Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Autobiografisch
Geplaatst:
1 maart 2018, om 14:01 uur
Bekeken:
182 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
42 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"The flying Dutchman"


Een keer heb ik hem gezien. Bewust dan. Rudolf Mano Tofield, mijn vader. Een keer maar. Altijd als we kwamen haalde Anna de foto weg. Maar toen, die ene keer was ze het vergeten. Niet gek, met tien kinderen. Ik heb er een, en vergeet al van alles. Druk in mijn hoofd heb ik het. Of zou het mijn ziekte zijn, de koorts?

Anna had er tien. Goed, ze waren lang niet allemaal meer thuis. Maar haar hulp, haar steun en toeverlaat, mijn moeder, was er ook niet meer. Ze stond er alleen voor, het grote huis, de puberende jongsten, ooms en tantes van me. Was het gek dat ze het vergeten was? Nee toch.

Als ik mijn ogen nu dichtdoe zie ik hem. Een brede, joviale lach. Een knappe man, ondanks de grote neus. Een bon-vivant, een womanizer, een losbol. Maar dat hoorde ik pas later.

 Zijn jasje losjes over zijn schouder geslagen, zijn vliegenierspet strak op zijn kop. Zijn arm liefdevol om mijn moeder geslagen. Toen ook nog een knappe vrouw. Het haar vrij, in weelderige krullen. Nog niet het ozo praktische kortgeknipte van later.

‘Ja, toen was ik een hele dame’ lacht mijn moeder. Misschien wel een beetje een femme fatale. De knapste van allemaal. Ze wondt de mannen om haar vinger. Maar deze man was haar te groot, te sterk, te machtig.

‘Ik wil haar’ zei Ruud kort tegen zijn ouders. Niets begrepen ze ervan. Hij kon krijgen wie hij hebben wilde. Zo’n meid, dochter van een provinciaals ambtenaartje, zo beneden zijn stand. Woest waren ze.

‘Dan sodemieter je maar op’ raasde zijn vader. En hij ging. In een middag was hij verhuisd. Naar een bovenkamer in de stad. Hij zou ze nooit meer weerzien.

Na hun trouwen werd het niet veel beter. Hij mocht dan wel piloot zijn, woonruimte was krap in die tijd. Ergens, in zo’n veel te kleine bovenwoning ben ik geboren. Ik, de enige vrucht van hun liefde, de enige vrucht van zijn zaad. En straks, als ik dood ben, is er niets meer over wat van hem is. Is hij verdwenen van deze wereld, opgelost, weg. Behalve dan die neus misschien. De  jongen, hij heeft zijn neus.


‘Het was nooit wat geworden’ zegt mijn oom. Hij heeft mij naar zijn eenzame, ook, alweer, veel te grote huis gelokt. Hij heeft me beloofd wat foto’s te geven, foto’s van hem, van Rudolf. Maar als ik kom heeft hij ze niet.

Hij roddelt als een ouwe tang. In iedere stad een andere schat. Hoe kan hij dat nu weten? Was hij erbij ofzo? En bovendien hoe oud was hij nu helemaal, toen? Niet droog achter zijn oren. Still the milk on his lips.

Ik kijk de kamer rond. Zou er echt in die berg papier, boeken, oude kranten, fotoalbums geen herinnering verborgen zitten aan mijn vader? Ach als het al zo is kan je het toch niet vinden in die zooi. En het is nu bovendien te laat. Hij een gezellige middag rijker, papier tenslotte lult maar weinig terug. Ik een illusie armer. De valse nicht.


Waarom weet ik zo zeker dat ik hem toen wel gezien heb? Ik was nog maar klein, vijf, zes misschien. Een foto aan de muur, mijn moeder met een vent. Dat valt een kind toch nooit op.

En ik wist niet beter dat Cornelis mijn vader was. Niet dus. Daar, die man, die neus. Dat was mijn vader. Heeft Anna mij hem gewezen? Ik denk het, het moet haast wel.

‘Kijk, dat is je vader’ moet ze gezegd hebben en ze steekt haar arm uit om de foto te pakken. Te laat. Want pal achter mijn moeder stapt ook Cornelis binnen. Hoort wat Anna zegt. Ziet wat ze doet. En ziet hem. En de donkere, woedende jaloezie die altijd al in hem smeult komt los. Hij knijpt zijn ogen dicht, trilt wat met zijn handen alsof hij alsnog met mijn vader op de vuist wil gaan..

