Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Kinder
Geplaatst:
27 oktober 2017, om 19:29 uur
Bekeken:
37 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De eerste sneeuw (weer een moominverhaal)"


Op een dag werd Sniff heel vroeg wakker. Het was nog donker buiten en doodstil. Hij was – en dat was zeer ongewoon – als eerste wakker geworden. Maar er was nog iets wat ongewoon was en zodra hij vanuit zijn bed uit het raam keek, zag hij wat het was: het had gesneeuwd! Die nacht was de eerste sneeuw van het jaar gevallen en `ik ben de eerste die het ziet`, zei Sniff tegen zich zelf. Meteen sprong hij uit bed, gooide de kamerdeur open en begon luidkeels “Sneeuw! Het heeft gesneeuwd!” te roepen, terwijl hij door het hele Moeminhuis rende en alle deuren van de slaapkamers opengooide. Normaal deed Moemin dat als het gesneeuwd had, maar nu kon hij dat eens een keertje doen!

 

Al snel was iedereen wakker.

“Zullen we gaan sleeën?” vroeg Moemin.

“Ik wil een sneeuwpop maken!” riep een ander.

En de bisamrat gromde bozig: “Waar is al die opwinding elk jaar toch voor nodig. Ik wil slapen!” Want hij hield niet van sneeuw, maar wel van rust.

 

Na een snel ontbijt gingen ze naar buiten. (Behalve natuurlijk de bisamrat.) Er lag een lekkere, dikke laag sneeuw, maar wat zouden ze als eerste gaan doen? Sleeën, een sneeuwballengevecht of een grote sneeuwman maken, nog groter dan die van vorig jaar? Omdat Sniff dit jaar de sneeuw ontdekt had, mocht hij kiezen. Maar dat was nou net iets waar hij heel slecht in was. Op het moment dat hij wilde zeggen: “sneeuwpop!” had hij zich al bedacht en wilde het allerliefst als eerste gaan sleeën. Hij kon maar niet beslissen en de anderen werden een beetje ongeduldig.

 

“Nou, komt er nog wat van!” zei Kleine Mie, “anders kies ik wel voor je hoor.”

“Nee, nee ”, zei Sniff snel, “ik kies …, o nee, toch niet, liever … , maar ...”

“Wat maakt het uit”, vond de Snork, “we hebben de hele dag, we kunnen alles doen.”

“Maar wat we als eerste doen, is het speciaalst”, zei zijn zus, het Snorkmeisje. “Kom, kleine Sniff, kies wat je wil”, zei ze vriendelijk.

“Sleeën!” riep Sniff toen maar. Dus dat werd het.

 

Iedereen ging snel op zoek naar zijn slee, of wat daarvoor door moest gaan. Kleine Mie gebruikte een dienblad als sleetje. (Ze beweerde dat het een oud dienblad was, dat Moeminmamma toch nooit meer gebruikte, maar Moemin geloofde dat niet. Het zag er nog best nieuw uit.) Stinky gebruikte een tonnetje waar hij inkroop als slee en de Dront Eduard sleede gewoon op zijn dikke kont. Die had geen slee nodig. Hij had trouwens wel een eigen helling, waar alleen hij vanaf gleed. Eduard was zo groot, dat het veel te gevaarlijk zou zijn als hij met alle anderen op eenzelfde helling zou spelen. Hij zou zo maar op iemand kunnen gaan zitten!

 

Gelukkig waren er een heleboel hellingen in de Moeminvallei. Eduard had dus zijn eigen prive helling (een hele grote en hoge), wat voorzichtiger types als de Hemuul en Moeminpappa en mamma kozen een wat kleinere en niet zo stijle. En de echte durfals, met Kleine Mie voorop, suisden heel hard zodat je alleen nog maar een flits voorbij zag komen, van de allerhoogste helling af: de Dodenhelling!

 

“Zullen wij om te beginnen naar de Mooie Helling gaan?”, vroeg het Snorkmeisje aan Moemin. Die helling heette natuurlijk zo omdat het werkelijk een erg mooie helling was. En bovendien was hij niet al te klein – want dat was voor sufferds – maar ook niet al te hoog. De echt hoge bewaarden voor straks. Dus Moemin zei: “Graag! Wie het eerst beneden is!”

 

Waar je ook keek, zag je bewoners van de Moeminvallei van de hellingen glijden. Ze deden wedstrijdjes. Natuurlijk simpel “wie het eerst beneden is”, maar ook “samen op een boom af gaan”. Dan vertrok je samen bovenaan de helling, vlak naast elkaar, ieder op zijn eigen slee. En dan suisde je op een boom af. Wie als eerste opzij stuurde om niet tegen de boom te knallen, die verloor. (Ga dit niet zomaar zelf ook doen! Vraag eerst aan je mama of papa of dat wel mag.)

