Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Spanning/Thriller
Geplaatst:
20 maart 2015, om 02:17 uur
Bekeken:
547 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
188 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Plastic Paradijs"


Karel ontwaakte in een kamer die de zijne niet was. Met een uitdrukking vol verbazing ging hij rechtop zitten en keek eens goed rond. Het bed waarop hij lag leek een plastic matras te hebben, maar toen hij met zijn vingers er overheen streelde, voelde het wel gewoon aan als katoen of een andere stofsoort. De kast, die voorbij het voeteneind stond, glom ook enorm. Hij stond op en liep er naartoe. Na de deuren te hebben geopend, zag hij dat er meerdere broeken en overhemden netjes op een rij aan kleerhangers hingen. Alle broeken waren donkerblauw van kleur. De overhemden lichtblauw. Hij dichtte de deur en door de glans kon hij een reflectie van zichzelf zien. Het bleek dat Karel al precies zo'n outfit droeg. Hij kon zich niet herinneren deze kleding ooit gekocht te hebben.

Nog steeds wist hij niet waar hij nu precies was, dus besloot hij de rest van het appartement waarin hij zich bevond te onderzoeken. Al de rest van het meubilair had precies zo'n glans als het bed en de kast. Er stonden echter nergens foto's, zodat Karel nog steeds niet wist van wie dit alles nu was. In het zitgedeelte zaten ook ramen, dus besloot hij om naar buiten te kijken. Daar zag hij redelijk wat mensen heen en weer lopen en met elkaar praten. Het viel hem op dat alle mannen in exact dezelfde kleren als hijzelf rondliepen. Ook de vrouwen droegen allemaal hetzelfde; een zwarte rok met een rood topje. Het leek Karel alsof hij gevangen zat in een rare droom. De mensen die hij buiten zag lopen, leken er wel allemaal behoorlijk gelukkig uit te zien. Hij had vanwege dit feit de hoop dat dit geen nachtmerrie werd.

Karel had niet echt een idee wat hij nu gaan doen moest, dus besloot hij maar om naar buiten te gaan. Wellicht kon hij daar hints vinden met betrekking tot zijn huidige locatie en hoe hij eventueel weer thuis zou kunnen komen. Hij opende de voordeur van het appartement en kwam op een soort overloopje terecht, waar hij ook deuren naar andere appartementen kon zien. Terwijl hij van de trap af liep, probeerde hij zich te herinneren wat hij de dag voor deze gedaan had, maar het lukte nog niet zo. Op het moment dat hij zich op de begane grond bevond, daalde het besef bij Karel in dat hij zich eigenlijk bijzonder weinig kon herinneren van zijn leven in het algemeen. Zo wist hij zijn achternaam niet meer en ook zijn geboortedatum kon hij zich niet meer heugen.

Hij stapte het gebouw uit en keek eens goed om zich heen. De zon scheen, de vogeltjes waren aan het fluiten en door de gehele straat klonken er vrolijke gesprekken.
"Hallo!" hoorde hij een vrouwenstem zeggen. Hij keek opzij en zag daar een vrolijke mevrouw staan.
"Bent u nieuw hier?" vroeg ze met een enorme glimlach op haar gelaat.
"Dat weet ik nog niet zo goed." antwoordde Karel.
"Waar is 'hier' eigenlijk?" vroeg hij aan de vrouw. Ze bleef glimlachen, maar zei aanvankelijk niets terug. Karel probeerde het daarom nogmaals.
"Hoe heet deze plaats?"

Hij kreeg wederom geen antwoord van de vrouw. Ze draaide zich weg van Karel en begon een gesprek met een andere man. Karel begreep er niks van en sprak zelf iemand aan.
"Hallo." zei hij voorzichtig tegen een man.
"Ach, hallo! Bent u nieuw hier?" vroeg de man op een bijzonder opgewekte manier. Karel besloot om de zaak deze keer anders aan te pakken.
"Ja!" gaf hij de man als antwoord, terwijl hij zijn opgewektheid veinsde.
"Het is hier echt prachtig!"
"Inderdaad!"
"Maar hoe heet het hier eigenlijk?"
"Hier? Dit is de hoofdstraat!"
"O! Wat interessant! Maar eigenlijk bedoelde ik de naam van deze stad! Of is het soms een dorp?" vroeg Karel. Hij probeerde zo voorzichtig mogelijk informatie los te peuteren bij de man, maar deze man leek net als de vrouw waarmee Karel eerder sprak vast te lopen. Hoewel de glimlach strak op zijn gezicht bleef staan, wandelde hij niet al te veel later gewoon verder, Karel in onzekerheid achterlatend.