‘Dag moeder’ zegt hij, maar hij kust Anna niet, zoals anders. Zijn stem klinkt hees en afgeknepen.

In alles is Rudolf hem de baas. Om te beginnen met die neus natuurlijk. En dan: Ruud piloot, hij marconist. En natuurlijk het ergste. Hij bezit als eerste mijn moeder. Terwijl hij toch meer dan eens haar het hof heeft gemaakt. Verwent met cadeautjes en attenties. Maar ze kiest Rudolf. Of wordt ze gekozen?

‘Kom eens eventjes hier’.

Meer moet Rudolf niet tegen haar gezegd hebben. Ze speelden al als kinderen samen in de tuin. Woeste, ruige jongensspelletjes. Ook mijn moeder wilde graag jongen zijn. En als je ze ziet op een foto, de oudste drie, allemaal meisjes, lijken het ook jongens. Het haar kort, geen rokje te bekennen. Ook Anna had een praktische inslag.


Hij trekt haar naar zich toe, opgewonden, verlangend.

‘Ik wil je, ik moet je, ik heb je altijd gewild’

‘Net als die anderen?’ Heeft ze dat gedacht? Natuurlijk weet ik het niet. Maar ze moet zijn stijve pik gevoeld hebben. En mijn moeder: ze wilde, ze wilde hem. Misschien ben ik toen al gemaakt.

Drie maanden later waren ze getrouwd. Zij, de dochter van een stille verzetsheld, en, ondanks de losse krullen, preuts, haast frigide en wereldvreemd. Had ze niet tegen inkwartiering opeisende soldaten van de Wehrmacht gezegd: ‘Eerst je voeten vegen!’ ?

En verdomd, ze deden het.

Hij was haar grote liefde. Ze wist niet beter, en zou nooit beter weten. Hij, de stinkendrijke, verwende en verwaande zoon van een NSB-er. Bevriend als kind, en verliefd op hem sinds de dag dat hij berooid en hongerig  bij hen voor op het muurtje zat, lopend gevlucht uit Duitsland. Ze gaf hem een boterham en misschien wel een van die grote meelders die zelf nooit weg kon krijgen. Anna boos. Dat joch kwam tenslotte uit een stinkend nest. Maar de liefde liet zich niet verdringen.


Cornelis had het nakijken. En verdronk zijn woede en zijn verdriet. Waarna, zoals wel vaker, een deur, een kast, een servies het moest ontgelden. Ooit meegekomen als studievriend van een oom van me. Later huisvriend, soms zomaar zelf aankomend vanuit het westen, onverwachts, alleen. Anna accepteerde hem zoals ze iedereen accepteerde. Ze schonk hem thee in, koffie en later op de avond bier.

Bier, dat was voor de mannen. De voorkamer, die was voor de mannen. Ze rookten, dronken bier en keken voetbal in die voorkamer. Maar Anna hield mij bij zich. Ik mocht aan de grote tafel zitten en las. Olie B Bommel las ik, en Buck Danny. Want ook ik wilde jongen zijn, net als mijn moeder. En heimelijk vervloekte ik de onhandige strikken in mijn haar.

Ook toen al moeten ze in die voorkamer gezeten hebben. Het voetbal nog via de radio. Zware stemmen, af en toe een homerisch gelach. Ze moeten er allebei gezeten hebben. Rudolf en Cornelis. Elkaar de loef hebben willen afsteken met spitsvondige grappen. Winnen met pokeren. Onder de tafel drinken. Een stille, gemene strijd. Om de macht. Om de hand van mijn moeder.

Arme Cornelis, als kind altijd gedacht dat jij mijn vader was. Aan hem dank ik mijn naam: Woemi. Wie in godsnaam noemt een kind nu Woemi? Cornelis dus. Omdat ik er op woensdagmiddagen altijd ben. Omdat hij er dan is. Dan neemt hij me mee naar de markt, laat me haring eten en ‘s zomers ijs. Eten, vreten. Honderd-en-twintig kilo. En voor mij een levenslang gevecht met de pondjes.

Woemi, wat heb ik die naam gehaat. Maar later, toen Jorrit mij ook zo begon te noemen, eerst speels en plagend, toen werd het anders. Jorrit mijn minnaar, mijn kind, mijn geliefde en even: mijn man.

