Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Waargebeurd
Geplaatst:
29 december 2015, om 08:57 uur
Bekeken:
484 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
198 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Jeugdige compassie hoofdstuk 16. Dood heeft vele gedaanten"


Hoofdstuk 16: Dood heeft vele gedaanten

Nachtdienst met Marda, een heerlijkheid stelde Bart zich cynisch voor. Marda de stille, de overdreven rustige, de onopvallende harde werkster met de humor van een defecte lantaarnpaal. Snelle rondes en lange stiltes zag Bart in het verschiet dus had hij een paar dikke pillen van boeken meegenomen waarvan hij hoopte dat ze hem de nachten doorhielpen. Zoals Bart het eens verwoordde aan Wendy en Helma: “Marda is een best wijf maar ze most onder een paard hangen”, hierbij verwijzend naar één van de lijfspreuken van zijn vader. Hierop had Helma, hem zijn naakte verkleedpartij herinnerend, geantwoord: “Beteâh dan un gètenpikkie jochie”, waarop Wendy instemmend geknikt had. Beschaamd had hij de aftocht geblazen, maar ten dele vanwege zijn negatieve kwalificatie richting Marda.

Fietsend naar Cavadia was Bart diep in gedachten over zijn relatie met Floor. Hier zat flink de klad in. Waar ze eerst vrijwel iedere nacht samen waren had Floor nu pauzes ingelast die één keer bijna veertien dagen duurde. Bart had er wat van gezegd dat ze meer en meer hasj ging gebruiken, op een gegeven moment bijna dagelijks, waarop ze boos de deur uit was gelopen. Bart was er mee gestopt na een nachtelijke reis in de tram toen hij stoned van Zoetermeer naar zijn appartement ging. Deze was leeg en hij nam plaats op de achterste bank van het laatste tramdeel. Halverwege de rit zag hij de tram ineens twee keer zo lang worden. Dit was een grappig gezicht dus zat hij daar in zijn eentje te giechelen. Na enige minuten kromp de tram weer tot zijn normale proporties maar begon vervolgens vier keer zo breed te worden. Bart had dit enige tijd bekeken en realiseerde zich plots dat dit hem ook kon overkomen terwijl hij de straat overstak over een zebra pad. Hier moest hij even over nadenken en besloot geen hasj meer te gebruiken. Bart werd er toch alleen maar extreem slaperig van en ervaarde verder geen positieve prikkels. Seks na een stickie was in eerste instantie prettig en heftig. Bart had alleen al een paar keer gehad dat hij aanvoelde als een octopus wier armen steeds in de knoop raakten. Daarbij had hij een keer de ervaring doorlopen van honderden handen die over zijn lichaam streken welke hij erg beangstigend vond, zeker omdat er in zijn beleving een paar heel eeltige tussenzaten die een voorkeur hadden voor zijn edele delen. Geen hasj meer voor hem waar Floor juist de andere kant opging.

Naast de hasj maakte Bart zich ook zorgen over de toenemende aandacht van haar voor het occulte. Ze had zich aangesloten bij een of andere groep die zich bezig hield met onderzoek naar het occultisme en woonde regelmatig ‘lezingen’ bij. Ze probeerde Bart regelmatig te overtuigen dat het belangrijk was zich hierin te verdiepen vanwege de ‘verleidingen van deze tijd die afkeer van de liefde van Jezus bewerkstelligde en mensen in de armen van het kwaad drong’. Als het om geloof ging had Bart de concentratie spanne van een garnaal en ging de snelweg van zijn ene oor naar de andere wijd open als Floor dit onderwerp aansneed. Hij vermoedde meer en meer dat zij slachtoffer begon te worden van haar eigen fanatisme in het zoeken naar het bovennatuurlijke en het allemaal wel spannend vond. Een keer trof hij haar na zijn avonddienst spiernaakt in bed. Ze had die avond weer een bijeenkomst gevolgd en was blijkbaar ergens door geïnspireerd geraakt wat resulteerde in een donkere kamer verlicht door flakkerende kaarsen opgesteld in een cirkel met het bed als middelpunt. Ondanks zijn visioen van een pentagram in plaats van een romantische setting was hij op de overduidelijke uitnodiging ingegaan nadat hij even snel had geïnspecteerd of haar vagina geen verborgen tanden herbergde. De heftigheid waarmee ze hem vervolgens bejegende verbaasde hem maar vond hij nog wel plezierig. Nadat ze met haar nagels een streep over zijn rug trok onderwijl vulgaire uitroepen slakend werd hij bang, sprong van het bed af en ging in de woonkamer aan tafel zitten. Na enige minuten was ze bij hem gekomen en gezegd dat het haar speet maar dat ze eens iets nieuws wilde uitproberen wat blijkbaar geen succes was voor hem. Haar opwinding was blijkbaar gebleven want al snel zat ze schrijlings op zijn schoot en vreeën ze verder, zij het een stuk rustiger en voorzichtiger dan op bed. Toch hield Bart haar ogen in de gaten in de verwachting dat ze weg zouden draaien en uit haar neus rookwolken blazend klaar zou komen. Dat dit niet gebeurde stelde hem niet gerust en zijn beleving van seks met haar was vanaf die avond er een van argwaan en de kat uit de boom kijken. Zijn pogingen om haar niet meer naar de bijeenkomsten te laten gaan liepen op niets uit maar hij merkte niet veel meer van de invloed van deze sessies. Hij durfde het nog niet aan de relatie met haar te beëindigen bang als hij was om alleen te komen maar het leuke was er voor hem af.

