Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Waargebeurd
Geplaatst:
28 december 2015, om 08:42 uur
Bekeken:
462 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
205 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Jeugdige compassie hoofdstuk 8. dagelijkse perikelen"


Hoofdstuk 8: dagelijkse perikelen

Na 8 maanden opleiding voelde Bart zich al een behoorlijk ervaren verzorgende. Hij mocht veel zelfstandig werken en hoefde alleen hulp te halen bij de verzorging als voorgeschreven was dat het met zijn tweeën moest of als er handelingen bijkwamen waar hij als 1e jaars nog niet bevoegd voor was. Hij had weer plezier in zijn werk omdat dankzij Estelle (en Trudy?) zijn humeurige zelfreflectie tot een einde was gekomen. Zijn zelfvertrouwen had een enorme boost gekregen wat zich op het werk uitte in een energieke betrokkenheid zoals hij die nog niet eerder ervaren had.

Vandaag had hij dagdienst en buiten de zeurende Anja, moe en kwaaltjes, was de overdracht serieus maar met de nodige kwinkslagen verlopen. Mijntje en Trudy, duidelijk opgelucht dat Bart weer normaal deed, hadden verhaald over de opvoering van het kerstspel in de afgelopen jaren en hoe dit deze keer zou gaan verlopen. Cavadia was onderdeel van een verpleeghuis op antroposofische grondslag waar Bart tot dan toe niet veel van begrepen had. Hij wist dat de grondlegger een zekere Rudolf Steiner was, er veel met homeopathische medicijnen gewerkt werd en een christelijke achtergrond had die afweek van wat Bart wist over katholicisme volgens welke leer hij opgevoed was. In het hoofdgebouw werkten veel verzorgenden en verpleegkundigen vanuit de antroposofie maar op Cavadia waren zij dun gezaaid. Hoe dit kwam wist hij niet en veel schelen kon het hem ook niet. Veel mensen welke hij ontmoet had die vanuit de antroposofie werkten ervaarde hij als lichthoofdig, warrig en oordelend. Hij voelde zich zelden op zijn gemak in hun bijzijn vanwege de air van alwetendheid welke hij ervaarde in hun gedrag waarbij de inhoud van hun gesprekken in zijn ogen leeg en nutteloos was. Ze waren vrijwel zonder uitzondering vegetarisch, broodmager, waarbij Bart voor het gemak zijn eigen miezerige 57 kilo vergat, en koffiehaters. Voor Bart was dit een gruwel, geen vlees en zonder koffie het leven door, onbestaanbaar! Hij was daarentegen wild verzot op de wekelijkse kaaskroketten en hoopte dat veel bewoners deze niet lekker vonden of geen trek hadden. Helaas dachten al zijn collega’s er ook zo over waardoor het een gevecht was om een kaaskroket in handen te krijgen.

