Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Overige
Geplaatst:
15 februari 2014, om 20:33 uur
Bekeken:
465 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
176 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Sinaasappelen - Afl. 4 (slot)"


 

Nadat Goos de laatste branddeur open had geschoven zag Arjo een bleke hemel gloren, met in de laagte een niet te definiëren zwartig binnenpleintje.
    Aan de hoge weerschijn te zien werd al ochtend. Goos posteerde zich op het balkon en  wees schuin voor zich uit: "Arjo! Ziehier! De fabrieken dus!.. Niet wegkijken en ogen open!" Hij had zich gemetamorfoseerd tot een onverbiddelijke onderwijzer die Arjo tot enige reserve bracht.  – Hoe komt hij aan mijn naam? dacht hij. Die heb ik niet onthuld, dat staat vast. –
    Toen hij beter keek zag hij een kleine binnenplaats beneden, aan alle kanten omsloten door de fabrieksgebouwen. Op een modderig vierkant – meer modder dan groeisel, stonden twee krotten, bijna zwart en vrij groot, dicht tegen elkaar aan en omringd door hopen verlepte groente en vuilnis. De fabrieken vulden het restant van de hemel met luchtbruggen, persleidingen en laadapparatuur, waar in vlagen damp overheen trokken. Arjo voelde dat het bloed uit zijn gezicht wegtrok. "Jezes! wonen daar nog mensen?" vroeg hij ontzet. "Zo dicht onder de fabrieken? in die smerigheid? –
    "Je ziet dat het geen luxe is dat ik je het laat zien," antwoordde zijn begeleider, met nog dezelfde nadrukkelijkheid. "Maar dat niet alleen: zie je bijvoorbeeld dat het daar maandag is?"
    Ja het wàs daar maandag, dat voelde hij duidelijk, de slechtste dag van de week, niet het minst door de armoedige geur van nat wasgoed die aanwoei. "Wassen op maandag," herhaalde Arjo... "het kan niet anders of het is daar eeuwig maandag... elke week..."  totdat ieder zijn dood onvermijdelijk door hogere machten is beslist."
    De hemel kleurde iets lichter, of misschien wenden zijn ogen. Alles was gelijkmatig donkergrijs als op een ochtend met motregen; geen spoor van de zonsopgang meer te bekennen.
    Goos de wakerman vervolgde, nu niet meer docerend als een schoolmeester: "Ik zei het je!  Kijk maar goed, zoals ze daar staan, die twee dode lijken, zie je ze?" Het was of hij zich schaamde voor zijn eerdere gestrengheid. Hij zag er ook anders uit dan daareven: met een lang roodachtig gezicht en een overdreven kuif die zijn voorhoofd overwelfde. Hij leek op Thijs, maar toch ook niet. – Wie is het? dacht Arjo oogknipperend. Ken ik iemand met zo'n belachelijk uiterlijk?..
    Hij keek weer omlaag, het was of hij een ziek lichaam met wanstaltigheden aanschouwde, een melaats binnenkwadraat met nog meer problemen. Het kon geen mens genezing bieden, maar toonde onbeschaamd hoe de zaken ervoor stonden, de bron, de oorzaak van gebreken, ziektes, dwalingen in de hersenen, oorlogen en doodgaan. En hij geloofde dat zonder voorbehoud, omdat dat hem een universele en onweerlegbare waarheid toescheen.
    "O ja!" riep hij met afgrijzen. "Natuurlijk! – Maar meneer Goos houd met mij een beetje rekening! Ik kan hier niet tegen. Vooral nu niet... ik voel me zwak van geest." 
    Maar beneden lag het; het leek of hij, net als de waker, zijn verdere leven zou moeten slijten in wasserijgeur, kachelrook en geroosterd brood op maandag, – in het leven geroepen door onaantastbare machten, die onverschillig toekeken vanaf de overkant.
    –"Natuurlijk," riep hij. "Maar dat wist ik al van vroeger, van heel lang geleden wist ik dat al, maar er zijn nu eenmaal dingen die je vergeet,
erg genoeg, – die vergeet je."
