Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Waargebeurd
Geplaatst:
29 december 2015, om 08:49 uur
Bekeken:
415 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
205 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Jeugdige compassie hoofdstuk 12. Dok weet het beter"


Hoofdstuk 12: Dok weet het beter

“Toch wel raar dat zoveel bewoners de afgelopen twee maanden een heupfractuur hebben opgelopen”, zuchtte Trudy: “In januari mevrouw Delders en mijnheer Helfrink. Mijnheer Belt vorige week en gisteren mijnheer Picaro. Het is dat je weet dat het niet kan maar anders zou je een virus verdenken”. Bart bekeek het zorgplan van mijnheer Picaro nog eens goed. De rapportage vermeldde dat hij gisteren achter in de gang gevonden was op zijn rug liggend met zijn rechtervoet haaks naar buiten gedraaid. Een duidelijk geval van een totale heupfractuur maar hoe en waarom hij gevallen was werd niet duidelijk. Er was niets of niemand in de buurt, de vloer was niet glad en had geen oneffenheden. Bij de andere bewoners was dit net zo het geval geweest. Mijnheer Helfrink was vijf dagen na zijn opname in het ziekenhuis overleden doordat hij een longontsteking op de tweede dag had opgelopen. Mevrouw Delders lag sinds haar terugkomst uit het ziekenhuis in bed, wilde niet eten of drinken en Bart wist dat de discussie gaande was met de familie of ze een sonde zou krijgen of dat ze haar zouden laten ‘gaan’. Bart was voorstander van het laatste. Mevrouw Delders leidde aan zowel Parkinson als reuma en leek altijd een ongelukkige vrouw. Ze kon nog goed lopen voordat ze gevallen was en dwaalde eigenlijk maar een beetje de hele dag rond. Als je haar aansprak keek ze je aan met verdrietige ogen maar zei niets. Nu ze in bed lag sliep ze alleen en Bart had gelezen in de rapportage dat ze ’s nachts veel huilde. De kans dat ze nog kon lopen na herstel van haar heup was miniem waardoor ze het enige kwijt zou raken wat ze nog had, vrijheid om binnen Cavadia te gaan en staan waar ze wilde. Mijnheer Belt was na opname in het ziekenhuis de tweede dag al weer terug en had blijkens de overdracht heel wat schade veroorzaakt bij het verplegend personeel aldaar. Hij lag gefixeerd met een zweedse band de hele dag in bed en was agressiever dan ooit. De band, een brede riem om zijn middel vastgemaakt aan de zijkant van zijn bed en afgesloten met een simpel maar doeltreffend slotje, deed zijn werk wel maar om hem te kunnen verzorgen waren behoorlijke hoeveelheden haldol nodig zodat hij nog enigszins handelbaar was en in ieder geval niet de kracht meer had om al te hard om zich heen te meppen. Vier mensen in amper twee maanden gevallen met als resultaat een gebroken heup, ongekend en nooit eerder voorgekomen. Er moest een oorzaak zijn maar niemand had hem nog gevonden.

