Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Waargebeurd
Geplaatst:
29 december 2015, om 08:56 uur
Bekeken:
479 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
203 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Jeugdige compassie hoofdstuk 15. Bewonersvakantie"


Hoofdstuk 15: bewonersvakantie

Bart was de eer ten beurt gevallen om de bewonersvakantie te mogen organiseren. Eind mei zouden zeven bewoners met evenveel begeleiders een week doorbrengen in een speciaal aangepaste vakantie boerderij in Luttenberg. Deze plaats in Overijssel lag lekker centraal met het oog op dierentuinen en eenvoudig bereikbare kleine stadscentra. De boerderij was de jaren daarvoor uitstekend bevallen. De eigenaars hadden ervoor gezorgd dat alle benodigde aanpassingen aanwezig waren en wisten heel goed om te gaan met diëten. Het organiseren nam nogal wat tijd in beslag maar werd vereenvoudigd door de aanwezige draaiboeken van de jaren daarvoor. Het regelen van de eigen bijdrage van bewoners, het boeken van de boerderij, reserveren van rolstoelbussen en het zoeken naar begeleiders. Uiteindelijk bleek het laatste de grootste klus. Bart had nu vijf vrijwilligers geronseld maar kwam er nog twee tekort. De groep die hij nu had samengesteld bestond uit Meryem Yildiz, de verpleeghuisarts die na de aftocht van Helmut aangenomen was, ziekenverzorgende John uit het hoofdgebouw, Gerrit de Vrij, echtgenoot van bewoonster Wilma de Vrij, Wendy, en Bart zelf. Alle pogingen om nog meer mensen te krijgen strandden hopeloos op alle gebruikelijke argumenten dus had Bart hoofdpijn gekregen van de zorg om twee vrijwilligers waarvan hij niet wist waar ze vandaan te halen. De groep bewoners die meegingen vond hij wel heel interessant. Wilma de Vrij, een beginnend dementerende vrouw van rond de zeventig, mevrouw ‘jihih’ Helwaard, mijnheer Dahlbach die alleen maar oud was maar flink hulpbehoevend, Thelma die gelukkig weer wat vrolijker werd, mijnheer Belt die met de nodige hoeveelheden Haldol net handelbaar was en mevrouw Havezate. Deze laatste had heel wat discussie gevergd. Ze leed aan darmkanker en had ernstige uitzaaiingen in de lever. Daarbij had ze ook een vuistgrote doorligplek op haar stuit en maar een iets kleinere op haar linker heup waar ze veel vocht door verloor. Ze kon het ene moment knalgeel zien en het volgende moment weer een redelijk gezonde kleur hebben, al naar gelang de werking van haar lever. Haar levensverwachting was erg klein en menigeen was verbaasd dat ze nog in het land der levenden vertoefde. Bart had het sterke vermoeden dat dit kwam door haar zeer positieve levenshouding. Het was een statig, bijna adellijke dame met een groot gevoel voor humor en een joekel van een aardappel in haar keel. Ze wist zelf niet hoe ziek ze was. Het was haar wel verteld maar ze leek dit volledig te negeren en leefde haar leven alsof er niets aan de hand was. Bart kon zijn acteertalenten prima op haar kwijt en genoot ervan als ze weer knippend met haar vingers zijn aandacht vroeg. De discussie rond haar deelname werd gevoerd door een grote groep verzorgenden die vonden dat je een stervende dame niet meenam met vakantie en een kleine groep die juist beargumenteerden hoe fijn het zou zijn als ze dit nog mocht meemaken. Bart behoorde bij de kleine groep en negeerde het gegeven dat ze tijdens de vakantie zou kunnen komen te overlijden wat nogal wat implicaties had ten aanzien van vervoer en dergelijke. De woordenstrijd werd beslecht door Meryem en Margreet die besloten dat ze mee kon. Margreet aarzelend maar zij had zich laten overhalen door de afdelingsarts die per slot zelf meeging en de volledige verantwoordelijkheid nam.

De op een na laatste klus die Bart nog moest uitvoeren was het regelen van rolstoelen bij het Rode Kruis. Niet alle bewoners hadden een eigen rolstoel dus moest er geleend worden. Op de fiets reed hij naar de Koninginnegracht waar hij een afspraak had geregeld. De dame die hem te woord stond was erg belangstellend en na aangegeven te hebben wanneer hij de stoelen kon ophalen stelde ze hem allerlei vragen over de bewonersvakantie. Op de opmerking van Bart dat hij nog twee vrijwilligers tekort kwam gaf ze aan dat het Rode Kruis ook dat voor hem kon regelen. Als ze mensen had gevonden zou ze contact met hem opnemen. Er kon dan een kennismakingsafspraak gemaakt worden. Een week daarna had ze hem twee namen doorgegeven, Greet en Marlène. Samen met Meryem sprak hij beiden en was direct enthousiast over deze oudere, beide gezette maar ontzettend vrolijke dames die blijk gaven te weten wat van hen verwacht werd en een flinke ervaring hadden in het begeleiden van mensen tijdens vakanties. Zo had hij zijn crew compleet en was alles geregeld.