    – "Nog een belangrijk aspect," zei de wachtman onverstoorbaar. "De doelloze mens! De wens om met regelmaat verrast te worden door een exotisch avontuur of onverwacht intermezzo, opdat zulks voor enige tijd de eigen problemen onzichtbaar maakt. Een rode autobus of trein ziet men binnen rijden, – wat absoluut niet kàn! – Zulk soort mensen heeft geen zicht op een leven als afgerond geheel!...
    Wat daarom van belang is is dat iedere dwangmatigheid eenvoudig moet worden doorbroken! Dacht je dat het míj wat kan schelen als ik morgenochtend van mijn werk kom en mijn vrouw heeft de was in de kamer gehangen omdat het regent en er geen geld is voor een droger. Dat het binnen benauwd is en ruikt naar armoede? Er alleen nog een blikje knakworstjes is ingeslagen voor op brood ?!
    – Ik zal je zeggen!" riep hij. "Dat heeft op mij niet het minste effect!"
    Nadat hij deze woorden bijna had uitgeschreeuwd, wapperde zijn stofjas flauwtjes, alsof de wind te lui was geworden, of niet lui, maar met weinig kracht. Goos' betoog werd onbegrijpelijk, zijn haren kleefden in zijn ogen, telkens moest hij ze er uitwrijven. Hij dartelde onberekenbaar over het balkon, lachte luid en stampte met de voet. "Apropos," riep hij olijk, "heb je het al eens met jenever geprobeerd?" Daarna haalde hij een kammetje door zijn haar; ach het was immers allemaal onzin, en voornamelijk omdat Arjo opgevrolijkt diende te worden, omdat deze, zoals hij immers beweerde, een beetje ziek was.
    – Arjo lachte dapper mee, maar niet van harte. Nu zijn gids zijn relaas leek te hebben beëindigd, zweeg deze en staarde somber voor zich uit. Arjo meende dat hijzelf opnieuw was ontwaakt en zei: "Denkt u dat het belangrijk is?" Hij keek omlaag en zag een paar  kleine kinderen die speelden in het slijk om de huizen; zij waren zo vuil dat ze nauwelijks van de modder waren te onderscheiden. Het was naar en deed aan oorlog denken.    
    Hij kon geen antwoorden bedenken, al wreef hij zich ook met allebei zijn vuisten over zijn voorhoofd. Wachtman Goos had zijn gezicht in zijn handen gevat, en vroeg vol aarzeling: of hij soms terug wilde of nog blijven? Twijfel, besluiteloosheid scheen zich van hem meester te hebben gemaakt; het scheelde niet veel of hij zou gaan huilen, omdat hij Arjo niet had kunnen overtuigen van zijn harde waarheden. Maar hij ging uiteindelijk zitten, schrijlings op de leuning die langs de hele muur liep.
    "Zou het misschien van importantie zijn te weten wie daar woont?" vroeg Arjo om hem een beetje op weg te helpen.
    – "Ze wòrden bewoond!" De waker zei het ongeduldig alsof hij dit al bij herhaling had gezegd. "Heb je soms medelijden met hen?.."
    Zeker had hij dat, door de krothuizen met hun bedompte slaapzolders en alkoven. En door de kinderen, vooral naar hen keek hij nog, en meerdere malen.
    "Het is naar; ik wil dit niet meer zien," zei Arjo.   
    Langzamerhand werd het dag, en het was of een waas van nuchterheid over het geheel trok. Of alles daarstraks zijn diepe geheimen had laten zien in een flits, iets in hun binnenste, iets wat streng verboden was geweest, maar dat nu in dit ochtendlicht niet meer geldig was.
    – Nu ja, wat deed het er toe... Het leek hem of hij er weer wat beter tegen kon; de koude lucht had hem verkwikt; hij zou verder gaan, hij moest wel... Goos scheen weer vol goede moed, had zijn zoekgeraakte gedachten hervonden, sprong van het hek en hield de ijzeren buitendeur gedienstig voor hem open. – Arjo bleef nog even staan... twijfelend...
    Toen liep hij achter hem aan. "Ik ga naar huis," zei hij, "ik voel me niet lekker, ik denk dat ik koorts heb opgelopen door de kou." Het leek of hij ieder ogenblik in bulderend lachen kon uitbarsten
    – "Ja, dàt is dan het beste," zei Goos verstrooid. Ze repten zich door de holle ijzeren gang boven de gebouwen terug. – In het bedompte portiershok bedankte Arjo hem en nam ongewoon haastig afscheid van zijn vriend Thijs.
   