Bart zelf was weer in stijgende lijn. Hij was inmiddels 19 geworden wat hij met Floor en een ander stel gevierd had door een lang weekend naar Antwerpen te gaan. Dit andere stel bestond uit Hendrik ‘die zijn vader gevonden dacht te hebben op een ouija bord’ en zijn vriendin Deirdre die er totaal anders uitzag en gedroeg dan haar naam deed vermoeden. Ze was dik en plomp, sprak met een lage, zachte stem en daarbij zo erg binnensmonds dat Bart haar zelden goed kon verstaan. Zij en Hendrik hadden de smerige gewoonte om tegelijk hun neus te snuiten en elkaar daarna te laten zien welke oogst ze hadden verzameld in hun zakdoeken. Het gebit van Deirdre was aangetast door wolf wat zich uitte in zwarte verkleuringen aan haar tanden die er dan ook uitzagen alsof een kleine muis steeds kleine hapjes eruit nam. Het was overduidelijk dat ze haar tanden nooit poetste vanwege de geur in haar kielzog wat amper overstemd werd door de lucht vanonder haar oksels en goedkope parfum welke ze gebruikte. Bart kreeg neiging tot kokhalzen als zij en Hendrik tongzoenden, wat ze te pas en te onpas deden, maar bleef er onwillekeurig steeds vanuit zijn ooghoeken naar kijken. Hendrik moest wel een ernstige oogziekte en schoongebrande neusgaten hebben anders begreep Bart niet dat hij het met haar uithield. Het ergste was nog dat Hendrik en Floor het in de avonden continu hadden over de geesteswereld en de nieuwste vegetarische menu’s en Deirdre tijdens die niet boeiende gesprekken zijn aandacht en dichte aanwezigheid opeiste. De eerste avond was Bart aan de bar in het café gaan zitten om even verlost te zijn van het gekwek van de beide spiritualisten en was net bezig de schuimkraag van zijn bier te bestuderen toen Deirdre een kruk pakte en vlak naast hem kwam zitten. Een stuk of vier bahco’s hadden al een behoorlijk effect op haar gekregen waar Bart niet zo blij mee was omdat het leek of ze vier handen had die continu over zijn rug streken, zijn knie streelden en zijn wang aaiden terwijl ze met haar laatste hand het glas vasthield. Hij kneep zijn benen stijf bij elkaar en hield die ene hand op zijn knie constant in de gaten met een dermate geconcentreerdheid dat zijn rug al snel stram en pijnlijk aanvoelde en hij zelfs de putlucht uit haar mond niet meer rook. In het goedkope hotel waar ze geboekt hadden bleken ze aangrenzende kamers met dunne wandjes te bewonen. Links hoorde Bart een stel de hele tijd ruzie maken, rechts bonkten Deirdre en Hendrik dat het een lieve lust was, zij steeds kreten slakend hoe lekker het wel was en aanwijzingen gevend hoe en wat hij moest doen. Barts seksuele driften werden hier volledig door geremd en slapen kon hij niet zodat de nachten lang en ellendig waren. Floor had hier blijkbaar minder last van omdat zij wel sliep maar nam geen initiatief tot seks, blijkbaar ook aangestoken door de niet bepaald amoureuze omgeving en de geluiden om haar heen. Het hoogtepunt van het weekend, de vogeltjesmarkt, bleek een gewone markt te zijn met in het midden een rij kraampjes waar Bart een paar parkieten en kanaries ontwaarde en manden vol met levende kippen en andere beesten waar hij zijn neus en ogen maar niet aan waagde. Hij had al genoeg aan de aanblik en geur van Deirdre die het ook nog eens nodig vond haar afschuw over het gebodene tussen de tongzoenen door te ventileren. In een winkel aan de rand van de markt was een dierenzaak gevestigd waar ze binnen drie minuten uit gesmeten werden door de eigenaar vanwege de ongezouten kritiek van Deirdre op de nogal smoezelig uitziende jonge hondjes in kleine glazen hokken samengedromd om de teefjes die overduidelijk een paar worpen teveel hadden gedaan in hun leven. Antwerpen was daarmee geen succes en wat Bart betrof niet voor herhaling vatbaar.

Bart slofte naar de spoelkeuken om zijn waskar op te laden met de benodigde spullen voor de verzorging. Onderweg kwam hij mevrouw Volencova tegen die zoals gebruikelijk de gang afstruinde met een immer tevreden glimlach op haar gebruinde gezicht, zich met één hand vasthoudend aan de metalen stang die overal in de gang langs de muur aanwezig was en haar wandelstok in de andere. Wat ze mankeerde wist niemand. Ze vertoonde demente trekjes maar bleek altijd goed te weten wat er in de afgelopen dagen zoal gebeurde wat hier niet mee rijmde. Ze was omstreeks 1960 met haar echtgenoot Volenec geëmigreerd, sprak redelijk Nederlands met een zwaar, bijna Duits, accent en kon vloeken in het Tsjechisch dat het een lieve lust was. Aangezien niemand haar kon verstaan werd er geen aanstoot aan genomen waarbij het ook wel grappig was om te horen. Mevrouw Volencova kon heel aanhankelijk zijn wat zich uitte in je arm vastpakken, met stok in haar hand, en zeggen: “Komt du eens hier lieverd”, waarna ze je een zoen op je mond probeerde te geven. Bart was volleerd hoofd omdraaier zodat haar natte pakkerds op zijn wang belandden. Ook nu klampte ze hem aan en Bart vroeg zich, al hoofd omdraaiend, af wanneer zij de volgende zou zijn met een kapotte heup.