Na zijn fiets routineus in het rek gekwakt te hebben ging Bart Cavadia binnen en kleedde zich om. In de keuken trof hij Gladys en een uitzendkracht die geanimeerd tegen Marda zaten te bomen die niet bepaald de indruk gaf besef te hebben van mensen in haar omgeving. Gladys had blijkbaar een pesterige bui daar ze steeds Marda aanstootte in verwachting van een antwoord of een opmerking. Deze bleef stoïcijns de rapporten lezen en met een zucht gaf Gladys het maar op. Ze gebaarde Bart te gaan zitten en begon met de overdracht: “Mevrouw Helwaard had vanavond lichte verhoging. Jullie moeten morgenochtend haar urine even opvangen en klaarzetten om naar het lab te sturen voor onderzoek. Meryem vermoed dat ze een blaasontsteking heeft. Mevrouw de Vrij had vanavond bezoek van haar man en heeft de hele avond zitten gillen. Het is gewoon om bang van te worden zoals ze daar dan zit met haar ogen wijd open en dan die hoge kreten! Mijnheer de Vrij werd er zichtbaar ongelukkig van maar het lijkt wel of het erger wordt bij haar, zeker als hij op bezoek is. Hij neemt haar dan mee naar haar slaapkamer maar daar wordt het gillen niet minder van”, en zo ratelde Gladys door over de belanghebbende zaken van die avond. “Vanmiddag is mijnheer van Dam opgenomen. Hij komt uit het ziekenhuis en heeft daar gelegen vanwege een longontsteking beiderzijds. De ontsteking is zo goed als weg maar hij is nog wel kortademig. De man heeft een ernstige vorm van Parkinson en kan vrijwel niets meer, ook spreken kan hij niet. Toch hebben we hem vanavond op zijn buik liggend in bed aangetroffen. Op de een of andere manier heeft hij zich weten om te draaien en lag met zijn gezicht half op zijn kussen waardoor hij gelukkig niet gestikt is. Maar een paar keer extra controleren vannacht. Mevrouw Bakker heeft waarschijnlijk juist een longontsteking opgelopen want ze reutelt en piept er flink op los. Meryem heeft haar eergisteren anti biotica voorgeschreven maar dit lijkt nog niet aan te slaan. De dame is nu al vier weken niet meer wakker geweest en ik kan mij niet aan het gevoel onttrekken dat ze ons gaat verlaten. Familie heeft ze niet dus we konden niemand bellen. Ook maar goed in de gaten houden dus. Zo heb ik alles wel een beetje gehad denk ik”, en Gladys gaapte omstandig ten teken dat ze nu wel naar huis wilde. Ze namen afscheid en de beide nachtdiensten togen aan het uitzetten van de medicijnen en het klaarmaken van het ontbijt. Dankzij Marda verliep de verschoon ronde twee keer zo snel waarbij ze extra aandacht gaven aan mevrouw Bakker die snel en oppervlakkig ademhaalde, bleek zag en koud aanvoelde maar overvloedig transpireerde. Toch was haar temperatuur bijna normaal dus dekten ze haar toe voornemend elk half uur even te gaan kijken. Bij de kamer van mijnheer van Dam aangekomen hoorde Bart een onderdrukt gesnuif door de deur komen. Binnengekomen troffen ze de man op zijn buik aan, nu met zijn gezicht in de kussens hevig pompend met zijn bovenlichaam op zoek naar lucht. Snel pakten ze hem beet en draaiden de man weer op zijn rug. Zijn gezicht zag spierwit met rood omrande, wijd open staande ogen en slijm over zijn hele gezicht. Tijdens het schoonmaken daarvan keek mijnheer van Dam beurtelings de verzorgenden aan met een blik waar Bart grote teleurstelling in meende te herkennen. De man huilde continu waarbij hij zijn handen trillend met kleine vuistjes voor zijn borst hield. Toen ze klaar waren stelde Marda voor hem een zweedse band om te doen om te voorkomen dat hij weer op zijn buik zou draaien waarbij ze zich hardop afvroeg hoe dit toch kwam. Ondanks zijn aversie tegen de vastbind riemen ging Bart mee met het voorstel, bang als hij was dat de goede man zichzelf zou verstikken. De volgende dag zou hiervoor wel toestemming van Meryem gegeven moeten worden omdat je niet zomaar bewoners vast mocht binden. Toch zag Bart geen ander manier op dit moment.

