Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Overige
Geplaatst:
14 februari 2014, om 15:28 uur
Bekeken:
534 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
205 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Sinaasappelen - Afl. 3 van 4"


 

Want meteen kwam Thijs binnen. Hij keek verrast toen hij Arjo zag en gaf hem direct een hand; hij leek de frisheid van de buitenlucht te hebben meegevoerd en met het onbezorgde gemak van iemand die hier thuis was, hing hij zijn jas op een haakje aan de kast.  
    Thijs had voor Arjo veel weg van een Scandinaviër of Schot, zo lang en mager als hij was, met die enorme bos haar, bijna oranje, en zijn gezicht vol puisten, baardplukken, rimpels, wallen en gele plekken. Maar problemen met zijn gezondheid ontkende hij steevast, ook al hoestte hij vaak en klonk zijn lachen hees, met veel valse lucht.
    – Was Arjo nog beducht dat zijn komst op dit uur bij Thijs verbazing zou wekken, dan was dat overbodig, want deze gedroeg zich of zijn jonge vriend hier kind aan huis was. De andere man kuchte en schoof met een peinzend gezicht zijn stoel achteruit. Maar hij maakte geen aanstalten weg te gaan, zodat Arjo het idee kreeg dat hij en Thijs misschien wat te bespreken hadden, iets waarmee hij niets te maken had. Die veronderstelling leek aannemelijk, want toen Thijs zijn sleutels uit zijn jas opviste, ging de man naar hem toe en fluisterde hem iets in het oor, iets waarmee de ander het kennelijk niet eens was, want die schudde zijn hoofd. Hebben ze het over mij? dacht Arjo. Thijs zei tenslotte ongeduldig: "Ga nou maar Goos!" Er gebeurde verder niets, en Arjo bleef zwijgend afwachten. Ik moet direct even gaan lopen, anders houd ik het niet meer uit, dacht hij.
    De man, die met "Goos" was aangesproken, ging weer zitten; Arjo vroeg zich af of het zijn voor- of achternaam was. Thijs leunde op zijn gemak voorover op zijn bureau, terwijl hij naar zijn collega keek, die weer begon over zijn vrouw en zoon.
    "Hoe laat moet je weg," vroeg Thijs aan Arjo toen Goos een sigaret ging draaien. "O ik weet nog niet," zei Arjo vaag. Thijs keek hem volkomen bewegingloos aan; Arjo dacht: wil hij me kwijt, omdat ik hier in de weg zit. Inderdaad, meer dan een vreemde pottekijker zonder geldigheid was hij niet, een indringer bij deze mannen, die zich uitsluitend met hun werk bezig hadden te houden. Hij dacht na over een argument om zijn aanwezigheid te verklaren, maar kon er geen bedenken. De echte uitleg zou weinig begrip ontmoeten, ze zouden denken dat hij stapelgek was geworden. Nu ja veel scheelde dat ook niet.
    Zo vrijmoedig als hij bij de fabrieksinstallaties was geweest, zo ongekend losjes daar voor zijn doen, zo beklemd en weinig op zijn gemak voelde hij zich hier; een schooljongen die in de leraarskamer zit om zijn gedrag tegenover de groteren te rechtvaardigen, wat hem eerst nog overbodig had geleken.
    Goos had zijn uitweidingen hervat. Hier werd een tipje van de sluier opgelicht, hem een blik gegund in een ander leven dat tot dusver verborgen was geweest: een bestaan met gezin; vrouw...  huis, een zoon die voor scheikundig ingenieur studeerde... Geheel verschillend van zoals hijzelf leefde... met zijn lamlendige gedachten, slapeloosheid en malheur. Hoe langer Arjo luisterde, hoe meer hij zich in het brokkelig relaas kon inleven; confidenties die hem aanvankelijk niet boeiden, maar waar hij op een of andere wijze toch bij betrokken raakte. Hij had bij de saaie stem het idee dat hijzelf door het portiershok zweefde, of hij zich met de poten van een vlieg ophield tegen de wanden en plafond.  
