Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Waargebeurd
Geplaatst:
28 december 2015, om 08:38 uur
Bekeken:
440 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
233 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Jeugdige compassie hoofdstuk 4. Een mentale kwestie"


Hoofdstuk 4: Een mentale kwestie

“Zeg Bart, zou jij vandaag een intake willen doen”, Vroeg Trudy bij de ochtendoverdracht. Bart keek haar aan en bedacht zich dat hij dit inderdaad nog niet zelfstandig had gedaan ondanks dat hij nu een half jaar met de opleiding bezig was. “Natuurlijk wil ik dat. Om wie gaat het”? vroeg hij haar terwijl hij een nieuwe kop koffie voor zichzelf inschonk. “Willem Paanen, hij is 76 en komt uit Scheveningen, geboren en getogen. Hij heeft enige tijd geleden een hersenbloeding gehad en is halfzijdig verlamd. In het ziekenhuis kunnen ze niets meer voor hem betekenen en hij is te oud voor het revalidatiecentrum. Hij komt hier om te reactiveren”. “Hm, reactiveren betekent zodanig oppiepen dat hij zich enigszins met hulp kan redden”, bedacht Bart zich en vond het jammer dat hij geen echte revalidatie kon opstarten samen met de verpleeghuisarts en de fysiotherapeut. Hij zou wel zien hoe het ging lopen. Een intake doen betekende dat hij gedurende de tijd dat Willem Paanen in Navadus zou verblijven verantwoordelijk voor zijn zorg zou zijn. Wellicht kon er toch enige revalidatie gedaan worden.

Bart trof zijn voorbereidingen voor de opname. Hij controleerde de kamer waar dhr Paanen zou komen te liggen en legde alle paperassen klaar. Rond negen uur kwam hij aan in een rolstoel taxi vergezeld van zijn vrouw. Bart stelde zich netjes voor en nam de overdrachtspapieren van het ziekenhuis in ontvangst. Dhr Paanen was een enorm grote man. Zelfs zittend in zijn rolstoel kon Bart zien dat hij zeker over de twee meter lang was. Hij schatte dat zijn borstkas tegen een meter breed moest bedragen en dat hij ver over de honderd kilo woog. Niet dat dhr Paanen dik was, zeker niet. Hij was gewoon groot. De uitdrukking ‘handen als kolenschoppen’ was hier zeker op zijn plaats en zijn voeten waren gestoken in ‘schuiten van schoenen’. Een zeer indrukwekkende man met een vriendelijk en open gezicht maar met een vastberaden uitdrukking. Zijn echtgenote stak maar schriel bij hem af. Normale lengte en slank van postuur. Ze woog zeker niet meer dan de helft van hem. Na enige woorden gewisseld te hebben en Bart beide met mijnheer en mevrouw Paanen aangesproken had gaf zij aan dat ze het prima vonden om bij hun voornamen Willem en Elle genoemd te worden op voorwaarde dat zij hem ook bij de voornaam mochten noemen in plaats van ‘broeder’. Glimlachend bedankte Bart haar en verontschuldigde zich om de overdrachtspapieren uit het ziekenhuis te kunnen lezen. Dit was een korte beschrijving door een verpleegkundige aldaar opgemaakt van het ziektebeeld, zij het summier, medicatie en benodigde zorg. Willem Paanen had een hersenbloeding links doorstaan met als gevolg totale verlamming van het rechterbeen en de rechterarm. Ook had hij een afasie waardoor Willem onbegrijpelijke dingen zei. Hoe het met zijn verstandelijke vermogens zat werd helaas niet vermeld. Als laatste las Bart dat Willem een doorligplek op zijn stuit had en hoe deze behandeld moest worden. Blijkbaar was Willem in de weken dat hij in het ziekenhuis lag zijn bed niet uit geweest omdat er alleen een verslag over de bed verzorging te lezen was. Ook werd nog vermeld dat hij dagelijks fysiotherapie onderging. Het verslag daarvoor zat in een gesloten envelop die overhandigd diende te worden aan de verpleeghuisarts en de fysiotherapeut. Spraaktherapie door een logopedist was niet aan de orde geweest daar hier geen enkele vermelding van werd gemaakt.