De maandag van vertrek was er een van nerveuze spanning en hectiek. Het bleek een flinke puzzel om de bewoners in de rolstoelbussen te krijgen. De klemmen en riemen waarmee ze vast zaten in de bus waren niet erg berekend op de nogal exotische vormen van rolstoelen. De stoel van Thelma was op zich al erg groot en breed waarbij haar benen recht vooruit staken, gelegen in de beensteunen waardoor ze in haar eentje een hele kant van de bus opeiste. De Rode Kruis rolstoelen bleken gelukkig meer algemeen waardoor uiteindelijk iedereen toch zat inclusief het begeleidende team. Bart zou de ene bus rijden en Meryem de andere. Hij had eerder een proefrit gemaakt door Den Haag onder toeziend oog van Meryem en was blijkbaar geslaagd. Ze vertrokken om tien uur uitgezwaaid door een grote groep medewerkers. Halverwege de rit was gepland om koffie te drinken langs de A1 waar Bart nu al hartkrampen van kreeg gezien zijn ervaring met het inladen van de bussen bij vertrek.

Om te voorkomen dat de toegang een probleem werd zouden Bart en John bij de receptie van het hotel/restaurant waar ze stopten gaan informeren alvorens de bussen uit te laden. Binnen liepen ze naar de balie toe waar een nogal kleine en tengere man aan het inchecken was. John liep gespannen om de man heen en keek hem in zijn gezicht. “Joop Zoetemelk”, kreet hij en kreeg een rood hoofd van de schrik. John was fervent amateur wielrenner en was duidelijk ingenomen met deze ontmoeting. Bart ging nieuwsgierig naast John staan die net zijn hand uitstak: “Nog gefeliciteerd met het winnen van de Tour de France vorig jaar”. De aangesproken pedalist keek enigszins verstoord op en schudde onwillig de hand van John: “Dank je wel”, antwoordde en als een haas maakte dat hij wegkwam. John keek hem beteuterd na en had duidelijk op meer conversatie gehoopt. Bart stootte hem aan: “Kom op joh, haal het kwijl van je mond”, en vroeg de receptioniste naar de mogelijkheden om een groep rolstoelers kwijt te kunnen in het restaurant. Dit bleek geen probleem zodat de mensen uit de bussen konden komen wat redelijk snel ging.

Het inladen verliep voorspoedig, de puzzel klopte nu snel, waarop ze het laatste stuk naar de boerderij konden afleggen. Daar aangekomen installeerden ze de bewoners in de eet- annex ontspanningsruimte en maakten de kamers klaar. Het bleken allemaal twee- persoonskamers te zijn wat het echtpaar de Vrij erg prettig vond. Na de maaltijd werd de verdeling gemaakt voor de nachten waarbij ieder een halve nacht dienst moest doen behalve Gerrit waarvan ze niet verwachtten dat hij de mensen zou helpen verschonen. Bart deelde zijn kamer met John. Meryem en Wendy samen in een andere en de beide Rode Kruis dames bewoonden de laatst overgebleven ruimte.