    "Heb je zin om straks de fabrieken te bekijken?" vroeg Thijs, toen Goos was uitgepraat en naar zijn schoenen staarde. Alsof dat een teken was, stond Goos direct op, mompelde een afscheid en verdween, expres leek het. – "O natuurlijk," antwoordde Arjo, gretig als een kind hunkerend naar een uitstapje. Hij moest blijven doen of hij normaal was. Hij zou gaan uitkijken naar portiers in andere fabrieken, met goudgegalonneerde hemelsblauwe of wijnrode jassen; hij zou naar hen op zoek willen gaan.
    Er gebeurde weinig het volgende uur, Thijs praatte over losse onderwerpen, zoals een arts babbelt op zijn spreekuur om de patiënt wat op zijn gemak te stellen. Zijn stem klonk dichtbij en dan weer ver weg, alsof hij zweefde door het gebouw. Hij keerde zich naar hem toe en van hem af. Twee keer informeerde hij of alles goed was en hoe het thuis ging. In korte pauzes draaide hij een sigaret boven een blik waar de verf af was, telefoneerde een keer kort en humeurig, mopperde op Goos, ging zonder iets te zeggen weg met een handvol papieren, kwam weer terug, zocht muziek op de radio en zette hem na twee minuten weer uit.
    Als je dit toch je hele leven moet doen... dacht Arjo. Iedere avond, iedere nacht... in die benauwde lucht, de vetwalm, tussen smerige rommel... en steeds hetzelfde. – Waarbij het scheen of iedereen het met hem eens was; hij hoorde meerdere stemmen iets betogen, al zag hij niemand.
    Zijn geest  dwaalde af door verdoving en uitputting. Hij hoorde Thijs wel, maar begon vreemd ziekelijk te fantaseren. Hij stelde zich voor dat zij zich bevonden in een hut van een zeestomer, dat ze op het zware gestamp van de machines steeds verder wegvoeren, de zwarte oceaan op, het duister tegemoet, zelfs de kosmische ruimte in, op weg naar een doel, dat ongetwijfeld verheven was, maar vooralsnog onbekend, waarbij men min of meer onder dwang zich in onprettige omstandigheden had te begeven. Weerzin kwam op bij dat onbestemde doel, alsof dat niet groot of verheven genoeg kon zijn om als een beloning te dienen voor wat men zich moest getroosten. Waarna het tenslotte weer aan zinloosheid ten gronde ging, zoals alles.
    Thijs bleef zonder notie van deze spinsels. Het leek of hij zijn uitnodiging voor de fabriek alweer vergeten was, – hij vertelde weer door, op een manier alsof wat hij zei slechts fungeerde als decor voor hun beider aanwezigheid. Arjo bedacht dat het opvallend moest zijn dat hij niets terug zei, dat hij alles in quasi-rustige houding onderging; hoogstens even ging verzitten om de spieren te strekken, maar nergens commentaar op had gegeven. 
    – Half twee. Zolang heb ik het al volgehouden, dacht hij, ook de zwakke mens is sterk. Intussen onderging hij iets van een oudejaarsavondgevoel, een situatie waarbij men immers, zonder iets om handen te hebben, ook een uur of langer op de tijd zit te wachten. Hij stond op toen Thijs zijn verhaal leek te hebben beëindigd. Verstijfd in het zitvlak, (hij moest een scherpe afdruk van de rand in zijn billen hebben) ving hij aan stukjes door het hok te lopen, klom (althans dacht hij) op op het bureau en probeerde door de ruitjes te loeren, waar niets te zien was en zette voor frisse lucht de deur verder op een kier.
    Op dat moment stapte tot zijn verbazing "Goos" weer binnen, waar Arjo juist had aangenomen dat die de aftocht had geblazen; ze botsten bijna tegen elkaar en Goos moest hem opzij dringen. 
    "Ga je mee?" vroeg hij, op een wijze of ze het daar al over hadden gehad. Arjo knikte en ging achter hem aan. Goos liet deur van het hokje open met dezelfde achteloze nonchalance als bij alles wat hij deed. Thijs bleef zitten schrijven, alsof hij nergens iets mee te maken wilde hebben.