Bart richtte zich tot Willem en vroeg: “Hoe is het nu met je Willem”? De grote man keek beurtelings hem en zijn vrouw aan: “G.. Go..Goed. Doofpot”, stamelde hij. De rechterhelft van zijn gelaat deed niet mee waardoor Bart tegen een expressief en een passief gezicht aan keek. De passieve kant met afhangend oog en afhangende mondhoek gaf hem de kriebels, het expressieve deel straalde kracht en vriendelijkheid uit. “Hij bedoelt dat hij graag koffie wil”, lachte Elle en Willem knikte met zijn grote hoofd driftig van ‘ja’. Bart verschoot van kleur en verontschuldigde zich. Het meest elementaire van een kennismakingsgesprek vergeten! Hij haalde koffie met een koekje op en schonk hen alle drie een kopje in. Zodra zijn kop was gevuld pakte Willem deze met zijn linker hand direct op en zette hem aan zijn mond. Elle gaf een kreetje en probeerde zijn hand tegen te houden voordat hij een slok van de hete vloeistof nam maar was iets te laat. Links ging een deel van de koffie zijn mond binnen, rechts gulpte er evenveel weer uit. Door iets met zijn linker oog te knipperen gaf Willem aan dat het zeer deed in zijn mond maar gaf verder geen krimp. Elle pakte het kopje voorzichtig van hem af en bette daarna met een zakdoek zijn mond en kin. Ook probeerde ze de ontstane vlekken in zijn geblokte overhemd te deppen wat deze alleen maar groter maakte. Bart nam de lichte schaamte waar bij Elle en besloot dit goed te onthouden. Hij had dit wel vaker gemerkt bij echtgenoten van bewoners. Schaamte over het gegeven dat de ander niet meer kon wat gewoon was wat de nodige spanning teweeg kon brengen tussen de echtelieden. Het gesprek wat zich daarna ontspon kenmerkte zich door Bart die vragen stelde aan Willem en Elle die steevast antwoord gaf. Bart liet dit maar zo alhoewel hij hierdoor niet de kans kreeg erachter te komen of Willem hem wel goed begreep. Deze kans zou hij later wel krijgen als Elle er niet bij was. Na een half uur raapte Bart de papieren bij elkaar en rangschikte deze in een dossier. Hij was in het gesprek te weten gekomen dat Willem zijn hele leven in de haven van Scheveningen gewerkt had, uiteraard in de vis, geen specifieke hobby’s meer had maar in zijn jonge jaren meerdere keren bokskampioen zwaargewicht van Zuid-Holland geworden. Bart had een heel prettige indruk van beide mensen gekregen. Elle praatte graag zonder een kwebbelkous te zijn en Willem maakte een rustige en beheerste indruk. Wel leek hij regelmatig afwezig te zijn en niet te volgen wat er gezegd of gedaan werd. Af en toe probeerde hij antwoord te geven op zijn vragen waar Bart geen chocolade van wist te maken. Elle ‘vertaalde’ zijn woorden dan steevast waarbij Bart de indruk had dat ze er een slag naar sloeg en ook niet goed begreep wat Willem bedoelde. Deze leek dit helemaal niet erg te vinden maar bleef vriendelijk kijken. Bart liet hen de nieuwe kamer zien en liet ze toen alleen met de boodschap dat de verpleeghuisarts ook nog langs zou komen voor een gesprekje.

