Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Overige
Geplaatst:
12 februari 2014, om 20:30 uur
Bekeken:
488 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
204 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Sinaasappelen - Afl. 2 van 4"


 

"Hallo Jan?!"
    Een magere stem. Het moest tegen hèm zijn geweest, want hij zag hij enkel een man even verderop, een arbeider in blauwe overall. Geschrokken, maar zonder bangelijkheid ging Arjo naar hem toe, want hij had immers niet geroepen: wegwezen! En gauw! –
    Het was iemand van een jaar of vijftig, die nauwelijks opkeek toen Arjo voor hem stond. Hij maakte een Engelse sleutel schoon boven een bus stinkende vloeistof. Hij had een klein hoofd dat met alles en iedereen de spot leek te drijven. Zijn schedel was kalende, zijn wimpers en wenkbrauwen en het restant van zijn haar zaten onder het witte stof.  Ook zijn overall was wit bepoederd; precies aan één kant, zoals voorkomt bij de helften van een variétékostuum. 
    Arjo zei zo beleefd mogelijk dat hij een bekende van de portier was, –  hij noemde de naam – en dat hij hem graag wilde spreken, wat hem tot zijn verwondering zonder haperen afging. Maar zijn hart bonsde dat het bijna pijn deed.
    – Nee, zei de man zonder op kijken, de nachtportier is hier niet meer. Die zat nu helemaal aan de andere kant, – tijdelijk. Grote veranderingen, en niet allemaal verbeteringen... Dit was dus de veevoederfabriek, begrijp-ie – en  had hij reuzepech, want de oliefabriek stond een heel stuk verderop. Maar daarom niet getreurd," zei de man. Het makkelijkst was gewoon dwars door de machinekamers ernaartoe te lopen. Dat mocht wel niet, maar er was op dit uur toch bijna niemand.
    Hij ging naar de buitendeur om te wijzen, en Arjo nam oplettend de uitleg op. Daarna was vriendelijk bedanken op zijn plaats... maar de man was al weggelopen.
    Toen liep hij maar naar wat hem was gewezen, een spaarzaam verlichte opslag waar honderden met kleverige restanten besmeurde vaten op ijzeren stellingen lagen te druipen. Hij kreeg het idee of hij zich in een rotsachtige hal onder de grond bevond. Stil was het opeens, maar stinken deed het des te meer, zodat hij bijna moest braken. Hij liep alles vlug voorbij alsof hem een afspraak wachtte. Aan het eind stond een deur van kolossale grootte op een kier, waaruit krachtig licht op hem toe viel. Hij kwam nu in een nog hogere zaal, een silo gelijk, met torenhoge stapels jute balen. Alles was stoffig, vooral de lucht die hij moest inademen. Niets bewoog. Opgetast in zware alkoven van beton wachtten de veemwaren roerloos. Het leken de ruggen van gevaarlijke dieren die elk ogenblik konden ontwaken om de argeloze voorbijganger te bespringen.
    Steeds in de richting door de man aangegeven, (voor zover hij kon nagaan), belandde hij in een nieuwe sector, waar alles glom van vet en het toch heel zindelijk leek. Ronde ketelgevaarten, door glanzend stalen leuningen, treden en bordessen omgeven, staken uit de vloer. Overal zoemden, ratelden of sisten installaties. Hier ben ik vroeger nooit geweest, dacht hij. Tot zijn ongenoegen bemerkte hij dat er wel degelijk arbeiders rondliepen; de man had dus geen gelijk. Maar niemand scheen hem op te merken. Hij voelde zich een dwalend kind, door bijzondere avonturen en gevaren omringd.     
    Met zijn laatste krachten, – althans zo voelde het, kwam hij opnieuw bij een uitgang en toen stond hij weer buiten. Koel woei de avondlucht; hij voelde de kilte onder zijn haargrens. Achter het gaas van een hoog hekwerk strekte zich een rechte eenzame klinkerweg uit, beschenen door ongezellige natriumlampen aan boogsegmenten. Hij huiverde van de verlaten aanblik. Is dit nu de verlossing waar ik naar op zoek was, dacht hij. – Toch moest hij zijn einddoel genaderd zijn.