Tussen de eerste en tweede ronde gaf Bart aan nog even langs te gaan bij mevrouw Bakker en mijnheer van Dam. Hij liep naar de kamer van de dame en bleef even naast haar bed staan. De opmerking van mevrouw Claeys: “wie is daar!”, liet hij voor wat het was en gaf geen reactie, verdiept als hij was in de ademhaling van mevrouw Bakker. Deze was nu iets dieper dan eerder maar een heel stuk langzamer en reutelde flink. Hij voelde haar pols die traag en amper voelbaar klopte. Vervolgens liep hij naar mijnheer van Dam die, ondanks de Zweedse band, toch weer op zijn zij was gedraaid. Bart legde hem weer terug en vroeg zich hopeloos af waarom de man dit toch deed. Mijnheer van Dam huilde weer en keek met een moeilijk definieerbare blik naar Bart. Deze kon zich maar niet aan de indruk onttrekken dat de man zich expres op zijn buik draaide omdat er geen andere verklaring leek te zijn. Terug in de keuken besprak hij beide bewoners met Marda die besloot het nachthoofd te bellen om ook even te kijken. Deze ging even bij beiden langs vergezeld door Marda en kwam terug met de mededeling dat wat haar betrof de Zweedse band vannacht gewoon om kon blijven en ze de ontwikkeling bij mevrouw Bakker af moesten wachten daar het geen zin had om nu de arts op te trommelen. Hierna vertrok ze weer met de mededeling dat ze het erg druk had in het hoofdgebouw en ze haar alleen nog moesten bellen als het noodzakelijk leek.