Zijn eerste bewoner die dag was mevrouw Meidrich. Ze woonde al jaren in Cavadia en leed aan fybromyalgie ofwel weke delen reuma waardoor ze in een rolstoel haar pijnlijke leven doorbracht. Sinds een paar weken kreeg ze steeds blaren op haar huid die in aantal en grootte aan het toenemen waren. De verpleeghuisarts Andre stond voor een raadsel en was in afwachting van de resultaten van bloedonderzoek. Het bloed was gisteren pas afgenomen, ondanks aandringen van Bart en het kon wel twee tot drie weken duren voor er antwoord kwam. Bart had gemerkt dat mevrouw Meidrich steeds angstiger en onrustiger werd waar hij Andre op gewezen had en gevraagd of er geen verder onderzoek nodig was. Deze nam hem niet serieus, schreef nog een paar dozijn korreltjes voor en liet pas laat haar bloed onderzoeken. Ondertussen ontwikkelde mevrouw meer en meer blaren en kreeg koorts. Bart hield zich koest ondanks zijn mening gezien zijn ervaringen een paar weken daarvoor in het enerverende gesprek met de drie zusters en zijn aantekening die daar het gevolg van was. Toch probeerde hij elke dag voorzichtig Andre te manen tot meer activiteit maar die goedlachs alles wegwuifde. Bij binnenkomst op haar kamer zag Bart al dat mevrouw Meidrich zich slecht voelde. Ze keek koortsig uit haar ogen, ademde oppervlakkig en licht kreunend en lag onrustig te woelen in haar bed. Op zijn binnenkomst reageerde ze door hem angstig aan te kijken. Bart probeerde haar rustiger te krijgen door haar kleding met zwierige bewegingen voor haar gezicht te houden onderwijl dramatisch reclamerend welke nieuwe mode hij nu weer voor haar te pakken had gekregen maar oogstte hier geen succes mee. Op een gegeven moment deed ze zelfs haar ogen dicht ten teken dat ze zich overgaf aan datgene wat Bart met haar meende te moeten doen. Hij berustte en begon haar voorzichtig te wassen. De blaren waren sinds de vorige keer dat hij het zag weer flink toegenomen. Op haar buik was een grote opengegaan en geïnfecteerd geraakt, waarschijnlijk door krabben. Hij behandelde de open blaar volgens het voorschrift en dekte hem af met een licht zelfklevende dunne plastic laag waarmee voorkomen werd dat haar huid aan flarden gescheurd werd bij het verwijderen ervan. Op dat moment kwam Andre de slaapkamer binnen en ging aan de andere kant van het bed staan. “Zo, hoe is het met mevrouwtje op dit moment”, en keek daarbij naar Bart in plaats van de lijdende persoon in bed. Bart had er een gruwelijke hekel aan dat over bewoners in de derde persoon gesproken werd met verklein woordjes. Hij veroorloofde zich geen antwoord te geven waarop Andre zich over de dame heen boog en met zijn vingers op de net toegedekte blaar begon te duwen. Dit leverde mevrouw Meidrich blijkbaar dermate pijn op dat haar ogen openvlogen en ze smekend Bart aankeek. “Andre, kan ik even op de gang met je praten”, vroeg hij de arts en dekte de vrouw in bed toe. Andre keek even verwonderd op maar volgde hem de gang in. “Ik ben gisteren naar de schoolbibliotheek geweest en heb daar een aantal boeken met ziekte beelden doorgelezen”, sprak Bart hem toe: “Hierbij kwam ik een hoofdstuk over systemische lupus erythematosus tegen en het viel me op dat mevrouw Meidrich veel symptomen heeft die daar op lijken. Buiten de blaren op haar huid zijn misschien haar organen ook aangetast en kan ze wellicht beter opgenomen worden in het ziekenhuis omdat ik zie dat het per dag slechter met haar gaat”. Andre keek hem meewarig aan, schudde zijn hoofd en zei: “Beste jongen, ik waardeer je bezorgdheid en je betrokkenheid maar laat de diagnose nou maar aan mij over. Ze wordt goed behandeld en in het ziekenhuis kunnen ze toch niet meer doen”. Bart knikte onderdanig, liet snel de drie zusters zijn geestesoog voorbij gaan en slikte alle opmerkingen in over het gehannes met korreltjes en laagjes plastic. Hij toog weer aan de wasbeurt van mevrouw Meidrich waarbij hij bijna zelf de pijn voelde die zij leed op al zijn aanrakingen. Hij was kwaad op Andre die niet naar hem wilde luisteren en woest op zijn collega’s omdat zij hem niet ondersteunden. Bart wist zeker dat het steeds slechter ging met de arme vrouw en maakte zich ernstig zorgen om haar. Het enige wat hij kon doen was zo lief als mogelijk voor haar zijn en haar behandelen als breekbaar glas om meer schade en pijn te voorkomen. 

