Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Overige
Geplaatst:
14 december 2013, om 10:04 uur
Bekeken:
523 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
222 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Het Kerstfeest"


 
 

Hoe ik het wist van dat kerstfeest, – in mijn herinnering een van de weinige vieringen van kerst buiten de vertrouwde huiselijke kring, weet ik niet meer. Zulke gebeurtenissen lijken  te worden geregeld  hoog in de winterse lucht om vervolgens als sneeuw neer te dalen.
     Het zou plaats vinden in een gebouwtje dat "de Stix" heette, een groen geverfd houten schuurgebouw met een aaneengesloten verzameling bouwsels eromheen, dat zo'n beetje fungeerde als buurthuis van ons dorp, waar werklozen tegen geringe betaling terecht konden voor eenvoudig timmerwerk of om een kaartje te leggen en jongens en meisjes van mijn leeftijd voor tien cent de kabouters van sneeuwwitje van triplex mochten uitzagen, om na beschildering met wit, rood, geel en groen in de huiskamer op te hangen.
    Zaterdagochtend december '43; het was oorlog maar veel gebeurde er bij ons niet, en de oorlog hield me ook niet echt bezig. Ik was naar buiten gegaan en stond bij het smalle stenen muurdeel naast de achterdeur terwijl mijn beslagen bril weer ophelderde. Het was koud grauw weer. Ik hoopte dat er nog meer sneeuw kwam, maar voorlopig leek het daar niet op. Ik had nog wat gedachten over de winter, terwijl ik mij voorover boog naar de muur. Het glazen buisje met kwik met de blauwe schaalverdeling was berijpt, maar er was te zien dat het vier graden vroor. Nog een paar dagen en dan konden we schaatsen op de Zaan; ik verheugde mij, want zoiets kwam niet elke winter voor. –
    Ik begon me af te vragen wat ik verder zou gaan doen. Vervelen deed ik me niet vaak maar nu had ik geen zin meer om met de slee door de straat te trekken of een sneeuwhut met een kacheltje van een brandende krant te maken. En pas vanmiddag zou het kerstfeest beginnen.
    Ik keek rond; onze beide achtertuintjes lagen onder een dikke sneeuwlaag, en alleen de verdroogde stengels van de tabaksplanten staken nog boven de golvingen uit. Er mocht dan niet veel te eten zijn, tabak was er helemaal niet. Mijn vader had daarom dit voorjaar alle spirea's en pioenrozen uit de tuin gespit en er acht rijen minieme tabaksplantjes voor in de plaats gezet. Ze groeiden zeer snel. Toen ze tot ongeveer manshoogte reikten hadden hij en ik de bladeren eraf getrokken en op zolder aan touwtjes met wasknijpers opgehangen. – Het heette "inlandse tabak". Je moest de bladeren als ze droog waren verkruimelen en er dan sigaretten van draaien, erop kauwen of in je pijp stoppen. Het was beter dan niets maar als mijn grootmoeder kwam zei ze dat je net zo goed ouwe schoenzolen in de fik kon steken, zo stonk het.
    Omdat ik niets kon bedenken besloot ik naar vriend Kees te gaan die schuin tegenover ons woonde. Gisteren hadden wij, Kees, zijn zuster en ik, op hun erf een sneeuwhut gemaakt met een dak van een oude mat en met veel rook er een vuur in gestookt van een bos hooi. Toen het uitgebrand was haalden we onze sleeën en begonnen een afglijhelling te maken op hun erf, tot het te donker werd.
    – Misschien konden we nu daaraan verder werken. Maar toen ik aan de deur kwam zei zijn moeder dat Kees boodschappen aan het doen was. Zij was een grote magere mevrouw met zwarte kringen onder de ogen alsof ze aan een ziekte leed, die altijd nogal kortaf tegen mij deed. – Ze eten zuurkool vandaag, dacht ik toen ik weer wegging, ...dat kon je ruiken.
    Nadat ik bij mijn huis terug was nam ik de slee aan het touw en ging de straat op. Jongens zag ik niet, er was helemaal niemand, en auto's reden er ook al niet omdat er geen benzine meer was. Op de hoek stak ik over naar de brug over de Zaan. 
    Op de smalle loopbrug met zijn gietijzeren leuningen trok mijn slee hinderlijk stroef op de glijers, omdat er zand en pekel was gestrooid. Ik ging een beetje aan de kant en keek uit over de besneeuwde ijsvlakte. De baan zou worden uitgezet en geveegd in een wijdse bocht voor de fabrieken. Het zou druk worden en gezellig, want een echte ijsbaan werd het, met masten en vlaggetjes, heel anders dan de boerenslootjes waarop we meestal reden. Gisteren had ik een paar grote jongens al op de vlakte van de Zaan gezien, ze leken het ijs te proberen, er liepen zelfs twee zwarte figuurtjes in de buurt van de vaargeul. Wie de waaghalzen waren kon je niet zien; ouderen op de brug hadden gemopperd dat het allemaal nog veel te gevaarlijk was. – In het midden van de witte laag was het ijs in kleine schotsen gebroken tot ver om de bocht, want iedere ochtend hield een ijsbreker het water open, voor de fabrieken. Ik had hem zien tornen, een zwarte sleepboot die roetwolken uitbraakte en het ijs deed kreunen en knapperen. Als hij maar niet te dicht bij die bocht kwam, bedacht ik anders konden we de ijsbaan wel vergeten.
    Thans was nergens iemand te zien en ik dacht erover terug te gaan. 