Ik heb nog een borst over. Inspecteer die iedere dag zorgvuldig, over en over. De kanker heeft mijn lever, mijn klieren aangetast. De kanker heeft mijn huid akelig geelbruin gekleurd. De kanker vreet me langzaam op. Alleen die borst, die moet heel, die moet schoon blijven, die moet gespaard blijven. Die borst is voor Jorrit. Als hij komt.


Toen was daar die noodlottige drieëntwintigste augustus, nu precies 44 jaar geleden. Aan boord niet meer dan 21 man. Rudolf derde piloot. Er wacht hem een schitterende carrière. Ze kwamen van de overkant, hadden de oceaan overgestoken, nog een tussenlanding gemaakt in Ierland. Een DC6 haalde het nog niet in een keer. Op weg naar huis. Op weg naar mij.

Bijna thuis. Bijna. Al boven de polder vliegend: motorproblemen. Een brand?

‘Mayday, mayday’ of wat ze ook geroepen hebben in die krengen.

‘Terug, terug naar zee’ .

Dat was hun enige kans. Een noodlanding op zee. Het werd een crash. Niemand overleefde. Tot aan het begin van de winter wordt gezocht. Ze vinden weinig. Exit Rudolf Mano Tofield. Geen vrouw meer om aan je palmares toe te voegen. En een kind zonder vader. Maar niet lang.

Eindelijk was daar de weg vrij voor Cornelis.

‘Hij beloofde me van alles’ zei mijn moeder eens.

‘En jij geloofde dat?’

Maar al te hard wil ik niet oordelen. Andere tijden. En een vrouw alleen? Ze zag aan Anna wel hoe zwaar en haast onmogelijk dat was. En dus begon ze hem in te palmen. Eerst verdween de foto van de schoorsteenmantel. Daarna zijn kleren uit de kast. Langzaamaan alles wat van hem was, wat aan hem herinnerde. Toen ze met hem verhuisde naar een veel te groot, veel te duur huis was er niets  meer, helemaal niets meer, niet een foto, niet een stukje papier, geen kledingstuk dat aan hem herinnerde.


Nou ja, mijn neus dan. Ik zal een jaar of zestien geweest zijn dat ik er vanaf wilde. Ik las  in de Libelle dat je er in Blaricum of Den Haag iets aan kon laten doen. En vroeg het mijn moeder.

‘Die neus, die laat je maar mooi zitten. Die neus heb je van je vader’

Jaja. Die neus wel. Maar voor de rest: alles weg.

Anna keek. En begreep het. Speelde het spel mee. Maar spaarde die ene foto. Het was zo’n gelukkig moment geweest. Zo’n moment dat ik met Jorrit, in de duinen. Dat hij me tot zich nam. Zijn pik pardoes in me prakte. Net zo heerlijk ruig en hard zoals Ruud mijn moeder genomen moet hebben. Sterk en machtig, maar ook teder en innemend. Een man en een vrouw, samengesmolten voor even. Gelukkig.


‘Wat wil je?’ vroeg Anna, ‘thee, of heb je liever aardbeien?’

Thee wilde ik, thee en in de tuin spelen. Het was al heerlijk weer, een vroege zomerse dag in Juni.

Maar die aardbeien, die heerlijke, zoete, rode vruchten, zo kort maar te krijgen, toen. Toen ik mijn moeder met haar schaaltje zag trokken mijn kinderogen ze naar zich toe, en ze schoof de vruchten naar me toe. Even keek Anna verontwaardigd, maar ook mijn moeder kon kinderogen hebben. En ze glimlachte. Ach wat zou het. Een of twee kistjes minder naar de veiling.

Aardbeien, rode aardbeien wil ik. Leven wil ik. Ik wil niet dood. Ik wil niet zo dood gaan. Ik wil niet verrotten aan de kanker. Ik wil sterven als een man.

Ik zit aan de stuurknuppel. Ronkende bonkende motoren maken elk normaal gesprek onmogelijk. Een staat er in brand. Is dit het einde?

‘Mayday, mayday’ roepen we door de radio. Tevergeefs. Alles is uitgevallen, niemand zal ons meer horen. Ik zit aan de stuurknuppel roep, gil: ‘Terug, terug naar zee’. Nog even ben ik machtig, nog even ben ik sterk.

Zo wil ik dood gaan, zo wil ik dood gaan.


‘Je kent mijn rijstijl’ zei Jorrit me eens, toen ik zo lag te lullen. Rozig, moe, uitgeput van het lange vrijen.