In de dagelijkse praktijk ervaarde hij niet veel van het antroposofisch werken en leven. De medicatie was anders dan hij van zijn mede leerlingen hoorde. Het gebruik van arnica, calendula, kamille en koperzalf hoorde hij bij hen nooit terug. De medicatie bestond voor een groot deel uit kleine korreltjes die per 10 uitgeteld moesten worden en veel drankjes bestaand uit ‘etherische vloeistoffen’ wat voor hem inhield dat deze zo vaak verdund waren dat de daadwerkelijke stof chemisch niet meer aanwezig was, althans volgens de onderzoeken welke hij daarover wel eens gelezen had. Er werden ook wel reguliere medicijnen gebruikt als het niet anders kon maar de boventoon werd gevoerd door de korreltjes en de drankjes. De bewoners die in sommige gevallen antroposofisch waren kregen vegetarische maaltijden waarbij linzen schijnbaar in bulk ingekocht werden en er onappetijtelijk grauw uitzagen. Het kon Bart allemaal niet zoveel schelen omdat er geen verwachtingen bestonden aan antroposofie mee te moeten doen en de andere bewoners kregen normale verzorging met een Steiner sausje waar ze blijkbaar niet slechter van werden. Er waren wel een paar zaken waar Bart moeite mee had. Opgeklopt eiwit in decubituswonden, met je armen achtjes draaien in bad voordat de mensen erin mochten en terughoudendheid in het voorschrijven van pijnmedicatie. Hij had ook de voordelen van een aantal middelen gezien. Arnica was ideaal bij blauwe plekken. Mijnheer de Wit had een keer een prachtig bril hematoom nadat hij in zijn niet aflatende pogingen te gaan staan en lopen zijn hoofd tegen de wasbak had gestoten, precies aan de bovenkant van zijn neus. De dag erna had hij twee prachtig paars blauwe ogen welke op de piste niet waren te onderscheiden van een donkere skibril. Normaal gesproken zouden de blauwe plekken gaan verkleuren naar bruin en geel waarbij ze via de wangen afzakten naar de hals gedurende een aantal weken. Met arnica werd dit voorkomen. De blauwe plekken waren sneller verdwenen en zakten niet uit. Koperzalf vond Bart ook een geweldige uitvinding. Hij had een keer geleerd om buikwrijvingen te doen tegen obstipatie en blijkbaar was hij er goed in. Je klapte een aantal keren flink in je handen om ze goed op te warmen en wreef vervolgens de handpalmen in met koperzalf. Draaiend met de klok mee en van binnen naar buiten masseerde je de buik gedurende een kleine tien minuten. Je handen waren daarna roodgloeiend heet en de huid op de buik van de bewoner lekker warm. Vervolgens een katoenen doek gedrenkt in hete kamille thee erop en bedekken met een wollen doek. Een half uurtje laten stoven en de bruingebakken drollen lagen voor het oprapen. Het was in elk geval beter dan die troep die ze naar zijn mening in andere verpleeghuizen gaven tegen obstipatie en hij vond het ook nog leuk om te doen.

Ook Bart had zich, onder druk, opgegeven voor de opvoering van het kerstspel. Regisseur en mentor was Zr. Podoyen, verpleegkundige en heilpedagoge. Ook weer zo’n onbegrijpelijk begrip voor hem. Wat hij ervan zag was dat bewoners tekeningen maakten met waterverf in pastelkleuren waarbij, omdát het waterverf was, alles in elkaar overliep. Zr. Podoyen was, in tegenstelling tot de gemiddelde antroposoof, behoorlijk dik en wedijverde met Anja in lengte. Ze had een theatrale manier van doen en onderstreepte goedkeuringen en ontkenningen door wild met haar hoofd te schudden waarbij haar afhangende hamsterwangen klapperende geluiden maakten. Ze was een goedaardige trol die verdomd goed wist wat ze wilde en absoluut geen eigen invulling duldde van de verschillende rollen in het kerstverhaal. Alles draaide in het kerstspel om de gang van Jozef en Maria naar Bethlehem en de geboorte van Christus. Bart had de rol van herbergier die hen de toegang tot zijn herberg weigerde. De tekst die hij, handen in de zij en borst en buik vooruit met gespreide benen en als een Indiase danseres heen en weer bewegend hoofd, moest reclameren was er zo ingestampt dat hij deze zich op zijn sterfbed nog zou herinneren: “Wat moet gij hier gij met oe wijf. Houdt bedelvolk mij van’t lijf! Van anderen heb ik meer gewin, landlopers laat men hier niet in”! Vervolgens moest hij een denkbeeldige deur dichtslaan en was zijn rol voorbij. Zr. Podoyen vond het nooit goed en liet het hem keer op keer herhalen waarbij ze goedaardig maar dwingend zijn lichaam in de juiste bochten en bewegingen drong onderwijl schuddend met haar hamsterwangen in ontkennende stijl. Dat Bart een gloeiende hekel had gekregen aan de repetities sprak voor zich maar Trudy en Mijntje hadden hem er ingeluisd door hem te vertellen dat het handtekeningen zou opleveren voor zijn OPO boekje, Een soort notitieblok waar zijn vorderingen in de opleiding in opgetekend werden door een handtekening te zetten. Drie handtekeningen in het bruine OPO boekje die door iedere gediplomeerde gezet mocht worden om uiteindelijk van de praktijk begeleider, Trudy in zijn geval, een handtekening in het witte, officiële, OPO geschrift te bemachtigen. Het OPO boekje was heilig voor leerlingen en de toegang tot het 2e jaar en uiteindelijk de diplomering. Iedere leerling had zijn voorkeuren wat betreft het werken met gediplomeerden daar sommigen heel eenvoudig en snel een handtekening zetten en anderen daarentegen je pietluttig zeikerig overhoorden daarmee vaak hun eigen onwetendheid etalerend.

