowhere, donkere, vuile kinderen, armoedig gekleed, de jongens met een muts op, meer als statussymbool dan tegen de kou, de meisjes een hoofddoekje. Lief glimlachend bieden ze ons hun prulletjes aan. Kleine dingetjes gemaakt van stof en kraaltjes om aan je rugzak te hangen. Onschuldige souvenirtjes uit een land waarin iedereen je van alles probeert te verkopen.

 De jongen vraagt tien. Woemi biedt vijf. Verkocht. We behangen onze rugzakken met die zelfgemaakte hangertjes.

 

Een lieve glimlach is er ook van Tirza.  Ze wijst ze me de sterren.

‘Kijk dat huisje, dat is Voerman’ zegt ze wijs. Ik volg haar arm, haar vinger, zie sterren, honderden, duizenden, miljoenen sterren in de donkere woestijnnacht. Maar Voerman?

‘Ik geloof dat ik hem zie’ zeg ik onzeker.

Ze lacht. Een heerlijke, onschuldige, vrolijke lach. De lach van een jonge, mooie, sportieve vrouw in de snel kouder wordende Sahara. Ze wil buiten slapen. Dat stond in het programma.  

‘Maar misschien koelt het wel af tot het vriespunt’ sputter ik tegen.

Niks mee te maken. Ze heeft al een aardig clubje zover gekregen.

‘Slaap je naast me?’ vraagt ze zacht. Zo zacht dat de rest het niet kan horen, dat Woemi het niet kan horen.  Zo zacht dat het wel iets moet betekenen, dat het wel iets moet zijn.


Ik aarzel. Woemi is niet graag alleen. Thuis niet, en zeker niet in een tentje in de woestijn. Onder de tent hebben we ‘s morgens al eens schorpioenen gevonden. Twee kleine, koud nog, niet in staat om al te bijten. Maar toch, je zal er maar per ongeluk op gaan staan met je blote poten.

Scarabeeën zijn er volop. Onschuldige, zwarte kevers, heilig voor de oude Egyptenaren, vieze griezels voor Woemi.

Nou, gelukkig is het maar een paar dagen. Dan komt de stad, de herrie, het vuil, de drukte. Tegen de avond stroomt iedereen naar het grote plein. Slangenbezweerders zijn er , dansers en trommelaars uit donker Afrika. Invaliden die hun stompen en zweren tonen aan een breed publiek, alsof het om een kermisattractie gaat. Overal bedelaars en zakkenrollers, haveloze dronken zwervers, gekken. Goedkoop vet eten kan je er, of slakken voor een grijpstuiver. En natuurlijk proberen handelaren je van alles te verkopen. Nepmerken, prullaria, alles. Een middeleeuws, dantesk  spektakel, Marrakech, stad uit duizend en een nacht.

Ik koop een wegwerpscheermesje voor een euro. Stevig geprijsd, realiseer ik me pas als ik wegloop. Woemi een nep-fossiel uit de woestijn en nep- Berberarmbanden voor heel wat meer. Alle sis echt en oud hier. Die arme Berbervrouwen, ze moeten geen sieraad meer aan hun lijf hebben.  En de woestijn van elk fossiel beroofd.


Maar dat komt nog. Nu is er alleen zand, zand en nog eens zand. En Tirza met haar lieve lach, met haar mooie blauwe ogen. Haar vader heeft haar de sterren geleerd. Hij nam haar mee, achter op zijn fiets, samen de donker polder in , en op koude winternachten leerde ze. Voerman, Slang, Kleine Beer en het Pleiadenstelstel. Het duizelt me.

Ze hield van hem, hij was haar eerste grote liefde. Totdat hij ziek werd. Kanker. Hij vocht als een leeuw,  zeven jaar lang. En alles, alles wat ze had aan levensenergie, aan jeugd en kracht ging op in hem.  

En ze stikte, ze stikte in zijn liefde voor hem. Ze mocht niet gewoon puber zijn, meisje zijn, uitgaan, vriendinnen, een vriendje hebben. Maar verlangen deed ze wel. En ze strafte zichzelf, sneed zich in haar eigen vlees.  Ze automultileerde, elke keer als ze toch dat verlangen had. Naar leven, leven, leven.

Ik raak zachtjes haar bovenarmen aan.  Nu ze bruin geworden  is zie je  de littekens. Ik wil ze voelen, voelen wat zij gevoeld heeft.

‘Wanneer is het gestopt?’ vraag ik.

‘Vijf jaar geleden’ antwoordt ze. Ze kijkt naar haar sterren.

‘Toen je vader gestorven is?’ Ze knikt.

‘Kijk daar, zie je die heldere ster, vijf lengtes van de zijkant van het pannetje van de Grote Beer, zie je hem?’ Ja, die zie ik, dat kan niet missen.


‘Dat is de poolster’ Ik staar naar die ene ster, een uit de miljoenen, die voor mij zomaar een naam heeft gekregen. De poolster, waar ze vroeger op voeren, omdat hij altijd recht in het noorden staat, ogenschijnlijk niet bewegend, stil stralend. Overal in de wereld kan je hem zien. Die ster, dat is Tirza, beslis ik.

De volgende morgen als we wakker worden van de kou is ze verdwenen. Ze is een stuk verderop gaan liggen.

‘Er lag er een te snurken’ verklaart ze.

Ik voel me een beetje alleen, in de steek gelaten bijna. Toch geeft het niet. Vanmiddag liggen we weer samen in ze zon, als de rest van de groep, Woemi voorop, de schaduw van de tent heeft opgezocht.

Het geeft niet. Want vannacht is ze er weer, in Maasbracht of Haarlem, in Marrakech, de bergen of de woestijn. Vanaf nu is ze er altijd en overal.


Dag Tirza. Je bent mooi, jong en verleidelijk. Ook mij heb je je om je vinger gedraaid, zoals wel meer mannen in je leven.  Niet met je blauwe ogen, niet met je volle borsten, niet met je snel bruiner wordende strakke huid, maar met wat daar binnen zit,  met je verhalen,  met je hart. Ik ben voor je gevallen.

Het kan niet, ik heb Woemi. Ik wil het ook niet.

‘En nu’ vraag ik, ‘ben je nu gelukkig?’

‘Nu leef ik weer’ zegt ze omzichtig.

En even, heel even maar raakt ze mijn zongebruinde arm aan. Ik voel haar haren tegen mijn wang, haar lippen. Ik leef niet, ik droom.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.