    "Zoek je iemand?!" zei een stem, zo dichtbij dat zijn hart ervan oversloeg. Een man in een grijze stofjas stond vlak bij hem. Hij droeg een kleine rundleren tas aan een riem voor de borst, alsof hij met een fototoestel op pad was gestuurd om indringers te betrappen. Zijn vale gezicht stond dwingend tegenover de vreemde. 
    "Meneer Thijs," antwoordde hij, terwijl zijn hart niet tot bedaren leek te komen; bedeesd had hij zich willen voordoen, om te tonen dat hij niets kwaads in de zin had. – "'k Zou hem bezoeken, dat hadden we afgesproken." Hij scheen door onrust gedwongen met zijn rechterbeen te moeten slingeren alsof hij de grootte van de vloertegels wilde aangeven.
    "Meneer Thijs! Die is niet wijs," riep de man. – "Maar dan tref je het slecht, want hij is er niet."   
     – Arjo had het gevoel of al het bloed uit zijn wangen wegtrok. Hoe had hij zo ondoordacht kunnen aannemen dat Thijs er altijd was!.. En er geen rekening mee gehouden dat dit bedrijf in ploegendienst werkte... Hij kon ook ziek gemeld zijn of ontslagen! – Als hij er niet is, dacht hij, dan weet ik werkelijk niet wat ik moet doen, iets ergers valt er niet te bedenken.
    "... Dan... zal ik wel weer gaan," stamelde hij en sloeg zijn ogen neer.  
    "Ja maar hij komt wel," zei de bewaker rustig. – "Loop maar mee."
    Hij voerde hem direct weer terug in het gebouw, naar bordes waar het zeer tochtte en de ingang van een manshoge plaatijzeren verbindingstunnel bleek te zijn, die schuin opliep naar het stinkend ingewand van een bedrijfspand er tegenover. "Daar moeten we wezen," zei zijn begeleider. Arjo liep achter hem aan de spaarzaam verlichte loopbrug op. Veel uitzicht was er niet; er waren wel ramen opzij, maar die waren ondoorzichtig door stof. En een plafond ontbrak; men zag alleen de donkere hemel en de cementen richels onder de dakvorst der gebouwen. Arjo twijfelde aan de juiste bestemming. Maar bijna aan het eind van de brug bleek een warm verlicht hok te zijn, en waarin een man in witte overall met zijn rug naar een bureau een beetje stond te wiebelen.
    "Hee poppelepee!" riep zijn gids opgewekt in de deuropening. Dat was hier zeker de bedrijfsgroet, – hij hield intussen de deur voor Arjo open. "Hier is iemand die effe op Harmen wacht." De andere man bromde wat en keek in een blikken trommel of hij iets kwijt was. Hij had kort opgeschoren haar. Hij stond voor een raam dat uit tientallen ruitjes bestond en waarachter het geheel donker was. Het bureau lag vol rommel, waartussen een smerige koffiepot op een brandend lichtje prottelde.  
    Een knorrig type deze, vreesde Arjo, kortaangebonden dat zag je zo, eentje die het met de verfijning in de omgang niet zo nauw nam; met hem zou hij het niet lang uithouden. Hoewel, op de keper beschouwd misschien toch weer niet helemaal ongeschikt. De man draaide zich half om en vroeg: "Koffie?" Zonder het antwoord af te wachten diepte hij uit een bureaula twee witte koppen op en zette ze op het blad.    
    Arjo wilde beslist geen koffie, hij was ervan overtuigd dat alles wat hij at of dronk hem op slag misselijk zou maken, – zelfs het idee was bijna al genoeg. Maar hij durfde de man niet voor het hoofd te stoten en knikte slikkend. De nachtwaker in de stofjas was alweer weg, en de man achter het bureau schonk beide kopjes halfvol met wat eruit zag als slappe thee; vulde ze vervolgens tot de rand toe aan uit een fles melk. Een kopje schoof hij hem toe.
    In het hokje was het zeer warm, of er ondanks de halfopen deur niet genoeg werd geventileerd en het stonk er nog ranziger dan in de fabriek. Arjo had een licht hoedje op en een sjaal om; daarvan ontdeed hij zich haastig en keerde zich licht onpasselijk van de man af om even aan wat anders te denken dan aan de melkkoffie die hem te wachten stond. Hij ging de iets frissere luchtstroom van de deurkier opademen. Langs de weg met de natriumlantaarns beneden daverde juist een lange trailer voorbij, waarbij de grond merkbaar sidderde. – Daarna de teleurstellende zekerheid dat er niets meer werd opgeroepen dan een lege lange verveling. 