Bij de laatste ronde die startte om vijf uur bleek ook Marda last te hebben van vermoeidheid en spanning omdat haar tempo beduidend lager lag dan normaal. Ze besloten eerst alle andere bewoners te helpen en als laatste de twee zorgenkinderen na te lopen. Mijnheer van Dam sliep en lag gelukkig nu rustig op zijn rug. Mevrouw Bakker haalde nu langzaam, onregelmatig en oppervlakkig adem waarbij deze af en toe seconden lang helemaal wegbleef. Haar pols voelde onregelmatig, snelle pulsen afgewisseld door hele langzame en bijna niet meer voelbaar. De verzorgenden spraken af dat Marda de urine bij mevrouw Helwaard ging opvangen en Bart bij mevrouw Bakker bleef. Hij pakte een stoel en ging naast haar bed zitten, nam haar hand zodanig vast dat zijn vingers de pols konden voelen en luisterde naar haar ademhaling onderbroken door de geluiden van Marda die afwisselend door de gang liep of in de spoelkeuken aan het rommelen was. Na een kwartier slaakte mevrouw Bakker een diepe zucht waarbij Bart het kon horen borrelen in haar luchtpijp om vervolgens stil te blijven liggen. Het duurde even voor Bart in de gaten kreeg dat hij geen polsslag meer voelde en hij wilde net opstaan om Marda te waarschuwen toen de dame wederom een diepe teug lucht reutelend inhaleerde, uitademde waarbij een gelige vloeistof langs haar mondhoek schuimend opborrelde en weer helemaal stil viel. Haar gezicht spande zich in een totale frons, ontspande weer en haar ogen vielen half open. Met pijn in zijn buik bleef Bart haar pols controleren maar voelde niets meer. In haar ogen zag hij een waas wat hem vertelde dat ze overleden was maar toch bleef hij wachten op een volgende ademteug. Toen Marda even later met een stethoscoop vaststelde dat haar hart niet meer klopte geloofde Bart pas dat ze er echt niet meer was. Ze reden mevrouw Bakker naar een leegstaande kamer en belden de hoofd wacht die niet meer langs kwam maar de dienstdoende verpleeghuisarts waarschuwde. Deze arriveerde toen de dagdiensten al aanwezig waren en constateerde eveneens de dood. Terwijl de dagdiensten aan hun verzorgende werk gingen begonnen Marda en Bart met het afleggen van mevrouw Bakker. Ze wasten haar volledig en kleedden haar aan alsof ze direct uit bed zou komen. Bart was sterk onder de indruk van Marda die bij elke handeling bleef zeggen tegen de overleden dame wat ze ging doen en haar nog voorzichtiger behandelde dan ze bij leven gedaan had. Ook was ze zo tactvol om eerst op de buik van mevrouw Helwaard te drukken om de overgebleven lucht in de longen te laten ontsnappen. De eerste keer dat Bart hielp met iemand afleggen was de andere verzorgende zo leuk geweest niets te zeggen hierover. Met het omhoog tillen van het bovenlichaam was de lucht van de overleden man langs zijn stembanden gelopen wat een naargeestig gekreun veroorzaakte waar Bart zich helemaal lam van was geschrokken. Marda gebruikte ook maar half zoveel vette watten dan anderen welke ze met een pincet in de anus van de dame manoeuvreerde. Dit vond Bart altijd een smerig en mensonterend klusje maar was heel gewoon. Bij de overleden man ging een volledig pak watten naar binnen en Bart had dagen nodig gehad om de voorstelling kwijt te raken van een man die in zijn doodskist per ongeluk toch wakker werd met een vreselijke pijn in zijn anus en een familieverpakking vette watten in zijn dikke darm gepropt.

Het was niet de eerste keer dat Bart iemand zag overlijden of net overleden was maar ook nu was hij weer bijzonder onder de indruk van het gebeuren. Na nog een kop koffie gedronken te hebben met Marda waarbij hij haar normale stilzwijgen nu dankbaar aanvaardde ging hij naar huis in de hoop snel in slaap te kunnen vallen.

De volgende nacht verliep zoals een normale nacht behoorde te gaan. Weliswaar hadden ze mijnheer van Dam, waarvoor door Meryem geen toestemming gegeven was om een Zweedse band te gebruiken, twee keer terug op zijn rug moeten draaien maar gek genoeg keken ze hier niet meer van op. Marda leek wel heel diep over een en ander na te denken en halverwege de nacht trok Bart de stoute schoenen aan. “Waar denk je toch zo diep over na de hele tijd?”, vroeg hij haar terwijl zij de koffie inschonk. Marda keek hem even aan: “Ik ben steeds in mijn hoofd met mijnheer van Dam bezig. Ik ben er van overtuigd dat hij expres op zijn buik draait om zichzelf te verstikken”. Bart schrok van deze opmerking maar had zelf ook al de hele tijd deze gedachte en was inwendig blij dat zij dezelfde mening had. Vanuit de overdracht had hij begrepen dat de man de hele dag huilde waarbij de opvatting heerste dat dit kwam door de vreemdheid van de nieuwe situatie voor hem in Cavadia. Bart geloofde dit niet maar was er van overtuigd dat de man geen zin meer in leven had, dit niet kenbaar kon maken en het draaien op zijn buik in feite zelfmoord pogingen waren. Dit zei hij dan ook tegen Marda die even knikte maar er verder niet meer op inging. Tegen de ochtend vonden ze hem wederom half op zijn buik en weer trof ’s mans blik Bart die een hopeloze smeekbede leek in te houden. Terug naar huis kon hij de gedachten aan hem niet terzijde leggen en het duurde zeker drie uur voordat hij eindelijk in slaap viel.