Om half drie in de middag floot Kees aan onze achterdeur zijn bekende signaal en we gingen op weg. In de Eemstraat gooide hij nog een sneeuwbal in de kier van een bovenraam en meteen liepen we vlugger door, telkens achteromkijkend, maar geen mens binnen had blijkbaar iets gemerkt.
    – Bij de Stix stonden de deuren open; veel jongens en meisjes hadden zich er al verzameld; het was een gejoel en gestamp van de laarzen met sneeuw eraan. Binnen was het een groene zee van dennetakken en een overvloed van zilveren slingers met kaarsjes en een grote kerstboom aan de kant. De figuurzaagtafels waren opzij geschoven en  de krukjes waarop we anders zaten zag ik niet; iedereen moest op de grond plaatsnemen, naast elkaar en achter elkaar; op die kale planken zitten, dat was bijna vanzelfsprekend, vond ik. 
    Ik raakte door de warmte, de stemmen die roesden en de geuren van kaarsen en dennetakken reeds diep onder de indruk. Alles wat zich voordeed en beloofde zich nog voor te doen in deze groen-omgetoverde omgeving, alles wat ik in de jaren gewend was van een kerstfeest: een boom met kaarsjes, zilveren ballen en rood crêpepapier, –  zodat je bijna niet wist of de warmte kwam van de fel brandende kachel, of van dat groen en de kaarsen – maakte dat ik dit niet als een gewone clubmiddag onderging, maar als een overweldigende omgeving waarin ik begon voort te drijven als in een droom. 
    Het feest begon niet meteen; we werden uitgenodigd iets bij de tafels te komen halen. Door de oorlog was er weinig te krijgen; toch werden er hier door de meisjes uit de hoogste schoolklassen bekertjes warme chocolademelk uitgedeeld. Ik probeerde mijn melk zo gauw mogelijk op te drinken, anders kwam er een vel op en kon je het weggooien zo vies als het werd.
    Ik zat naast Kees, bijna vooraan. Er was tevoren geen programma bekend gemaakt, maar een man  met grote sandalen aan, en de boordjes van zijn overhemd over de kraag van zijn jasje geslagen, kwam naar voren met een boek, sleepte een krukje aan en keek de kring rond tot het stiller werd. Hij begon voor te lezen met duidelijke stem, over Jozef en Maria die op weg waren naar Bethlehem en een zeer heldere ster aan de hemel zagen staan.  
    Het verhaal kon mij niet boeien; ik keek af en toe wie er allemaal waren; de meeste jongens kende ik van school, de meisjes wat minder. Het viel op dat iedereen zo rustig was; geen geschreeuw of gelach of baldadigheid, en er waren toch kwajongens bij die nooit lang konden stilzitten. Maar daarvan was niets te merken.
    De man die voorlas haastte zich niet. Toen het verhaal eindelijk uit was en het geroezemoes weer opleefde in afwachting van wat er komen ging, overlegde de verteller even met een andere man; toen begonnen ze samen een piano naar voren te rollen.
    "Dat is Sodebillepoepie," fluisterde Kees; hij leek verbaasd door diens aanwezigheid, maar tegelijk trots dat hij mij iets kon mededelen wat ik niet wist. De man zag er gewoontjes uit, hij zou een onopvallende onderwijzer van mijn school kunnen zijn. Hij was, zei Kees niet zonder bewondering, de leider van een bijzondere club van grote jongens: de molenclub.
    Toen kwam als uit het niets een meisje naar voren; zij droeg een lichtbruine fluwelen jurk tot bijna op de grond met een wit kanten kraagje en ook kant aan de mouwen. Ik zag direct wie dat was: Ankie, de oudste dochter van de barbier bij wie ik elke vier weken voor 10 cent mijn bol liet fatsoeneren. Die barbier was hartstikke christelijk, dat wist iedereen; hij had negen kinderen. (Ankies jongere broertje aan wie het geloof blijkbaar niet besteed was noemden we Jan de Vloeker). – Ankie ging voorzichtig op de vloer zitten, haar benen zijdelings weggevouwen en keek rustig rond. Sodebillepoepie had plaats genomen achter de piano, sloeg een akkoord aan en toen het begin van een lied.
    Ankie begon te zingen, eerst nog wat beverig maar geleidelijk met vaste stem. Het lied heette "N u  z ij t W e l l e c o m e,  J e s u   l i e v e   H e e r."  
    Zoiets had er nog nooit in de Stix geklonken! Sodebillepoepie boog zich telkens naar het muziekblad, dan weer hield hij het hoofd in de nek. Toen het uit was klapten we in de handen. Er volgde: "D e H e r d e r t j e s  l a g e n  b i j
N a c h t e". Intussen werden de kaarsen in de kerstboom door de man van het voorlezen aangestoken, en ook die op de figuurzaagtafels. Je kon zien dat ze in uitgeholde suikerbieten waren gezet want het crêpepapier was hier en daar losgegaan.