De volgende ochtend vernam Bart via de overdracht van de nachtdienst dat Willem de avond ervoor zelf zijn bovenkleding had uitgetrokken en zeer behulpzaam was bij het ontdoen van zijn onderkleding en aantrekken van een T-shirt in plaats van een pyjama. Hij had goed geslapen en paste zich blijkbaar heel goed aan de nieuwe situatie aan. Hij had een urine fles in bed welke hij goed gebruikte. Na gebruik was de fles helaas wel een keer leeggelopen in bed waardoor de nachtdienst deze helemaal moest verschonen. Ook hierbij was Willem heel behulpzaam en maakte goed gebruik van de bedhekken om zich op zijn zij te draaien. Na de overdracht pakte Bart zijn spullen bij elkaar en begaf zich naar Willems kamer. “Goedemorgen Willem! Goed geslapen”, riep hij hem toe terwijl hij de gordijnen opentrok. Willem knipperde even met zijn linker ooglid tegen het scherpe licht: “J.. ja. Doofpot”? Bart lachte: “Eerst maar even uit bed en aankleden Willem, ik zorg dan dat je koffie krijgt”. Bart vulde de waskom met warm water en zette deze op het nachtkastje naast het bed. “Ik denk dat het beste is om je eerst van onderen te wassen en zover mogelijk aankleden. Dan help ik je in je rolstoel. Daarna kunnen we je van boven wassen. Is dit goed”? Willem knikte van ‘ja’ en gooide zijn dekens van zich af naar het voeteneind. “Je hebt er zin in Willem”! lachte Bart, pakte washand en zeep en waste hem van onderen tot aan zijn middel. “Nu je achterkant nog”, Willem greep met zijn linkerhand het bedhek en trok zich met een vloeiende beweging op zijn zij. Het wassen van de achterkant ging al even makkelijk. De stuitwond was bedekt met een of andere substantie die minimaal een week moest blijven zitten volgens de verpleeghuisarts dus liet Bart na om hier aan te zitten. Op Barts commando duwde Willem zich weer tegen het bedhek af en rolde terug op zijn rug. Blijkbaar had hij hier de grootste lol in gezien zijn pretogen, grote glimlach en licht schudden van zijn buik. Bart pakte de rolstoel, zette hem naast het bed en liet deze tot de laagste stand zakken. “Nu komt het moeilijkste denk ik Willem. Ik pak je benen en laat deze over de rand van het bed zakken. Dan pakken we elkaars arm en help ik je overeind. Als het moeilijk gaat haal ik er iemand bij”. Direct veranderde het gezicht van Willem en werd ernstig. Bart pakte zijn benen, sleepte deze over de rand tot de knie en bood zijn linkerarm aan. Willem pakte zijn hand en Bart geleidde deze tot ze elkaar bij de elleboog vasthielden. Bart probeerde zijn lichte onrust niet te laten merken. Willem hadden ze gisteravond gewogen en hij bleek 121 kilo te wegen. Zijn magere 57 kilo stak daar schril bij af. Hij overwoog om voor de zekerheid er toch maar iemand bij te halen maar besloot dit niet te doen daar iedereen het al zo druk had en Willem goed meewerkte. “Ik tel tot drie en op drie kom je overeind zitten”, waarschuwde Bart en wachtte even op een bevestigend knikje van Willem. Op de derde tel trok Willem zich overeind waarbij Bart zijn miezerige kilo’s naar achteren liet hangen om tegenwicht te kunnen bieden. Heel gemakkelijk zat Willem snel op de rand van het bed en keek triomfantelijk om zich heen. “Mooi”, riep Bart: “Fantastisch gedaan”, en in antwoord hierop balde Willem zijn linkervuist en schudde deze heen en weer ten teken dat hij ook tevreden was. Zijn ogen schitterden en kregen een licht fanatieke uitdrukking. Willem pakte met zijn linkerhand vervolgens de armsteun van zijn rolstoel vast en schoof zijn achterwerk in één keer op de zitting. Zijn rechterbeen wilde niet direct mee maar met een schop van zijn linker voegde dit lichaamsdeel zich naar de gewenste positie. Bart was verbaasd over de eenvoud en snelheid waarmee dit ging. Het leek alsof Willem dit veel vaker gedaan had maar uit de overdracht had hij begrepen dat hij in het ziekenhuis zijn bed niet uit geweest was. Bart reed de rolstoel naar de wastafel en miste daardoor de steeds fanatiekere uitdrukking op het gezicht van Willem onderstreept door zijn opgetrokken bovenlip waardoor aan de linkerkant van zijn gezicht de tanden zichtbaar werden. Hij zette de rolstoel op de rem en ging er naast staan. Willem greep de kraan bij de draaiknoppen beet: “Sta… Staan! Lo.open”, mompelde hij en begon zich overeind te trekken aan de kraan. Bart schrok en probeerde Willem op zijn schouders drukkend terug te krijgen in de rolstoel. Willem grauwde, ging zitten, keek opzij