Ze hadden eindelijk ruzie gekregen. Bart had een boek gevonden onder het bed over satanisme en Floor hiermee geconfronteerd. Zij was heel boos geworden en geschreeuwd dat hij zich er niet mee moest bemoeien want wat wist hij er nou van! Bart, niet in staat tot boze scheldpartijen, had zich vervolgens gehuld in stilzwijgen en hield dit lang vol, ondanks het door tetteren van Floor en haar onheuse opmerkingen over zijn vermeende onbenul over boven wereldse zaken. Na een uur tegen hem aan te bomen zonder reactie pakte ze haar spullen en vertrok waarbij ze hem onmachtig toebeet een slappe hap te zijn en hem nooit weer te willen zien. Nadat de deur amper in de sponning bleef zitten na haar vertrek had Bart hopeloos verdrietig en diep dood ongelukkig op bed liggen janken met ergens op de achtergrond een gevoel van opluchting. Hij wist dat de relatie voorbij was maar had zich nooit kunnen voorstellen dat het zo zou eindigen. Hoe het anders had gemoeten wist hij ook niet daar hij inderdaad de slappe hap was die zij hem toedichtte en de ballen niet had gehad om haar te vertellen te willen stoppen. Nog steeds ontroostbaar reed hij met lood in zijn fietsbanden naar Cavadia omdat hij ook het lef niet had zich ziek te melden.

Hij kwam tien minuten te laat binnen wat hem een verwonderde en bezorgde blik van Marda opleverde. Ze zei niets maar wees hem de rapporten en de schriftelijke overdracht en ging zelf de medicijnen klaar zetten. De rapporten konden hem niet boeien dus na enige tijd niets opnemend gelezen te hebben zette hij de boel klaar voor het ontbijt. Hij had niet eens in de gaten hoe lang hij daar mee bezig was want toen hij de afdeling opliep om de ronde te lopen was Marda al halverwege. Zwijgend liepen ze de ronde af, legden mijnheer van Dam weer op zijn rug, en gingen tegenover elkaar zitten in de keuken, elk met de eigen gedachten. “Wil je erover praten Bart?”, vroeg Marda na enige tijd wat voor hem een zeldzaamheid was omdat ze nooit geïnteresseerd leek in andermans sores. Bart slikte en vertelde hortend zijn ervaring van de avond waarbij Floor uiteindelijk definitief bij hem weggegaan was. Marda fronste menigmaal haar wenkbrauwen en toen hij uitverteld was zei ze: “Ik ken Floor al langer. Ze is een impulsieve meid die erg beïnvloedbaar is. Af en toe lijkt ze een kameleon en past zich helemaal aan de omgeving aan waarbij ze een complete gedaanteverandering ondergaat. Tot een paar jaar geleden was ze mijn vriendin tot ze onder invloed kwam van anti kernwapen activisten. Ze is toen een keer opgepakt na een actie om op een luchtmachtbasis in te breken. Daarna was ze alleen maar bezig mij te vertellen dat ik geen hart toonde voor de wereld en net als de rest van de proletariers zou toezien op vernietiging zonder er iets aan te willen doen. Mijn invloed op haar was blijkbaar, net als de jouwe nu, niet voldoende om haar te doen keren. Als er morgen een sekte opduikt en ze komt er mee in aanraking is ze de eerste aanhanger. Je moet je niets aantrekken van haar kwalificaties ten opzichte van jou, het zegt des te meer over haarzelf”. Een dergelijk lang verhaal had Bart nog nooit van Marda over haar lippen horen komen en waarschijnlijk was hij de eerste die iets over haar persoonlijke leven vernam. Hij was haar dankbaar voor het andere licht dat ze scheen op de woorden van Floor. Hij stelde zijn mening over Marda ook onmiddellijk bij en vond haar nu sympathiek behalve dat ze alleen een harde werker was. Alsof het ijs gebroken was spraken ze zo een hele tijd met elkaar tot Bart ineens verschrikt riep: “Hemel, het is al vier uur! We moeten de ronde lopen en mijnheer van Dam hebben we ook al drie uur niet meer bezocht!”