De dinsdag werd besteed aan rust waarbij ze ’s avonds zouden dineren in een restaurant. Deze was van te voren besproken en de eigenaar had een aparte ruimte klaargemaakt waar ze niet aangegaapt zouden worden door andere bezoekers. Het plaatsen van Thelma bleek het grootste probleem door de afmetingen van haar rolstoel en de uitstekende beensteunen. Eindelijk had iedereen plaats genomen en kwam een ober de bestellingen opnemen. Hij deed dit keurig door de vraag te stellen aan de bewoner en deze aan te blijven kijken wachtend op diens antwoord of van de begeleider. Hij sprak duidelijk articulerend zonder hard te praten en kreeg zowaar van iedereen antwoord waarbij mevrouw Helwaard hem trakteerde met drie keer achter elkaar: “jihih”. Op de vraag wat zij drinken wilde antwoordde mevrouw Havezate bekakt: “Geeft u mij maar ein dreuge sherry, gortdreug! En daarbij ein glas water want ik heb ontzettende durst en als maaltijd versmaad ik een goede bafsteak niet”. Wendy gilde van de lach om het gezicht van de ober die netjes in de plooi bleef maar net zichtbare rimpeltjes rond zijn ooghoeken kreeg en knipperde met één oog. Verder uiterlijk vrijwel onverstoorbaar werkte hij de bestellingen af waarbij Meryem hem influisterde de sherry te vervangen door druivensap. Nadat de drank was geserveerd diende de ober de soep op waarbij mijnheer Belt een rechtse swing uitdeelde aan John die probeerde te voorkomen dat hij zijn mond zou branden aan de zeer hete tomatensoep en daarbij per ongeluk de ober raakte tegen zijn schouder. Deze maakte dat hij wegkwam en liet zich niet eerder weer zien dan bij het afruimen. Hij maakte zijn rondje en nam de borden en lepels op, pakte dankbaar het bord van mijnheer Belt aan van John, maakte een mooie halve cirkel rond de lichtgeraakte bewoner en probeerde de lepel van mevrouw Helwaard uit dienst handen te nemen. Dit lukte niet erg en bij de derde keer rukte hij deze uit haar handen. Bij het weglopen keek de dame hem met geagiteerde blik na, duidelijk niet gecharmeerd van het ontfutselen van haar bestek. Ze pakte haar vork van tafel en smeet deze met kracht achter de ober aan onder een luid: “Jihih”, waarbij de man geraakt werd door de achterkant in zijn rug. Wederom koos hij het hazenpad met rammelende borden. Mevrouw Havezate keerde zich tot mevrouw Helwaard: “Beste dame, zo kunt u niet verkeren in dit gezelschap. Enig decorum in dit etablissement is wel gewenst en onder vrinden is het gebruikelijk het bestek voor de daarvoor bestemde doeleinden te hanteren”, waarbij ze met een knikje van haar hoofd te kennen gaf dat voor haar daarmee de kous af was. Bart vond het allemaal prachtig en nam zich voor de ober een stevige fooi te geven daar hij ondanks zijn bejegening toch weer terug kwam voor het opdienen van de resterende gangen, zwetend en wel. De rest van het diner verliep zonder noemenswaardige gebeurtenissen waarop de tweede dag ten einde liep.

De woensdag was bestemd voor de dierentuin in Emmen. De ingang lag midden in het stadje maar was goed bereikbaar en snel konden ze naar binnen. Bart was erg nieuwsgierig naar de vlindertuin waar hij veel over gehoord had en samen met John, mijnheer Belt en mevrouw Havezate gingen ze direct die richting op. De vochtige warmte sloeg hen bij binnenkomst tegemoet wat de dame de nodige opmerkingen ontlokte. John reed mijnheer Belt aangezien hij hem het beste aankom. De man zat in een Rode Kruis rolstoel en John had hem voor de zekerheid een Zweedse band aangebonden om te voorkomen dat hij amok makend de stoel uit zou komen. Dit viel gelukkig tot nog toe erg mee en hij bleek zelfs geïnteresseerd in de vele vlinders die voorbij vlogen. Bart volgde met mevrouw Havezate in haar eigen rolstoel die redelijk groot was uitgevallen waardoor hij met de nodige voorzichtigheid moest manoeuvreren. John hield midden op een pad ineens halt en draaide zich naar Bart met een rood aangelopen gezicht: “Oeps, vlinder overreden”, fluisterde hij: “Wat nu? Het is nog een grote ook”. Hij dacht even na, bukte zich en raapte een vlinder van de grond met een spanwijdte van zeker twintig centimeter. Het wiel van de rolstoel was dwars over het lijf gegaan waardoor de vleugels nog net aan elkaar plakten en het beestje nog intact leek. Rondspeurend of niemand het kon zien zette John het dier op een blad en plakte het met het eigen lichaamssap erop vast. Hij gebaarde Bart hem te volgen en snel liepen ze naar de uitgang ondertussen wel uitkijkend niet meer vlinders onder de wielen te rijden. Bij de uitgang draaide Bart zich nog een keer naar de plek des onheils en zag nog net het verschrikte gezicht van een moeder kijkend naar de uitgestoken vinger van haar kind tegen de platgewalste vlinder die net in twee stukken van het blad af gleed.