Toen hij klaar was bracht Bart mevrouw Meidrich in haar rolstoel naar de huiskamer met het nare gevoel dat ze eigenlijk in bed thuishoorde. Het zorgplan besliste echter anders en als leerling had je niet het lef hier zelfstandig een wijziging in aan te brengen. Nadien haalde hij het bed af en ruimde de slaapkamer op. Zijn kar was vol dus bracht hij deze eerst naar de spoelkeuken om vervolgens de laatste waszak op te halen. Deze was behoorlijk zwaar geworden en had een paar scheuren dus liep hij voorzichtig met de zak in beide armen door de gang. Halverwege haalde hij mevrouw Volencova in en eenmaal gepasseerd voelde hij iets tussen zijn voeten waarbij hij pardoes languit de gang in dook. Zijn val werd gebroken door de volle waszak zodat hij niet al te pijnlijk, zij het niet erg elegant, terechtkwam en de vuile lakens over de vloer dweilden. Hij draaide zich verbaasd om en zag mevrouw Volencova staan met een grijns op haar gezicht en: “hihi, du vielt leuk”, zei gevolgd door een paar Tsjechische vloeken. Ze hield haar wandelstok nog vast in dezelfde stand toen hij erover struikelde met haar hoofd scheef in bewondering voor de door haar aangerichte ravage. Trudy en Wendy kwamen op het geluid van de val aangelopen en vroegen Bart of hij zich bezeerd had. “Nee hoor”, zei hij en stond krabbelend weer op: “Maar ik weet nu wel waar al die heupfracturen vandaan komen”, en wees beschuldigend naar de zich van geen kwaad bewuste dame die zich inmiddels omgedraaid had en de gang naar de andere kant begon af te lopen. Later op de dag werd door Andre het besluit genomen mevrouw Volencova op Haldol te zetten en over te plaatsen naar het hoofdgebouw waar bredere rechte gangen waren en meer overzicht dan in de kromme en bochtige krochten van Cavadia. Later hoorde Bart dat toch weer iemand zich een breuk was gevallen en zij op een stoel was geplaatst die vastgeschroefd zat aan een plank. Hierdoor kon zij de stoel niet naar achteren schuiven en door de tafel tegen de muur te plaatsen met aan de tegenoverliggende zijde de stoel er dicht tegen aan geduwd kon ze niet meer op of neer. Bart vond het geen elegante en vriendelijke methode maar hij wist ook niet hoe het anders zou moeten.

De volgende ochtend meldde de nachtdienst dat mevrouw Meidrich halverwege de nacht was overleden. Bart kreeg een brok in zijn keel en kon met moeite zijn tranen wegslikken. Hij worstelde zich door de overdracht heen en ging toen direct naar de kamer van de gestorven dame om daar naast haar bed zijn verdriet en boosheid weg te grienen. Hij was boos op zichzelf omdat hij uit zelfbescherming zich ingehouden had tegen Andre en zijn collega’s. Bart was overtuigd van zijn gelijk en vond, desnoods met het risico op ontslag, hij had moeten doordrukken in zijn mening. Bezwaard liep hij het ochtendritueel van ontbijt geven, wassen en aankleden door waarbij hij zijn acteer capriolen achterwege liet. Aan het eind van de ochtend was hij nog bezig een kamer op te ruimen toen Andre binnenkwam, hem lang aankeek en vervolgens zijn lange lijf op zijn knieën liet zakken. “het spijt me dat ik niet beter naar je geluisterd heb”, zei de afdelings arts met zijn hoofd gebogen en zijn armen langs zijn lichaam hangend. Bart bekeek de lange lijs met opperste minachting, kon een rochel binnenhouden en beende de kamer uit waarbij hij de deur met een enorme knal dichtsloeg. Haat had nooit in zijn systeem gezeten maar hij merkte nu hoe dit voelde en bemerkte met afgrijzen dat ook hij niet verschoond bleek van een behoefte om iemand vreselijk pijn te willen doen.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.