Gegevens:

Categorie:
Horror
Geplaatst:
1 oktober 2017, om 12:53 uur
Bekeken:
52 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
12 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Vlooienmarkt Parijs"


Ze liepen tussen de drommen mensen over de drukbezochte rommelmarkt langs kraampjes en tafels uitgestalde spulletjes: gammele kastjes, een stoel die bij Vincent van Gogh nog op zijn slaapkamer naast zijn bed had gestaan, vazen, verweerde borden en eetgerei.

   ‘Dit alles heeft wel een hoog Couperus gehalte,’ merkte Warrige Wanda op.

   ‘Hoezo?’ vroeg Arie.

   ‘Nou, van oude dingen en de mensen die voorbij gaan.’

   ‘Wanda toch! Hoe kom je d’r op. Je doet het er gewoon om, altijd weer alles achterstevoren. Laatst had je het over de sportvechter Badr Hari –  verre voorzaat van Mata Hari - , in plaats van vechtsporter. Valt me nog mee dat je die vent geen bokskicker noemde.’

   Marianne kreeg op dat moment weer een berichtje via haar iPad. Het groepje stond even stil. Het was weer wat nieuws uit Amsterdam van haar boze broer; e-mails tussen de reizigers en het thuisfront vlogen heen en weer. ‘Hij schrijft dat hij contact heeft opgenomen met ene Otto, een schoolvriend van onze docente Jolien,’ legde Marianne uit. ‘Die jongen, Stefan heet hij, had z’n moeder verteld, Jolien dus, dat zijn vriend Otto, die een paar klassen hoger zit, van school gestuurd is en via mijn broer tijdelijk onderdak gevonden heeft in Amsterdam en daar zijn school gaat af maken.’

   ‘Van school getrapt… ik wist niet dat zoiets nog voor kwam, daar moet je tegenwoordig heel wat voor doen,’ zei Karel. ‘Wat heeft ie dan uitgevroten? Heeft hij docenten, mannelijk c.q. vrouwelijk bepoteld? Heeft hij tijdens het bidden voor de eerste les, als iedereen z’n ogen dichtgeknepen heeft – het is toch een christelijke school? - een medeleerling zwanger gemaakt?’

   ‘Die Otto heeft het zichzelf onmogelijk gemaakt door een artikeltje te schrijven, een opstel eigenlijk, waarin hij beweert dat we leven in een hedendaagse NSB-maatschappij, dat iedereen die meehelpt de huidige status quo in stand te houden een neo-NSB’er is, of ie dat nou wil of niet, of ie dat nou weet of niet. Iedereen in Labbekakland Nederland die niet in verzet komt, is een meeheuler met de gore corrupte machtsbende die het in de 21ste eeuw voor het zeggen heeft, vergelijkbaar met de machthebbers in de tijd van collaborerend Nederland in de tijd van Hitler en consorten. Hij roept op tot verzet. Net als toen met die kleine verzetsgroep in Duitsland: Die Weisse Rose. Hier, lees zelf maar.’ Ze gaf haar iPad door aan Karel.

   Karel zei: ‘Fluisterbriefjes, daar heeft hij het over. Dat zijn flyers die zo veel mogelijk verspreid worden, niet alleen op school onder de leerlingen, maar ook in de buurt. Achtergelaten in supermarkten, bibliotheek, in kroegen, in bus en trein. Ook door brievenbussen geduwd bij mensen thuis. Flyers met maar enkele zinnetjes, fluisterbriefjes, zo van: hé, psst! Wist je dat we al jarenlang door de overheid belazerd worden? Neem nou eens het ministerie van Veiligheid en Justitie, dat beter ministerie van Vuiligheid en Corruptie genoemd kan worden. Die belazert ons wat betreft de moord op een Fries meisje. Lees hierover op de website van ene Wim Dankbaar, waar je de ware toedracht van die moord leert kennen. Meer staat er niet op die briefjes die overal achter gelaten worden.’