Gesprekjes aangaan met de andere mensen in deze straat had blijkbaar niet bijzonder veel zin. Karel besloot om dan maar zelf op een ontdekkingsreisje te gaan. Hij bleef door de straat lopen, tot hij plots twee bekende gezichten zag zitten in een restaurantje waar hij langs liep. Hij keek twee mannen aan, maar hun beider namen kon hij zichzelf zo één twee drie niet meer voor de geest halen. Hij tikte op het raam om de aandacht te trekken, en ze keken terug. Ze leken hem ook te herkennen en lieten Karel op een non-verbale wijze weten dat hij daar ook naar binnen moest gaan om zich bij hen te voegen. Gezien deze twee mannen de eerste mensen met een min of meer neutrale gezichtsuitdrukking waren die Karel tegen was gekomen sinds zijn ontwaking, besloot hij om te gehoren. Wellicht hadden deze mannen wel antwoorden voor hem.

"Hee, ik ken jullie toch?" vroeg hij aan de mannen.
"Ja, jij bent Karel!" zei één van hen.
"Dat klopt! Maar ik weet niet meer hoe jullie heten."
"Ik ben Barend en dat is Bert. Volgens ons zijn wij collega's van elkaar. Misschien ben jij ook wel een collega van ons." Ineens kreeg Karel een stukje van zijn geheugen terug.
"Ja. Ja! Verrek! Bert, jij zit altijd tegenover mij in de bus!"
"O ja?"
"Zeker weten! En jij, Barend, volgens mij bestuur jij de bus."
"Ben ik buschauffeur?" vroeg Barend zich hardop af. Hij keek naar de kolenscheppen die zijn handen waren.
"Dit lijken mij niet de handen van een buschauffeur."
"Nee, mij ook niet. Misschien doe je wel iets anders naast je werk. Een hobby in een tuin of zo." suggereerde Karel, maar Barend bleef sceptisch.
"Neh, zoiets zou ik nooit doen. Bovendien woon ik hier vlakbij in een appartementje."
"Ja, maar wij komen hier niet vandaan toch?"
"Nee, volgens mij ook niet, Karel. Maar waar komen wij wel vandaan?"
"Dat weet ik niet meer. Ik heb al aan mensen die ik niet ken gevraagd hoe deze stad of dit dorp heet, maar de mensen geven helemaal geen antwoord."
"Zouden we soms in een droom zitten?" vroeg Bert zich hardop af. De andere twee mannen schudden met hun hoofden van niet.
"Het lijkt mij vreemd dat we elkaar zou tegen zouden komen in elkaars droom. Bovendien hoor ik nooit mensen praten in mijn dromen, en jullie twee hoor ik toch echt wel. Ook het geroezemoes van de andere mensen om ons heen kan ik vrij duidelijk horen. Nee, dit is absoluut geen droom." sprak Barend. Karel had ondertussen ook plaatsgenomen aan het tafeltje waaraan Barend en Bert zaten en las de menulijst eens door.
"Heb je honger?" vroeg Bert aan Karel.
"Nee, ik zoek naar het adres van dit restaurantje. Misschien staat er een plaatsnaam bij en weten we in ieder geval waar wij zijn." antwoordde hij, het menu aflezend. Maar dit bracht ook geen soelaas.

Ineens klonken er wilde kloppen op het raam. De drie mannen keken op en zagen dat er nog een bekende stond. Deze man was iets ouder dan zij waren en zag er bijzonder kwaad uit. Hij kwam het restaurantje binnenrennen en greep Bert bij zijn keel.
"Ontzettende sukkel die je bent!" schreeuwde hij Bert in zijn gezicht.
"Hey doe eens rustig!" riep Bert terug, maar de man luisterde niet echt.
"Alles is verpest! Dankzij jou!"
"Waar heb je het over?!" gilde Bert uit. Karel en Barend probeerden Bert uit de handen van de boze man te bevrijden.
"Barend, Karel, waarom zijn jullie niet laaiend op hem?!"
"Waarom zouden wij laaiend moeten zijn?!" riepen zij in koor terug. Ze hadden geen idee wat er aan de hand was.
"Deze sukkel hier, heeft onze grote kans op vijftien miljoen euro verpest. En niet alleen dat, hij heeft er ook nog eens voor gezorgd dat wij allemaal dood zijn!"
"Dood?! Wacht... Dood?!" Karel begreep er alsmaar minder van, maar de woedende man had hij inmiddels wel herkend als een derde collega.
"Vijftien miljoen euro?!" riep Barend vervolgens uit.
"Ja, dood! En ja, vijftien miljoen! Deze flapdrol liet zijn explosieven te vroeg afgaan!"
"Ho eens even! Leg het allemaal eens uit."
"Waarom doen jullie alsof jullie niets meer weten?!"
"Kijk eens om je heen, Fred. Waar zijn we?!" schreeuwde Barend de boze man toe, die Fred bleek te heten. Fred liet Bert zakken en keek eens om zich heen. De razernij had hem dusdanig blind gemaakt, dat de gehele situatie met de goedlachse mensen, die allen dezelfde outfits droegen, en de meubels en gebouwen gemaakt van plastic nog niet goed tot hem doorgedrongen was.
"Ja... Waar zijn wij in hemelsnaam?" vroeg ook Fred zich nu hardop af.
"Fred, ik kan mij niet voorstellen hoe onvoorstelbaar dom jij bent! Kom je hier eerst luidkeels verkondigen dat we allemaal dood zijn, terwijl we hier gewoon staan, als personen van vlees en bloed, en weet je daarna ook al niet waar we zijn!" zei een woeste Barend.
"Maar weten jullie het echt dan niet meer, jongens? We zijn echt dood, hoor." bleef Fred maar volhouden.
"Leg het dan uit!" moedigde Karel hem nogmaals aan.
"We zouden de bank gaan beroven! Jij, Barend, jij zou de vluchtwagen besturen." begon Fred uit te leggen. Er werden alsmaar meer puzzelstukjes op de juiste plaats gelegd in het geheugen van Karel. Dit was natuurlijk hoe hij Barend en Bert had herkend. Barend zat achter het stuur van het busje, dat gebruikt zou worden bij de overval. Bert en Karel zaten achterin, tegenover elkaar.
"En jullie twee, jullie zouden met mij meegaan de bank in. Verkleed als ongediertebestrijders zouden wij de kluis leegroven. We zouden een deel van de muur eruit blazen met een handgranaat. Maar jij..." zei Fred, terwijl hij Bert wederom naar de keel greep.
"Jij vond het nodig om wapens te trekken doen je de beveiliging aan zag komen lopen. En dat terwijl ze ons alleen als ongediertebestrijders zouden herkennen"