 

Na de overdracht werden direct de medicijnen en het ontbijt gedeeld. De meeste mensen aten dit op bed waarbij een aantal geholpen moest worden en een paar bewoners konden met enige hulp in de slaapkamer aan tafel zitten. Na het afruimen werd er gewassen en aangekleed. Bart had zes bewoners toegewezen gekregen waarvan er drie op een meer persoonskamer verbleven en drie hun eigen kamer hadden. De dames Claeys, Bakker en Helwaard deelden een kamer en was een apart stel bij elkaar. Mevrouw Claeys was Frans Belgisch van geboorte en door huwelijk in Nederland komen wonen. Ze had ernstig reuma waarbij haar vingers bijna haaks naar buiten op haar handen stonden en was stekeblind. Ze schreeuwde steevast: “Wie is daar? Wat moet je van me”, als ze geluiden om haar heen hoorde met een dermate krakende stem dat Bart altijd de neiging had zijn keel te schrapen als hij haar hoorde. Mevrouw Bakker was een bijzonder mens. Ze sliep vaak tot wel vijf dagen achter elkaar waarbij ze niet wakker te krijgen was om vervolgens een paar uur klaarwakker en met heldere ogen rechtop zittend in bed iedereen vrolijk te begroeten. Ze had dan een uitermate grappig, seksueel getinte humor en was het zonnetje in huis. Ze was klein en tenger maar had, ondanks de permanente voedings sonde in haar neus, een razende honger en at voor een bootwerker, al kwebbelend en ironische opmerkingen makend over borsten en billen van zowel mannen als vrouwen, om vervolgens weer weg te zakken in een bewusteloze slaap. Tijdens een nachtdienst met Wendy had ze hen een keer vrolijk begroet na weer een paar dagen van de wereld geweest te zijn en op hun vraag wat ze wilde had ze olijk opgekeken en gezegd: “Ik wil wel een stukje fietsen”! Bart had daarop zijn fiets naar binnen gehaald waarna ze haar gezamenlijk op de bagagedrager getild hadden en was door de gangen van Cavadia gaan rijden terwijl Wendy haar krampachtig vasthield. Gierend van de lach had mevrouw Bakker vervolgens in de keuken acht boterhammen met pindakaas weggewerkt om als een blok weer in slaap te vallen. Het had ze aardig wat moeite gekost om haar weer in bed te krijgen.

Mevrouw Helwaard was altijd de rust zelve. Ze was een grote vrouw met een behoorlijke dementie en had een bovenarm zo dik als het bovenbeen. Dit vanwege een borstamputatie waarbij de lymfe klieren ook verwijderd waren en het vocht uit haar arm geen uitweg meer had. Ze sprak nooit en het enige wat Bart van haar hoorde was: “Jihih”, waarvan hij begrepen had dat dit een Scheveningse uitdrukking was en opgevat kon worden als een bevestiging.