   Karel overhandigde de iPad aan Arie, die met gestrekte hals had meegelezen. Verder scrollend las hij dat de tot verzet oproepende Otto ook nog andere dingen op zijn kerfstok had. Zijn opstel Hedendaags NSB’erisme, was geïnspireerd door een nieuwe, jonge en enthousiaste leraar Nederlands die de klas aan het schrijven had gekregen door ze een beginzin van een beroemd boek als uitgangspunt te laten nemen, een springplank dus, en daar je eigen variaties aan te geven. Dus ‘Oeroeg was mijn vriend werd zoiets als Youssef was mijn vriend (of vijand) en dan werd het een verhaal over een Marokkaanse jongen, bijvoorbeeld. Of in Het was nog donker op die en die dag van die en die stad bla bla bla dat Frits van Egters…, verander je tijd, plaats en naam en je schrijft over ene Jaap van Richters of zo. Welnu, onze held Otto van de fluisterbriefjes ging uit van de beginzin van Nooit meer slapen, die luidt: De portier is een invalide en veranderde dat in de conciërge is een NSB’er en beschreef de bemoeienissen van de man die deze functie bekleedde op school. Deze werd behoorlijk te kakken gezet en vergeleken met de nasiverrader Der Hausmeister uit het Witte Roos-verhaal. Hierbij had Otto zich niet aan de afspraak gehouden die de nieuwe leraar vooraf had gemaakt met de klas om beslist geen herkenbare mensen te portretteren, wat als kwetsend kon worden ervaren. Tot overmaat van ramp schreef Otto ook nog eens een parodie op een bekend gedicht - een ander briljant idee van de docent, die het gedicht Ik ben geboren uit zonnegloren en een zucht van de ziedende zee dat geparodieëerd werd tot Ik ben geboren in Apeldoorn en mijn zuster in Zierikzee als voorbeeld gaf. De enthousiaste docent moedigde zijn leerlingen iets dergelijks te proberen. Otto kwam al gauw met een nogal haastig afgeraffeld gediggie, een parodie op wat eens een geruchtmakend gedicht van Remco Campert was geweest. Otto’s baksel, dat via e-mailtjes de hele school rondzoemde, ging als volgt:

 

Niet te geloven

dat ik als serieuze

eindexamenleerling

onmogelijke geschriften

zit te lezen

over existentialisme

post-modernisme

en om mij heen

hordes hersenlozen

aan het kutjebeffen

kontjebonken zijn

Alles zuipt en naait

heel schoolgaand Nederland

doet mee aan één

mega-pornoseks-gedoe

En ik, bedeesde jongen,

moet zo nodig mijn neus

in boeken steken

en die vervolgens in de klas

bespreken.

 

Wanda had inmiddels wat oude borden en kopjes gekocht. ‘Die gaan we bij de garagedeur van Babs zomerhuis kapotsmijten om de indruk te wekken dat een stelletje onverlaten er hebben huisgehouden,’ verklaarde ze. ‘Als Mariannes broer dan komt met zijn gezinnetje zal het zijn eerste taak zijn die troep op te ruimen.’

 

 

Slenterend langs de dozen met oude prenten, tijdschriften en boeken zei Jolien tegen Marianne die naast haar liep: ‘Ach ja, boeken…, die lees ik veel, daar krijg ik nooit genoeg van.’

   ‘Wat soort boeken?’

   ‘Van alles en nog wat, maar meestal fictie, de laatste tijd romans met wat aparte titels waarin steeds een kledingstuk vermeld wordt zoals: Rachels rokje, Rokjesdag, De rokken van Joy Scheepmaker, Opwaaiende zomerjurken. Dat is een lolletje geworden van mijn vriendin, mijn boezemvriendin – we zijn al saampjes vanaf de lagere school. Ze heeft in Amsterdam een kledingboetiek en doet me zulke boeken cadeau als ze die tegenkomt op rommelmarkten of in kringloopwinkels – ze is altijd op zoek naar oude modetijdschriften, een hobby van haar. Het is een soort running gag geworden, meestal leest ze die boekjes zelf eerst in haar winkeltje als er even geen klanten zijn en doet daarna die jurk- en rokboekjes aan mij cadeau.’