"Dus deze sukkel, hier." vertelde Fred verder, terwijl hij Bert met zijn gezicht tegen de bar smeet."
"Deze sukkel had zijn handgranaat al in zijn tengels. Het pinnetje had hij al weggegooid. De beveiligers hadden zelfs op dat moment niets door. Om te voorkomen dat deze idioot ons op zou blazen, gaf ik hem het bevel om de granaat maar weg te gooien. Weten jullie nu weer waar hij zijn granaatje naartoe wierp?" vroeg hij Barend en Karel, maar dit wisten ze niet meer.
"Recht tegen de muur aan. De granaat stuiterde terug en ik sprong alvast snel aan de kant, maar het was te laat. Hij knalde, precies onder het busje en tussen Karel en Bert in, uit elkaar. Jullie waren meteen dood. Ik zag nog enkele tellen van de ravage, waarna ik ook het slachtoffer van de onkunde van Bert werd." eindigde Fred.
"En nu zijn we dus dood..." stelde Barend vast, waarna hij om zich heen begon te kijken. Al snel raakte hij in paniek, zo merkte ook Karel. Niet alleen vanwege de vreemde wereld waarin zij allen verzeild waren geraakt, maar ook wegens het feit dat alle andere mensen, diezelfde mensen die eerder zo vrolijk keken, nu massaal op het restaurantje af waren gekomen. De glimlachjes waren verdwenen. Er waren alleen duistere blikken te zien. Ook de mensen die al in het restaurant waren hadden zo'n gezichtsuitdrukking gekregen.
"Jullie zijn niet zo aardig." stelde een ernstig kijkende vrouw vast, waarna ze een stap in de richting van de vier mannen zette.
"Jullie zijn niet zo aardig." zeiden een aantal andere mensen ook. Karel en zijn collega's gingen met hun ruggen tegen elkaar staan, terwijl de boze menigte elkaar herhaalden en alsmaar dichterbij kwamen.
"Jullie zijn niet zo aardig." klonk het nogmaals, massaal.

Karel ontwaakte in zijn bed en ging rechtop zitten. Hij keek naar buiten en zag dat het een stralende dag was.
"Wauw, wat een perfect weer!" riep hij enthousiast door zijn appartement heen. Hij stond op van zijn perfecte bed en liep zijn perfecte badkamer in.
"Mijn haar zit echt goed vandaag." zei hij, zijn perfecte uiterlijk goedkeurend. Gezien de stralende dag leek het Karel een goed idee om maar eens naar buiten toe te gaan. Van zo'n perfecte dag kon hij maar beter gebruik maken. Hij opende zijn perfecte voordeur, waarna hij van de perfecte trap afdaalde en via nog een perfecte deur naar buiten stapte. Daar stond hij dan te stralen, op deze stralende dag. Hij aanschouwde de andere perfecte inwoners van deze gemeenschap. Karel keek opzij en zag daar een vrouw staan.
"Goedemorgen, meneer!"
"Goedemorgen, mevrouw! Wat een perfecte dag is het vandaag, niet?"
"Zoals u zegt, meneer. Het is perfect! Een prettige dag nog!"
"Insgelijks!" groette Karel de vrouw. Plots kwam er een man voorbij wandelen. Het viel Karel op dat deze meneer over redelijk grote handen beschikte; een opvallend kenmerk in deze perfecte wereld. Ergens in zijn achterhoofd zag de man er wel redelijk bekend uit, maar Karel had geen zin om uit te zoeken of hij deze meneer daadwerkelijk kende. Hij zou eens goed profiteren van deze perfecte dag.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.