Na de dierentuin braken ze in kleine groepjes uiteen om de stad te kunnen gaan bekijken. Met een grote groep was dit nogal lastig omdat ze met veertien man en zeven grote rolstoelen in één keer een volledig terras bezet zouden houden. Bart vertrok met Wendy de winkelstraat in. Hij duwde nog steeds mevrouw Havezate, zij had mevrouw Helwaard onder haar hoede. De binnenstad was klein en daarom snel doorgelopen. In de Blokker hadden ze nog even gezwierd met de rolstoelen tussen het uitgestalde glaswerk, daarbij net de glazen missend wat op afgrijzen bij het personeel kon rekenen. Teruglopend pakten ze een terrasje, dronken koffie en luisterden met genoegen naar de Drentse opmerkingen die her en der gebezigd werden waarbij twee er voor Bart uit sprongen, Aj dan belt en pien in de arms. De eerste betekende volgens hem ‘als je mij dan telefoneert’ en bij de tweede hadden Wendy en hij een heftige discussie over de diepere inhoud. Volgens Wendy betekende het opgeroepen worden voor het leger, Bart hield het op een café naam waar Pien blijkbaar veel kwam. Uiteindelijk vroegen ze het maar na bij de ober en waren verbaasd te vernemen dat iemand blijkbaar pijn in beide armen had. Met een nogal categorische ontkenning van haar eigen dialect merkte Wendy op: “Râh taaltje spreken die gastuh hieâh. Niks van tuh veâhrstaan”, wat de ober weer gefronste wenkbrauwen opleverde. Zo keuvelden ze verder tot ze ontdekten dat de afgesproken tijd voor verzamelen bij de bussen bijna verstreken was. Wendy betaalde snel de koffie en zo snel als mogelijk liepen ze naar de geparkeerde bussen. Bart ontdekte een strook hoog groen met gaten tussen de straat en de parkeerplaats en gebaarde Wendy daar tussen door te lopen daar dit veel korter was dan eromheen. Wendy dook de struiken in op de voet gevolgd door Bart die tussen de struiken ook flink wat brandnetels van een dikke meter hoog ontwaarde. Hij wilde net Wendy waarschuwen toen mevrouw Helwaard haar hand uitstak en met één greep zo’n 5 brandnetel takken beetpakte. Door de snelheid waarmee ze door de struiken gereden werd roetsjten de takken door haar hand. Ze opende deze en liet de bladeren op de grond vallen, keek in de palm van haar hand en zei: “Auw, godverdomme”. Bart en Wendy keken elkaar aan: “Nou ken ik haar toch al bijna 2 jaar maar ze heeft nog nooit iets anders gezegd dan jihih”, zei de Haagsche verbaasd zonder accent. “Wat goede motivatie al niet doet”. Het arme mens had blijkbaar veel last van haar hand want ze bleef erin staren en wapperde hem af en toe heen en weer. Bij de bussen had Meryem een tasje bij zich waar ze zalf uithaalde en smeerde de hand hiermee in. Een paar tellen later was het pijnlijke gevoel blijkbaar al afgezakt en keek mevrouw Helwaard weer in het rond zoals ze gewoon was te doen.

De dagen erna bestonden uit rijden naar stadscentra en een bezoek aan de Apenheul. Daar ontvingen ze speciale tassen waar eten en dergelijke in gestopt moest worden omdat de apen alles stalen wat ze maar roken en dit soms ook redelijk agressief konden doen. Ook ontvingen ze een waarschuwing brillen goed in de gaten te houden daar de dieren ook hier snel mee aan de haal gingen. Bart vond de Apenheul niet zo boeiend. Het enige leuke bestond uit het voederen van de doodshoofdaapjes die vrij rondliepen in grote groepen. Het werd pas duidelijk hoeveel het er waren toen de hele meute over de hoofden van de toeristen richting de plaats snelden waar het voer werd uitgedeeld, ondertussen meenemend en pikkend wat ze maar te pakken konden krijgen. Bart zag een bril en foto camera voorbij gaan in de handen van beestjes die hier zeker de eigenaars niet van waren. John had mijnheer Belt even laten lopen en de man werd bedolven onder de passerende aapjes. Eén van de beesten rustte even uit op zijn hoofd waar op mijnheer Belt een kreet slaakte, de boosdoener van zijn hoofd plukte, schreeuwde: “Vuile pokkebeesten”, en smeet de aap van zich af. Het dier vloog zo’n 5 meter door de lucht en spatte tegen een boomstam waarna het even versuft bleef liggen. Het stond echter al snel weer op en vervolgde de weg naar de voederplaats. Nadat de hele meute was gepasseerd wees Wendy naar de Rode Kruis rolstoelen. Waar deze voorheen helemaal beplakt waren met stickers van allerhande attractie parken en dergelijke waren ze nu schoon kaal gevreten. Geen sticker was meer te bekennen.

Na een rustig vervolg van de week kwamen ze op zondag weer aan op Cavadia. Er hadden zich verder geen ongelukken voorgedaan en niemand was ziek geweest, ook mevrouw Havezate niet. Bart had twee dagen vrij na de vakantie en meldde zich op woensdag weer op de afdeling. Daar hoorde hij dat de adellijke dame in de nacht van maandag op dinsdag heel rustig was ingeslapen en was blij dat hij en de andere voorstanders haar vakantie er door hadden gedrukt.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.