De morgen brak aan. Het werd een prachtige, lichte en windstille voorjaarsochtend, met iets aarzelends, nevelachtigs. Of de aarde een nieuwe geboorte onderging. Dat voelde als een snijdende constatering die hem bijna aan het huilen maakte, omdat het zo direct van doen had met zijn ziekte. –
    De terugweg naar huis... niet dat hij zou treuzelen... maar die ging wel anders... hij sloeg willekeurig een straat in, een weg die hem uit het sinistere doolhof der fabrieken een ontkomen leek.
    – Ach, Thijs en diens collega's... de bevuilde bouwsels, de koffie... ze bestonden of ze bestonden niet: het maakte allemaal niets uit; de rode autobussen... de krotten met die kinderen... die hoorden eveneens in dat rijtje. Tenslotte vroeg hij zich af, beeld ik me dit soms allemaal in; is die hele ziekte van mij soms alles inbeelding? –
    Goed... nu goed... een tot nu toe half verborgen gebleven algehele gekte, oké, het probleem der bezetenheid samengevat in twee tegen elkaar gedrongen gammele waarheden op wasdag; nu goed, dat gaf op zichzelf al een bedenkelijk samenstel.
    Of waren Thijs en die nachtwaker zèlf bezig krankzinnig te worden? Even leek hem dit niet onwaarschijnlijk en kreeg hij de neiging luid te schateren.
    Och, hij zou er maar beter over ophouden... hij voelde zich leeg in het hoofd. Het was of hij niet liep, maar of de straat als een tapis roulant onder hem doorrolde, automatisch. Nochtans wàs het de vanouds herkenbare stad; met zijn provocerende huizenblokkenrijen, achterlijke dwarswegen, hoeken met gerèl en hoeken met stankoverlast, waarlangs hij kwam. Het was nog vroeg; zijn stadgenoten waren net ontwaakt, maakten in de keuken een ontbijt gereed en bij de tandarts met het metalen naambord naast de deur werden met korte rukken de slaapkamergordijnen opengeschoven. 
    Terwijl hij voortging op zijn weg, begonnen de tartende bezoekingen van de afgelopen dagen opnieuw over hem heen te komen; het was of de weerzin hem weer innam, steeds hoger, zoals kippevel je kon bekruipen. Niets resteerde er van de opluchting waarmee hij gisteren zijn nachtelijk voornemen nog had verwelkomd.
    Na een half uur bereikte hij zijn eigen buurt met zijn vertrouwde kleinsteedse aanblik; vanuit de verte kon hij reeds hun huis zien.
    Maar eerder dan het schuine pannendak overwelfd door het lover van de in vol lenteblad staande bomen, viel hem iets op: er stond een lichtblauwe auto van een compact en bijna vierkant model voor hun deur. Even schrok hij, een bezoek voor hem... zoiets zou hij nu niet kunnen verdragen.
    Naderbij gekomen zag hij dat het de groentehandelaar was, een broodmagere, blijmoedige man van een jaar of veertig.
    – Het leek of hij scherper zag dan voorheen, of alles met een fijne naald in een plaat was geëtst; zijn moeder stond vlakbij de lichtblauwe auto, of eigenlijk ernaast. De achterkant was geopend. – Hij zag kisten fruit, zakken aardappels, struiken groenten; en hij rook ze. Toen de afstand nog kleiner was, onderging hij opeens alles tegelijk: de onvoorstelbare moedeloosheid die te maken had met de schone nevelige lentemorgen en de vrolijke groenteman, die zijn waar afwoog op een ouderwetse weegschaal, waarbij zijn moeder glimlachend toekeek, de portemonnee al
gereed. –

    Arjo voelde dat hij de komende tijd voor zichzelf opnieuw de vraag zou moeten beantwoorden hoe verder te leven met de chaos in zijn hersens.
    Hij zag dat de groenteman zijn moeder sinaasappelen gaf, één tegelijk. De ronde vruchten glansden als grappige gezichtjes in de morgenzon.
    Hij zag dat de groenteman zijn mond telkens bewoog, alsof hij ze telde, een voor een...
    – Maar het kon ook zijn dat hij bij elk exemplaar dat hij overhandigde, iets vermakelijks te berde bracht...

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.