. Hij sprong op en beende naar de kamer van genoemde man, gevolgd door Marda die opvallend traag achter hem aan kwam. Bij de slaapkamerdeur aangekomen keek Bart achterom en zag een gespannen blik op haar gezicht die hij niet kon verklaren. Hij stapte de kamer binnen en zijn eerste blik naar het bed vertelde hem dat mijnheer van Dam onbeweeglijk op zijn buik lag met het gezicht in het kussen. De man was morsdood. Eenmaal op zijn rug gedraaid was zijn gezicht bleekblauw, slierten slijm tot boven in zijn haar en met een op een glimlach lijkende vertrokken mond. Bart hijgde en zijn hartslag wilde maar niet tot rust komen. Hij voelde de hand van Marda op zijn arm en keek op. De spanning was uit haar gezicht geweken en ze fluisterde: “Het is goed zo, dit is wat hij wilde”. Bart bleef haar aanstaren en voelde paniek in zich opkomen. Het was zijn schuld omdat zijn gejammer hen de tijd had doen vergeten en de man nu dood was. Hij dacht aan Margreet en Meryem en het gegeven dat ’s mans dood hen toegerekend zou worden. Doodsbang hijgde hij nog harder tot Marda hem bij zijn arm pakte, de gang introk en hem daar een klinkende oorvijg gaf. “Houd je rustig Bart. Dit is zijn wens, daar ben ik van overtuigd en jij ook! Het zou een keer gebeuren en waarom niet eerder dan later. De man was doodongelukkig en zou nog vaak op zijn buik gevonden zijn met alle ellende van dien”. Bart kwam enigszins tot zijn positieven en hakkelde: “Maar Margreet en Meryem dan? En zijn familie? Zij zullen zeggen dat we hem gedood hebben”, en ontving weer een oorvijg, nu op zijn andere wang. “Niemand hoeft te weten dat we zolang gewacht hebben met hem te controleren. Laat het maar aan mij over. In de rapportage komt te staan dat we beiden om en om elk half uur gecontroleerd hebben en bij de laatste keer ik hem zo vond, blijkbaar direct op zijn buik gedraaid na de laatste controle”. Bart raapte zijn moed bij elkaar en bedacht zich dat ook hij inderdaad overtuigd was van de doodswens van mijnheer van Dam. Hij vond alleen de manier waarop verschrikkelijk en baalde van het feit dat hij zo met zichzelf bezig geweest was en Marda dit blijkbaar bewust had laten gebeuren om de man in de gelegenheid te stellen zich daadwerkelijk te verstikken. Marda bleef op hem inpraten zeggende dat ze zijn gevoelens begreep maar dat ze gebruik wilde maken van zijn onoplettendheid ten aanzien van tijd en dat hij dat vooral niet als misbruik moest zien. Ze had niet durven voorstellen om mijnheer van Dam de gelegenheid te geven daar Bart dit zeker had afgewezen en ze zag geen andere weg. Als hij dit wilde melden aan Margreet zou ze hem volkomen begrijpen en niets kwalijk nemen. Bart moest dit allemaal even langs zich heen laten gaan en vroeg haar hem de tijd te geven. Marda lichtte het nachthoofd in die even later kwam kijken en de opmerking maakte: “Ik vroeg me al af wanneer het definitief gebeurd zou zijn. Hij was zo hardnekkig in dat draaien dat je bijna zou denken dat hij het expres deed”. Bij deze opmerking keek Bart Marda even aan en knikte wat haar een opgeluchte zucht deed slaken. De dienstdoend arts was toevallig in het hoofdgebouw dus kon snel langskomen. Hij constateerde het overlijden en maakte er verder geen opmerkingen over. Marda en het nachthoofd zouden de man afleggen, Bart had hier het lef niet meer toe, en hij maakte de ronde verder af.

Tijdens de overdracht werden de beide nachtdiensten overladen met medeleven over het moeten doormaken van een dergelijk overlijden en dat ze wel erg geschrokken moesten zijn. Bart hoorde de ondertoon van opluchting dat zij het niet waren die hem gevonden hadden. Dit deed hem besluiten de situatie zo te laten en niets te zeggen over de lange tijd dat ze niet bij hem langs geweest waren. In de kleedruimte kleedden Marda en hij zich zwijgend om. Volledig aangekleed pakte Bart haar bij de hand en zei: “Het is inderdaad goed zo”, wat hem een dankbare blik opleverde. Ze knikte en draaide zich om teneinde naar huis te gaan. In een opwelling liet Bart zijn hand met een enorme klets op haar billen terechtkomen. Ze keerde zich naar hem toe met verwonderde blik en hapte zichtbaar naar adem. “Die had je nog tegoed na die twee oorvijgen van vannacht”, grapte Bart en sprintte licht beschaamd en geschrokken van zijn eigen vrijpostigheid de deur uit gevolgd door de glimlach van Marda die pijnlijk over haar getroffen bil streek.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.