    Een tweede stoel in het hok zag hij niet. Dus zette hij zich maar op de papiermand en wachtte tot de man iets zou zeggen. Maar die zat voorlopig heel tevreden van zijn koffie te genieten.
    Nu Arjo zat merkte hij pas hoe moe hij was. Door de afleiding van de omgeving, en hij in actie had moeten komen en op zijn hoede zijn in de fabrieken, waren uitputting en moedeloosheid op de achtergrond geraakt, maar nu voelde hij ze weer op zich afkomen in volle hevigheid. Zijn voeten tintelden en zijn hoofd scheen opgezwollen of hij koorts had.
    Hij keerde zich wat op zijn prullenbak. "Hoe laat begint eigenlijk zijn dienst?" vroeg hij, terwijl de duizeligheid zich alweer aanmeldde. De man, die papieren zat in te vullen op een smerig plaatje hardboard, bleef zwijgen. Hij had diepe fronsen in zijn voorhoofd, of hij klaar zat om bij iedere vrijmoedigheid van een ander onmiddellijk in de aanval te gaan. Voor hem op het bureau lagen papieren, stempels, afgekloven potloodjes, systeemkaarten, bakjes voor post en verscheidene doormidden gezaagde blikjes gevuld met sigarettenas.
    "Elf uur," zei hij eindelijk, waarna hij zelfgenoegzaam een slok koffie nam, "je hebt nog de tijd". Het was nog maar half tien zag Arjo op een licht brommende elektrische wandklok, waarop een sticker van een rode tulp was geplakt.
    En "tijd" had hij inderdaad. En die duurde extra omdat de man, toen hij klaar was, hem begon te vervelen met leuterpraat over familiezaken waarop Arjo op geen enkele wijze kon aanhaken. Bijvoorbeeld dat "moeder de vrouw", omdat het wasdag was en geen tijd had om eten te koken, altijd een blikje worstjes openmaakte voor op brood. Iedere week hetzelfde. En of hij er al wat van zei, het gaf allemaal niks. Enz. enz. Hij had het gevoel met de man in een kuilachtig hol te zitten. Eenmaal ver uit het midden kon je over de rand duikelen. Hij hield beide handen op het bureau of hij bang was te gaan zweven. De slappe koffie kreeg hij intussen met moeite naar binnen. De melk in zijn maag en de warmte in het hok zouden aanstonds een misselijkheidsgevecht aangaan, waarvan hij hoe dan ook de verliezer zou zijn. Zijn oren suisden en zijn hoofd gloeide of hij het in een oven had gestoken. Ik moet koorts hebben, dacht hij. Als dit zo blijft, houd ik het niet vol. – Ik was het ouderlijk huis ontvlucht, maar is dit zoveel beter? – Het was een tijdje stil. Zowaar bemerkte hij een slaapbehoefte. Maar zijn instinctieve angst voor lakens en dekens was groot genoeg om zich daar tegen te verzetten. Toen werden deze gedachten verdrongen door een intens verdrietig gevoel, in het besef dat zijn leven tot nu toe niet bepaald over rails liep.  

Het liep eindelijk tegen elven, toen ineens – verbijsterend omdat het zo onverklaarbaar was – aan het eind van de korte gang iets vreemds plaatsvond, "binnenshuis", op een afstand van ongeveer twintig meter. Een enorm roodglanzend object schoof langs; een rij zwarte ruiten zaten erin zo leek het. Het geluid van een kleine elektromotor was hoorbaar, maar niet overheersend. Even was het zichtbaar en toen weer voorbij. Het leek nog het meest of er een rode dubbeldeks touringcar was voorbijgekomen. Arjo had kippevel gekregen, zo vreemd en ook benauwend was het.
    "Daar zul je 't hebben, – asjemenou!" zei de man verbaasd.
    Goed te verstaan was hij niet, misschien zei hij: daar zul je 'm hebben...  Nog wilde Arjo vragen wat dat enorme rode was geweest, maar hij kreeg de gelegenheid niet.

(Wordt vervolgd met nog twee afleveringen).

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.