 

Na een paar uur waren alleen nog de fanatiekste sleetjerijders bezig. De anderen stonden kletsend en aanmoedigingen roepend te kijken. De meesten stonden bij de Dodenhelling, waar Moemin en Snork net aan een volgende wedstrijd wilden beginnen toen het Snorkmeisje verschrikt uitriep: “Waar zijn Tofsel en Wifsel?!” en ze wees naar het piepkleine sleetje van de twee (ook piepkleine) wezentjes. Het sleetje stond bovenaan de helling, maar waar waren Tofsel en Wifsel? De dront Eduard stond ook op de helling, hij zou toch niet per ongeluk op ze zijn gaan zitten?

 

“Eduard! Zit je soms weer op iemand?” riepen ze in koor.

“Wat, wat, ben ik weer op iemand gaan zitten, moet ik weer een begrafenis betalen?” vroeg Eduard verstrooid. Want hoewel het zeer tragisch was als hij op iemand ging zitten, betaalde hij dan altijd wel netjes de begrafenis. (De laatste keer dat dit gebeurde is trouwens al weer jaren geleden. En toen was hij op een heel vervelende Knauw-knauw gaan zitten, dus niemand vond het erg.) Maar nee, dit keer was hij op niemand gaan zitten. Maar waar waren Tofsel en Wifsel dan?

 

“Ze zijn zo klein, ze kunnen overal wel zijn!” riep de hemuul.

“Zo`n sneeuwhoopje als dit komt bij hen tot boven hun hoofd” zei een gafs bezorgd, terwijl hij zelf nog niet eens tot zijn tenen in de sneeuw stond. Zouden ze ergens onder de sneeuw terecht zijn gekomen? Iedereen vergat zijn slee en begon te zoeken. Ze zochten in alle sneeuwhopen, maar de twee waren nergens.

“Misschien zijn ze naar hun lievelingsplekje gegaan” opperde het Snorkmeisje. Dat plekje was een gezellig klein holletje tussen wat dichte struiken. Maar ook daar waren ze niet, er lag alleen maar sneeuw. Na wel een uur zoeken liep iedereen teneergeslagen rond, want Tofsel en Wifsel waren onvindbaar.

“Ze zouden toch niet ...” zei iemand al met een trillende stem.

 

“Wat is hier aan de hand? Waarom kijken jullie allemaal zo sip?” vroeg Kleine Mie die vrolijk huppelend over de sneeuwhopen kwam aanrennen. Maar ze wachtte niet op antwoord. Ze pakte de slee van Tofsel en Wifsel en sjeesde er loeihard de berg mee af.

 

“Zag je dat?” riep Moemin. “Kleine Mie is zo klein en licht, die zakt helemaal niet weg in de sneeuw.”

“En Tofsel en Wifsel zijn nog kleiner!” riep Sniff.

“Dus die kunnen helemaal niet zijn verdwenen in al die sneeuwhopen waarin we gezocht hebben,” zei Snork. Dat was een hele opluchting, maar loste het raadsel van de verdwenen Tofsel en Wifsel nog niet op.

“Zoeken jullie die twee rare kleintjes die zo vreemd praatselen?” vroeg Kleine Mie die met de slee weer bovenop de helling verschenen was. “Die zijn met Mammamoem naar huis gegaan. Iets met hongersel en zin in pannekoekselen of zo iets.”

 

“Wat?! Zijn ze gewoon in het Moeminhuis?”

“Gelukkig maar!”

“Ze zijn dus niet verdwenen!” Iedereen riep dit door elkaar heen.

Maar Sniff riep: “Ze zullen toch niet alle pannekoeken opgegeten hebben?” Want hij dacht altijd aan zichzelf.

 

Toen ze bij het Moeminhuis aankwamen zagen ze dat Mammamoem een hele stapel pannekoeken gebakken had. Tofsel en Wifsel zaten ernaast. Ze hadden een klein pannekoekje opgegeten, maar omdat ze zo klein zijn, was dat voor hen een supergrote. En zo te zien hadden ze er aardbeienjam op gehad, want hun snuitjes waren helemaal rood. Toen begon het pannekoekenfestijn! Iedereen at net zo veel pannekoeken als hij opkon en Sniff at er zelfs nog eentje meer. Daarna gingen ze weer naar buiten, maar in plaats van een hele grote sneeuwpop (nog groter dan die van vorig jaar) maakten ze een heel veld vol kleine popjes. Om te vieren dat Tofsel en Wifsel in orde waren. Alleen Sniff deed niet mee, die had buikpijn.  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.