    Er volgde: "E r   i s   e e n   K i n d e k e   g e b o r e n   o p   A a r d"  en nog andere liedjes die ik nog nooit gehoord had. Dat waren, veronderstelde ik liederen van de kerk. Ankie leek niet moe te worden; na ieder lied klapten we, ook de kwajongens.
    Ik kreeg al gauw het gevoel of het allemaal niet echt was, de muziek, de meisjesstem, de klanken uit de piano, de warmte die om mij heen spoelde als lauw badwater, de wasgeur van de kaarsen en het groen. Het leek soms of het voor me zittende fluwelen meisje een engel was, of in elk geval gemakkelijk worden kon, omdat zij zo mooi en zuiver kon zingen. Als betoverd keek ik naar haar die nu zo heel anders was dan ik haar kende, en met wie ik de vorige week nog had gesleed. Dat zingen kwam omdat ze uit een zo'n erg christelijk gezin kwam, bedacht ik, daar deden ze dat. En ook in de kerk leerde je dat. Van huis uit hadden wijzelf niets met enig geloof, allemaal flauwekul zei iedereen, de ooms en tantes. 
    Maar dit meisje hoorde bij de "christelijken"; daarom zong zij de woorden zo mooi op die kerstmelodieën. En dat kwam allemaal  door dat geloof; maar hoe dat precies zat, dat was toch niet helemaal te begrijpen. 
    Na het laatste lied stond Ankie voorzichtig op, maakte een diepe buiging voor iedereen en liep, terwijl we klapten, naar achter in het zaaltje. Ineens was ze verdwenen of ze er nooit was geweest.
    Nog een toneelstukje kwam er, van een jongen en een meisje die ouwe mensen moesten voorstellen, met rare pruiken op, maar ik kon mijn aandacht er niet bij houden omdat ik nog steeds aan de zingende engel moest denken. Om ons heen werd het al wat rumoeriger; er werd nog wat op de piano gespeeld en daarna kregen we allemaal een koek uit een grote blikken trommel. We begrepen dat het feest afgelopen was; iedereen stond op, knoopte zijn jas dicht en stampte naar buiten waar je gezicht strak gespannen aanvoelde door de ijzige kou.

Terug naar huis spraken wij niet; Kees leek zich een beetje te vervelen en gooide zelfs geen sneeuwballen meer. Ik vroeg niet hoe hij het feest vond, ik had helemaal geen zin om nog iets te zeggen. Nu ik niet meer in de groene Stix was, hoorde ik in mijn oren nog steeds Nu zijt Wellecome van de engel die zong met begeleiding van Sodebillepoepie zijn piano, en onderging ik de warmte van het crêpepapier, de kaarsen en de aromatische dennetakken nog sterker. – We liepen zwijgend voort. Als er ergens een beetje licht vandaan kwam, dan schitterde de bevroren sneeuw alsof het fondant was. Hoe mooi was dit alles, dacht ik, hoe mooi kon december zijn, met zijn feesten, oneindige witheid en harde vriesnachten.
    – Ook thuis, onder het avondeten, waarvoor mijn moeder stamppot met spruitjes had uitgekozen was ik zwijgzaam. We zaten aan de tafel bij het licht van de carbidlantaarn die grote schaduwen op de wanden maakte waardoor onze achterkamer een soort vreemd hol leek. Mijn stemming was er een van grote verzadiging. Ik geloofde nog steeds dat Ankie misschien toch een engel kon zijn of op zijn minst op het punt stond er een te worden, maar ik wist tegelijk dat het onmogelijk was, want dat ze evengoed de oudste dochter van de barbier bleef. Maar toen ze zong was er iets geweest, iets onbekends dat in de lucht had gezweefd, om haar heen, of boven ons, onzichtbaar maar heel goed voelbaar, iets wat ik vooralsnog niet kon bevatten. 
        Ik vertelde aan tafel kort over het kerstfeest en dat het erg leuk was, maar over de engel zweeg ik.
    Om acht uur ging ik naar mijn slaapkamertje boven. Het was er zeer koud. Licht had ik niet; ik vond de lucifers op de tast en ontstak de kaars op de vloer. Op het dakvenster stonden dik de ijsbloemen, en zelfs iets ijzigs overvliesde het glas van de ingelijste prenten aan de wand – we hadden een erg vochtig huis had mijn vader gezegd, en de rand van je deken was 's morgens bevroren. Ik huiverde maar had toch een groot tevreden gevoel want morgen al misschien zou de ijsbaan kunnen worden geopend, – en ook zouden we een kerstboom kopen en in de voorkamer zetten in de grootste bloempot die er te vinden was.
    Zilveren slingers, kerstkransjes en kaarsen zou mijn moeder er in hangen, net als voorgaande jaren. – 
    Toen ik dat had overdacht blies ik de kaars uit en kroop in het ijskoude bed.

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.