 

Bart liep naar het bed van mevrouw Claeys: “Aah, Bonjour madam! Le mayonaise de la trottoir he!, riep hij haar toe en streek even over haar bovenhand. Zij kneep haar ogen dicht hiermee rimpels in haar voorhoofd trekkend als duinen in een woestijnlandschap en schreeuwde krakend: “Wat! Ligt er mayonaise op de straat”? Bart lachte en begon haar uit te kleden en te wassen nadat hij het kamerscherm zodanig geplaatst had dat er enige privacy was. Hij moest heel voorzichtig zijn met het manipuleren van haar armen en benen omdat ze erg gevoelig was en het uitschreeuwde als weer een pijnscheut door haar gewrichten gierde. Steevast mompelde ze daarna dan: “Merde”, om zich vervolgens weer te onderwerpen aan de gevoelige handen van Bart die haar desondanks toch de nodige scheuten bezorgde. Hij begon er altijd van te transpireren in zijn pogingen haar geen pijn te doen, telde onwillekeurig het aantal schreeuwen en was er trots op als dit minder was dan de vorige keren. Nadat ze was aangekleed pakte hij de stalen verpleegster. Dit was een constructie van stalen binten op wieltjes met een hangmat aan een soort hijskraan welke bediend werd met kettingen en katrollen. Bart wist dat er modernere uitvoeringen bestonden die hydraulisch bediend konden worden en sommigen zelfs elektrisch waren maar de financiële mogelijkheden van Cavadia lieten dit blijkbaar niet toe. Deze was tweedehands en pas sinds kort aanwezig. Bart had graag gezien dat de machine er was geweest na de val van mijnheer de Wit omdat je er zelfs iemand mee van de grond kon tillen. Hij rolde mevrouw Claeys op de hangmat, bevestigde de kettingen en trok haar ratelend van het bed. Na de stalen verpleegster een halve slag gedraaid te hebben liet hij haar zakken in de rolstoel waar ze half zittend, half rechtop eindigde. De hangmat liet hij onder haar liggen daar het ondoenlijk was om deze te verwijderen of weer aan te brengen als ze uit de rolstoel moest.

Na mevrouw Claeys naar de huiskamer gebracht te hebben ruimde hij zijn spullen op en kon mevrouw Helwaard gaan helpen. Deze dame was een stuk makkelijker te verzorgen daar ze zelf nog kon lopen en staan. Na haar een onderbeurt gegeven te hebben (jargon voor wassen van de onderkant van het lichaam) hielp hij haar op de rand van het bed, liet haar opstaan om vervolgens op de postoel plaats te laten nemen. Hij liet de dame vervolgens daar achter het kamerscherm zitten om mevrouw Bakker volledig op bed te wassen. Met enig geluk had mevrouw Helwaard haar ontlasting op de postoel gedaan tegen de tijd dat hij klaar was met de diep slapende dame en was ze daar voor de rest van de dag vanaf. Mevrouw Bakker was ‘een makkie’ en binnen twintig minuten had hij haar gewassen en een schoon nachthemd aangetrokken. Mevrouw Helwaard werd vervolgens van boven gewassen, ze had een kruisje op de deflijst verdiend wat betekende dat de postoel gevuld was met mooi bruine en consistente ontlasting (beroepsdeformatie was ook Bart niet vreemd) en voorzien van kleding waarna hij beiden ook naar de huiskamer bracht, Mevrouw Bakker in bed verblijvend.

 