en flitsend knalde zijn gebalde vuist op het jukbeen van Bart. Deze wankelde achteruit en struikelde daarbij over zijn eigen benen waardoor hij onzacht met de vloer in aanraking kwam. Pijnlijk wreef hij over zijn jukbeen, bedacht zich met nuchterheid dat hij blij was dat hij opzij van Willem stond en niet voor hem en keek toen met afgrijzen naar diens pogingen om overeind te komen, trekkend aan de wastafel. Langzaam rees het enorme lichaam op vanuit de rolstoel, viel weer even terug en kwam toen weer omhoog. “Godverdomme! God, god, godverdomme”, schreeuwde Willem en trok zich vervolgens met één ruk overeind en stond half gebogen voor de wastafel. Zijn rechterknie snokte naar achteren, kwam bijna in een hoek van 45 graden te staan en langzaam zeeg Willem naar rechts, traag als een standbeeld die omgetrokken wordt. Sneller en sneller ging zijn val terwijl Willem nog één poging deed zich staande te houden aan de wastafel die met luid gekreun los kwam van de muur en halverwege bleef hangen aan de mishandelde bouten. Met een bons klapte zijn bovenlichaam op de vloer waarbij de trillingen rammelende geluiden veroorzaakten bij alles wat los zat in de kamer. De deur vloog open en Mijntje en Suzanne renden de kamer in. Mijntje overzag de situatie direct en boog over Willem heen terwijl zij Suzanne gebaarde zich om Bart te bekommeren. Stoer wuifde Bart de hulp weg daarmee de pijn in zijn jukbeen en staart botje negerend. Mijntje legde een kussen onder het hoofd van Willem en riep naar Suzanne dat zij de verpleeghuisarts moest halen. Willem lag intussen snikkend op zijn zij waarbij zijn grote lichaam schokte en beurtelings spande en ontspande hij zijn linkervuist. Bart kreeg een brok in zijn keel bij deze aanblik en voelde zich heel schuldig over de situatie. Hij had dit niet alleen moeten doen maar zijn instinct moeten volgen en hulp halen. In gedachten was hij al bezig met de toorn van Zr. Post en hij voelde dat er een eind was gekomen aan zijn loopbaan in de zorg. Nadat de arts had vastgesteld dat Willem niets mankeerde legden ze hem met vereende krachten terug in bed. Met zijn vieren hadden ze hier een hele kluif aan aangezien Willem volledig in zichzelf gekeerd was en niet mee- maar ook niet tegen hielp. Mijntje keek Bart aan, bezag zijn rode wang en nam hem mee naar de keuken om hier een ijspakking op te doen. “Ga maar even in het kantoor bijkomen van de schrik, ik moet verder met de mensen uit bed halen”, zei ze. Bart voelde dit aan alsof zij zijn hoofd op het hakblok legde om vervolgens Zr. Post de gelegenheid te geven met de bijl uit te halen om zijn kippennek in tweeën te splijten. Na een half uur in het kantoor gezeten te hebben, waarbij hij zichzelf continu verwijten maakte en waarin Suzanne tot twee keer toe haar hoofd om de deur stak om te informeren hoe het met hem was schreed Zr. Post naar binnen. Schreed, ze hakketakte niet, ze vloog niet maar kwam rustig binnenlopen. Tegenover hem gezeten pakte ze zijn kin en bekeek zijn inmiddels blauwrood geworden wang met professionele aandacht. “Wat is er gebeurd”? vroeg ze met zachte stem. Totaal in de war gebracht vertelde Bart de hele situatie van begin tot eind, hierbij steeds vermeldend waar hij de fout in was gegaan en dat hij er zo’n spijt van had. Toen hij klaar was glimlachte Zr. Post wat hem een valse grimas leek. “Weet je Bart, iedereen maakt fouten en vandaag heb jij een grote gemaakt. Het is echter je eerste en ik verwacht dat hiermee je overmoed wel flink bekoeld zal zijn en je hem niet weer maakt. Ik hoor je spijt en geloof dat deze echt is. Je kunt weer aan het werk gaan op voorwaarde dat je Willem en je collega’s je excuses aanbied”. Bart keek haar verbaasd aan en vroeg zich net af of ze misschien gedronken had toen ze met een ruk opstond: “Mars”, riep en hakketakkend naar de deur ruiste en ogenschijnlijk zonder hem aan te raken opende en verdween. Het gehakketak stierf snel weg en na de knal van de voordeur bleef het stil. Het duurde zeker 5 minuten voordat Bart opstond en naar de kamer van Willem liep. Hij bleef naast het bed staan en keek naar Willem die vriendelijk naar hem opkeek. “Sorry Willem voor de situatie van daarnet. Ik had het niet alleen moeten doen en ik kan niet genoeg zeggen hoe het me spijt”. Willem glimlachte niet begrijpend, keek even naar de blauwrode wang van Bart en mompelde: “D.. Doofpot”?

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.