‘Man wat is dat nou, je hebt niet eens een cabrio’ Zelfs de uitvoering met twee extra mistlampen werd hem te duur. M’n vrijgevochten cowboy in z’n Peugeotje. Het mocht wat. Wel als de lonely cowboy aan de kim verdwenen, dat wel.

En tja, een piloot schaken. Misschien was ik toch niet zo gehaaid als mijn moeder.

Misschien is het ook beter hier te sterven, onder de notenboom, in het heerlijke nazomerzonnetje. Een schaaltje aardbeien naast  me. Nauwelijks aangeroerd. Kanker bevordert de eetlust niet tenslotte.

Kersen of bessen mag ook. Als ze maar rood zijn. Rood, de kleur van de liefde, van verlangen. Rood de kleur van bloed, van smart. Ja, misschien is het beter hier en nu dood te gaan, 23 augustus, de dag van mijn vader. Ik heb tenslotte genoeg pillen om het te doen. Mijn zwakke lichaam zal ze niet meer verdragen. Ja, laat ik koers zetten naar zee, laat ik dan een keer man zijn. Me vrijmaken, me losmaken. Weg met de pijn, weg met de misselijkheid. Weg van dat walgelijke afstotelijke omhulsel dat mijn lichaam geworden is.

Dag mama, dag Jorrit. Maar de jongen. Ik mag de jongen niet vergeten. Als hij dadelijk uit school thuiskomt, me vraagt hoe het me gaat, m’n aardbeien opvreet en achter de computer kruipt. Wie moet hem zeggen dat hij niks aan zijn neus mag doen? Dat hij niet naar Blaricum of Den Haag mag gaan? Dat het een Adelsteken is? Dat alleen in die neus zijn grootvader zal voortleven?

Nee, ik mag nog niet dood.


‘En toen’ vroeg ik mijn moeder. Mijn geheugen laat me verder in de steek. Ik was tenslotte ook nog maar klein. Ging op in mijn spel in de tuin. Vergat de volwassenen met hun geruzie en gedoe. Het waren er tien hè, er was altijd wel wat.

‘Toen? Toen heeft hij zich met je oom Jaap een stuk in z’n kraag gezopen’ Majoor Jaap. Slechte keus als je winnaar wilt worden in zuipen.

Niet in de voorkamer. Dat zou Anna nooit goed gevonden hebben. Gedronken werd er, zeker. Gezopen ook wel, daar in Limburg. Maar dronken worden? Nee uitgesloten. Ze sloten zich op in de grote kelder onder het huis. En zopen op wat ze konden vinden.

‘Hij had wel van dat enge trappetje kunnen lazeren en z’n nek kunnen breken’ Cornelis de Blechttrommelaar. Niet gebeurd.

Via een luik slopen ze midden in de nacht naar buiten. Om te pissen waarschijnlijk. Daarna sjokten ze stomdronken langs het spoor.

‘Die waar jij altijd centen op de rails legde’ Om ze later plat terug te vinden. Als je ze nog vond. Oom Jaap heeft zijn bed nog gevonden die nacht. Cornelis niet. Die kwam de volgende morgen pas weer opduikelen. Moe, vuil, beschaamd.

De foto heeft Anna nooit meer vergeten, mijn vader heb ik nooit meer gezien. Ook het verhaal van die zich bezattende mannen verdween, werd nooit verteld. Tot voor kort. Toen ze me naar het zuiden reed. Nog een keer toen, nog een keer vroeger.


Vergeten worden, verdwijnen, weg zijn. Ik wil het niet.

Cornelis zei het eens, toen zijn moeder al een jaar of tien dood was. Dat hij haar gezicht, haar stem vergeten was. Dat hij niet meer wist, niet meer kon zien wie zij was. Dat wil ik niet.

Ik wil dat je me blijft herinneren, Jorrit, zoals ik was, toen, toen we verliefd waren, toen we gelukkig waren. Dat je mijn stem hoort, mijn lichaam voelt. Alsof ik er nog ben.

Ik wil dat, Jorrit, ik wil dat.

Over tien jaar, Jorrit, zal je dan nog aan me denken? En ga je dan met me naar Italië, zoals je altijd beloofd hebt? En schrijf je dan over me?

Beloof je me dat, Jorrit, beloof je me dat?

‘Ja Woemi, dat beloof ik’




 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.