In gedachten gymnastiek oefeningen doend begaf hij zich vervolgens naar de eenpersoonskamer van mijnheer Belt. Deze verbleef nu enige maanden in Cavadia, was hartstikke dement maar mobiel en een crime om te helpen. De goede man plaste en poepte dat het een lieve lust was en deed dit op alle plaatsen waar hij toevallig op dat moment was. De eerste maanden hadden ze hem in de nachtdienst steeds onder de douche gedaan nadat hij weer eens kleddernat en poep smerend in bed aangetroffen werd. Mijnheer Belt was daar niet van gediend en ondanks zijn hoge leeftijd kon hij met zijn tengere maar gespierde lichaam flinke klappen en schoppen uitdelen. Nadat de zoveelste nachtdienst ’s ochtends huilend bij de overdracht haar blauwe plekken en schaafwonden liet zien was de discussie losgebroken over hoe dit aan te pakken. Trudy had het voorstel gedaan om hem in de nacht niet meer te helpen maar gewoon te laten liggen wat op enorme weerstand stuitte. Het kon toch niet dat je iemand zomaar in de pies en poep liet liggen waarop Trudy beargumenteerde dat hij daar geen last van had en het alleen onze eigen beleving was van orde, reinheid en een schuldgevoel. Zij betoogde dat de beste man geen goede nachtrust kreeg en door moeheid daarom zo agressief werd, ook overdag. Nadat ze Anja ervan overtuigd had het een keer te proberen ging deze met de nodige moeite overstag. Na de eerste nacht was Bart met Trudy naar zijn kamer gegaan en troffen hem inderdaad in een zeiknat bed met bruine veegsporen op de lakens en een lucht als een in drie maanden niet uitgemeste varkensstal. Mijnheer Belt had zijn lakens ver over zich heen getrokken en was blijkbaar net wakker. “Ach, mijnheer Belt”, zei Anja: “wat een tocht hier, je zult het wel koud hebben”, waarop hij antwoordde: “Ja, koud, erg koud”. “Och arme, kom maar mee dan nemen we een lekkere warme douche, zul je van opknappen”. Mijnheer Belt klom razend snel uit bed en liet zich door Trudy meevoeren naar de badkamer en onder de douche zetten. Hij genoot zichtbaar van het warme water over zijn gespierde lijf en Trudy had geen kind aan hem. Hij was rustig en er was geen spoor van agressie te bekennen. Het ging zo goed dat Trudy tegen Bart zei het alleen wel af te kunnen en hij de kamer van mijnheer Belt schoon kon maken. Sindsdien ging het veel beter maar af en toe had hij toch nog een dermate kwade bui dat een cursus ontwijken geen overbodige luxe was. Het was lang niet zo erg meer als voorheen maar toch nog flink uitkijken geen oplawaai te krijgen. Vandaar de gymnastiekoefeningen in Barts hoofd. Gelukkig liet mijnheer Belt zich die dag goed en makkelijk helpen waardoor het schoonmaken van de kamer langer duurde dan zijn verzorging.

 

De volgende klant was mijnheer Picaro die naar beneden verhuist was vanwege zijn dwalende gedrag. Hij was verschillende keren op de trap aangetroffen wat als te gevaarlijk beschouwd werd. Beneden werkte meer personeel en verzamelden de verzorgenden zich tijdens pauzes in de keuken waardoor ze hem beter in de gaten konden houden. Mijnheer Picaro’s verzorging was de eenvoud ten top. Ondanks zijn overduidelijke dementie kon hij vrijwel alles zelf en moest alleen geholpen worden met de juiste volgorde. Het kwam regelmatig voor dat hij zijn overhemd al aan had om vervolgens een T-shirt erover heen te trekken en vaak wist hij niet goed wat hij met zijn pantalon aan moest. De man was altijd vrolijk en behulpzaam en geen onvertogen woord kwam zijn mond uit. Een zegen na mijnheer Belt en een opkikker als deze weer eens moeizaam geholpen was. Het echtpaar Picaro moest vroeger een bijzonder lief en aimabel stel geweest zijn. Zij was een vriendelijke dame, sterk modebewust en verzot op make up en bijouterieën. Ze verscheen nooit zonder lippenstift, rouge en hangende oorbellen waarbij haar voeten gestoken waren in schoenen met hoge hakken waarmee ze een perfecte imitatie deed van het gehakketak van Zr. Post, zij het zonder diens grimmigheid en slaande voordeur. Mevrouw Picaro voelde zich altijd beschaamd over de incontinentie van haar man en was altijd aan het zoeken naar middelen om te voorkomen dat hij nat werd en naar de urine stonk. Een keer was ze na een vakantie in Italië op de afdeling gekomen roepend dat ze de perfecte oplossing tegen de incontinentie had gekregen van een uroloog in Napels. Nieuwsgierig had ieder zich rondom haar verdrongen om deze nieuwigheid te kunnen bewonderen. Een klein doosje werd door haar opengemaakt en er verscheen een soort klem gepolsterd met zacht rubberen bekleding aan de binnenkant die met een klik systeem vastgemaakt kon worden. Deze moest geplaatst worden over de penis, vlak onder de eikel, en gesloten met het kliksysteem. Barts maag trok samen bij het aanschouwen van dit martelwerktuig en zijn instinctieve reactie door zijn benen bij elkaar te drukken met zijn handen in zijn kruis ontlokte mevrouw Picaro de nuchtere opmerking: “Geen goed idee”, waarna ze het doosje met inhoud rechtstreeks de vuilnisbak in kieperde. Later vertelde ze hem dat het ding haar 350 gulden had gekost maar dat ze blij was dat Bart haar duidelijk gemaakt had welk effect het apparaat op mannen bewerkstelligde en dat ze zich dat niet realiseerde. Bart was ooit nog eens van plan geweest op vakantie naar Italië te gaan maar had deze wens toen maar gauw laten vallen.