    Ze liepen achter elkaar door de corridor, met zware stappen als van betonwerkers en versneld doordat de vloer afliep. Het ging in de richting waar hij de rode autobus had zien passeren. Dat intrigeerde hem nog steeds buitengewoon. Maar als ware het te delicaat kwam hij er niet toe het te vragen. Op de plaats waar het gebeurde zag hij overigens niets dan een gepleisterde muur en een vuil deurgat. Arjo bleef staan, maar er was niets opvallends te ontdekken. Aan het einde verbreedde de gang zich tot een ruimte waarbinnen schaduwloos licht heerste als op klaarlichte dag. Ook was het nat, althans de vloer, alsof er was gespoten met brandslangen. Masten met schildjes eraan leken op wereldvreemde verkeersborden langs de goten. Voor het overige was het  een opslagplaats van drums in alle formaten. Het rook er buitensporig sterk, zeepachtig.
    Maar ook deze hal met zijn ongezeemde vensters vertoonde het onverklaarbare fenomeen. Een reusachtige vlammend-rode plaat voorzien van zeshoekige gaten schoof ineens voorbij. De beweging was niet snel, maar opvallend schokkerig als een film. Had het vorige aan een autobus doen denken, ditmaal had het meer van een dieseltrein met onverlichte ramen die aan een perron voorbij dreunde, haaks op de richting waarin ze liepen. Arjo ontwaarde iets van sneldraaiende spaken, al kon dat verbeelding zijn. Ook deze keer had het zich bij verrassing  voorgedaan en hij voelde zijn hart bonzen. Het was echter minder opwindend dan de eerste keer, omdat hij met zulke verschijnselen al rekening begon te houden.
    Goos reageerde niet op het gebeuren; alsof het voor hem iets dagelijks betekende. (Of hij had niets gemerkt, dacht Arjo).
    Min of meer in de diepte, hij wist niet waar, – zag hij een korte optocht voorbijkomen van opstandige arbeiders die naar iets op weg schenen; wat hem deed denken aan een scène uit een antieke zwartwitfilm... en ineens waren ze niet meer te zien. Hij had het gevoel dat hij zweefde boven de vloer, maar toch als een mechanische pop achter Goos aan kon blijven lopen.
    "Hier moet ik wezen," zei zijn gids, terwijl hij een deur open duwde waarachter een buitengewoon fel licht brandde en een sterke lucht van verse verf naar buiten walmde. Hij was bij toverslag verdwenen. De deur had geen glas, zodat niet was te zien waar hij was gebleven. Even kreeg Arjo de gedachte dat "Goos" niet meer terug zou komen... dat hij een grap uithaalde die hij tevoren had uitgedacht.  Dat hij nu door een andere deur was ontkomen en hem achterliet... Al had Thijs hem dan mee gestuurd, was deze man eigenlijk wel te vertrouwen?.. Dan weer meende hij dat hij dat zijn gedachten te veel van de omgeving waren losgeraakt.
    Toch moest hij lang wachten... Het gaf de illusie zich onder een hotel of tropisch zwembad te bevinden, omdat langs het plafond dikke stoomleidingen hingen en verderop veel deuren op de gang uitkwamen. Hij vreesde te worden gedwongen te springen in een bassin met kokend water waar die buizen naartoe liepen... wie had dat toch verteld... vroeger?.. Maar dan weer de constatering dat het allemaal niets betekende in de universele leegte van het bestaan...
    De deur ging open – "Ja! Maar dit deugt óók niet!" hoorde hij Goos roepen tegen een onbekende. Hij kwam naar buiten, maar zijn gezicht stond onbekommerd als tevoren, "Wat een oen," zei hij goedmoedig. Hij had een gele stofjas aan in plaats van de overall eerst. Of was dat al zo geweest, vroeg Arjo zich af... hij kon zich dat niet herinneren...
    Na de laatste meters looppad, die weer omhoog liepen, kwamen ze in een ruimte waar het donker was, maar die buiten had kunnen zijn, zo koud en fris woei hier de tochtstroom. Beneden hoorde hij auto's rijden met onmiskenbaar de akoestiek van de buitenlucht, maar ze waren niet te zien; en ergens moest een trailer of tankwagen aan het lossen zijn, die twee maal oorverdovend claxonneerde. Arjo huiverde in de kilte en voelde het zweet  opdrogen op zijn voorhoofd. Morgen ben ik snipverkouden, dacht hij. Ik had mijn jas aan moeten trekken en mijn hoedje niet vergeten. 

(Wordt vervolgd met nog één aflevering). 

 


 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.