   ‘Kijk, hier heb je zoiets,’ zei Marianne verheugd. Ze hield een verweerde Amerikaanse hardback omhoog: The Robe van Lloyd Douglas uit 1942. ‘Leest die vriendin ook Engels?’

   Jolien nam het exemplaar ter hand. De bladzijden waren bruinachtig geel en dreigden eruit te vallen, Ze legde het gauw terug in de bananendoos. ‘Misschien zou Lisa dit gekocht hebben als zij en niet ik met jullie naar Parijs was gekomen zoals oorspronkelijk het plan was, maar ik doe dat in ieder geval niet,’ zei ze.

   ‘O, daarom had Hans die rare naam Lucy Designs op zijn lijst staan toen we instapten in Amsterdam,’ begreep Marianne.

   ‘Dat klopt, Lucy Designs is de naam van haar kledingwinkeltje. Op het laatste moment besloot ze, wegens… eh… familieomstandigheden, toch maar niet op reis te gaan naar Parijs en ze vroeg mij op de vooravond van het geplande vertrek of ik in haar plaats wilde, ik moest snel beslissen. Zodoende zitten jullie nu opgescheept met mij en ik reis nog verder mee, helemaal naar Rome nog wel. Haar besluit om af te zien van deze bustocht had ook weer te maken met zo’n boektitel waar een kledingstuk in voor komt: Venus in minirok, dit maal geen roman maar een wetenschappelijk werk, een geschiedenis van seks in de Nederlandse literatuur.’

   ‘Klinkt interessant. Vertel!’

   ‘Lucy had het boek gevonden in een kringloopwinkel, het kwam uit de nalatenschap van een universiteitsdocent blijkbaar, ze bladerde er wat in, ze was eigenlijk niet van plan om het eerst zelf te lezen, maar ze stuitte op een passage over en Gerard Reve en werd daar onaangenaam door getroffen. Er stond beschreven hoe Reve tijdens een bezoek aan de Amsterdamse dierentuin kijkt naar een schooljongen van een jaar of veertien die voorovergebogen staat voor een aquarium. Reve heeft ter plekke en ook later nog allerlei perverse fantasieën over die jongen en ze herinnerde zich met een schok hoe de tennis leraar thuis had gekeken naar haar eigen zoon van dezelfde leeftijd – als een hongerig roofdier. Je moet weten dat mijn vriendin drie kinderen heeft, drie jongens, de oudste achttien, de middelste een jongen van zestien, en de jongste, Pepijn, veertien, een dromerig lusteloos ventje dat zo geheel anders is dan zijn oudere broers die opgewekt en energiek zijn. Ze had voor de zomer Pepijn opgegeven voor tennislessen om hem wat actiever te krijgen en was komen kijken naar de eerste keer dat hij buiten op het veld stond in zijn witte tennisbroekje. Ze was geschrokken van de gretige roofdierenblik van de tennisleraar toen Pepijn een bal opraapte. Ze besloot op het laatste moment om niet naar Parijs af te reizen en belde mij op om te vragen of ik haar plaats wilde in nemen.’

   ‘Maar die oudere broers hadden toch een oogje in het zeil kunnen houden?’ opperde Marianne.

   ‘Nee, die hadden het te druk met hun eigen jonge levens. Maar hoezo? Zijn jullie niet blij met mij als reisgenote? Ik kan nog veel meer over moeder Lisa en zoonlief Pepijn vertellen naar aanleiding van dat boek Venus in minirok; dat wordt nog een heel smeuïg verhaal.’

  

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.