 

Zijn laatste bewoner die ochtend was mevrouw Meilink. Zij was dakloos en opgenomen vanuit het ziekenhuis waar ze met de handen in het haar zaten. Ze was pas achter in de zestig en leek redelijk normaal in haar doen en denken maar het was duidelijk dat ze een psychiatrische rugzak bezat. In het ziekenhuis was ze in een jaar tijd drie keer opgenomen. Een keer in januari, daarna in februari en vervolgens begin november. Ze leed steevast aan een enorm dik linkerbeen door dermate hoeveelheden vocht dat de huid het niet aankon en constant zweette waarbij een toenemend aantal littekens door scheurtjes haar been meer en meer begonnen te ontsieren. Onderzoeken hadden niets opgeleverd en plastabletten hielpen niet. Ten einde raad hadden ze haar ontslagen naar het verpleeghuis waardoor Cavadia er mee opgezadeld werd. Al na een paar dagen bleek dat ze 6 literflessen water in haar nachtkastje verborg die ze ’s nachts vulde en overdag leegdronk. Na een gesprek bleek uiteindelijk dat mevrouw Meilink er achter was gekomen dat haar been sterk reageerde op grote hoeveelheden vocht en daardoor opzwol. Ze begon veel te drinken tijdens de koude perioden in het jaar om zodoende opgenomen te kunnen worden en over een warm bed en voldoende eten te kunnen beschikken. Met het wegnemen van de flessen water was haar been nu tot acceptabele proporties geslonken en in afwachting van opname in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef ze tot het zover was nog op Cavadia. Haar verzorging was niet moeilijk, staan en lopen waren nog een probleem, en beperkte zich tot het ondersteunen naar de wastafel en begeleiden met omhoog komen en weer gaan zitten. Veel praten deed ze niet maar kon ook niet chagrijnig genoemd worden dus probeerde Bart altijd om haar zo snel mogelijk klaar te krijgen. Ze bleef altijd op haar slaapkamer en wilde geen contacten met de andere bewoners. Veel televisie kijken of naar buiten staren was alles wat ze deed en weigerde pertinent om deel te nemen aan gezamenlijke activiteiten. Hopelijk zou het niet lang duren voordat ze overgeplaatst werd om juist behandeld te kunnen worden.

 

De rest van de dag verliep met toiletteren, eten, mensen op bed verzorgen, koffie en thee geven, weer toiletteren en uiteindelijk de dagrapporten schrijven en overdragen aan de avonddienst. Bart hield van de ochtenden omdat hij dan lekker bezig was en de tijd snel verliep. De middagen waren vaak saai waarbij het toiletteren een zware en vervelende bezigheid was. Hij had de schurft aan sjoelbakken en liet dit altijd aan zich voorbij gaan. Hij hielp regelmatig bewoners met het geklieder met waterverf en ging als het even kon met iemand uit wandelen. Hij snakte er naar dat het eerste jaar van zijn opleiding voorbij zou zijn en hij in het tweede jaar meer mocht met verpleegkundige handelingen. Tot het zover was moest hij er maar van maken wat hij kon waarbij hij met angst en vrezen uitkeek naar de wekelijkse repetities van het kerstspel.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.