Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Humor
Geplaatst:
21 januari 2007, om 22:30 uur
Bekeken:
1114 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
602 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De champetter"


  De champetter.  
 
"  Verdomme!!!"
"  Watte?"
"  Daar!!!"
"  Waar ?"
"  Awel, daarzie!!! ....Ne champetter !"
"  Miljaar!"
"  Ha, ge weet het!"
"  Wat gaan we doen?"
"  Laat me eens denken !...."
" Goed, maar niet te lang, hé! Want seffens struikelt die garde met zijn grote voeten over onze benen en dan hangen we er aan voor de moeite!"
"  Hm...Wacht!!.... Ik heb het!!!.... Liesje!....."
"  Ja, nonkel ?" 
"  Gaat gij eens...."
 
En terwijl Liesje zich haast om de ontvangen instructies uit te voeren sjokt Flor de veldwachter, zwetend als een paard,  door het mulle zand onder de ongenadig brandende zomerzon stillekens in zijn eigen vloekend en tierend naderbij.
" Die godverdommese ezel!!!"
" Mij met zo'n weer hier naartoe sturen!..... Verdekke!!"
" En hij kan dat dan zo onnozel zeggen, hé! Zo van:‘ Flor, gij zijt de jongste van ons regiment! Gaat gij eens poolshoogte nemen op de hei!'."
" En ik, ik durf natuurlijk geen nee te zeggen!!! Toch niet tegen de kapitein! Verdorie!!!"
Vol zelfverwijt en idem dito medelijden houdt Flor halt. Vist een rood met witte bollekens-zakdoek uit de diepten van zijn uniform en begint omstandig het zweet zijns aanschijn te deppen.
" Pff... dat is al wat beter!" zucht hij min of meer tevreden met het bereikte resultaat. Veegt vervolgens secuur de binnenkant van zijn kepie droog en is daar nog volop mee bezig als, tot zijn niet geringe verbazing en even grote schrik, plotsklaps vanuit een bosje aan de kant van de weg klaar en duidelijk geween en geklaag opklinkt.
Terwijl allerlei verhalen over heksen en andere veile creaturen hier op de heide aanwezig hem door het hoofd schieten, roept Flor ietwat onzeker.
" W....w..wie is daar? In naam der wet! W..wie is daar?" maar behalve wat geritsel krijgt Flor geen respons zodat er voor hem niets anders opzit dan zich, met knikkende knieën en wild kloppend hart, in het struikgewas te wagen.
" V...v..voor de laatste keer! Kom te voorschijn!!! Kom tevoorschijn of ik schiet!" dreigt hij, zijn dienstrevolver uit de holster wriemelend. Dat het wapen niet geladen is, is spijtig maar het maakt de geste er niet minder indrukwekkend om. Dat bewijst het feit dat vanuit het struweel een bange meisjesstem opklinkt.
" Niet schieten! Niet schieten, meneer de gendarm! Ik kom! Ik kom al!" en de daad bij het woord voegend strompelt Liesje op de, niet weinig opgeluchte, veldwachter toe die, nadat hij van zijn verbazing bekomen is, de vraag stelt die hem op de lippen brandt.
" Wat doet't gij hier, madammeke?"
" Oh, veldwachter! Wat ben ik blij dat ik U zie!"
" Dat is wederzijds, madammeke!" antwoordt Flor naar waarheid, want Liesje is een bevallige verschijning. Zij het dat ze duidelijk niet goed ter been is en hulpbehoevend bij hem naar broodnodige steun zoekt. Wat Flor noopt haar, ietwat overijverig, stevig om het middel vast te grabbelen.
" Ho, madammeke. Niet vallen, hé!"
" Het is juffrouw, garde!"
" Ahum.....Wilt gij U niet efkens neerzetten?" Liesje laat zich voorzichtig neer op het zand.
" Wat scheelt ge?" vraagt Flor.
" Mijn voet omgeslagen!" verklaart Liesje met een pijnlijke grimas.
" Oeioei!!" voelt Flor mee. " Zal ik hem masseren?" laat hij er gretig op volgen.
" Neeje!"
" Ah!..." doet Flor lichtelijk teleurgesteld. Hij zou met plezier Liesjes enkel in zijn grove pollen gepakt hebben.
" Hier wat verder in de boskes is een ven! Daar kan mijn voet in't water!"
" Euh?"
" Als gij mij tot daar zoudt kunnen dragen, tenminste!" gaat Liesje voort.
Zoiets laat Flor zich geen twee keer zeggen. Hij zet zich in postuur. Trekt de riem van zijn uniform recht. Draait de punten van zijn snor op en verklaart.
" Als dat alles is! Kom hier!" en hij hijst Liesje zonder moeite van de grond. Het kind slaat haar armen rond Flor's nek, legt haar hoofdje tegen zijn schouder en zucht.
" Amai, meneer, wat zijt gij sterk!"
" Het is geen meneer, ik heet Flor! En gij?" vraagt Flor terwijl hij met veel zwier door het struikgewas voortstapt.
" Elisabeth....maar iedereen noemt mij Liesje!"
" Dan zal ik dat ook doen!... Als gij dat niet erg vindt natuurlijk!"
" Helemaal niet .... Flor!" Antwoordt Liesje bedeesd en de blik die zij haar redder in nood toestuurt doet zijn hart een paar slagen overslaan.
Een minuutje later laat Flor een tikkeltje spijtig zijn last neer aan de kant van de waterplas waar Liesje dadelijk zonder complimenten haar klompen uitschudt en, terwijl Flor met een rode kop ietwat gegeneerd toekijkt, haar rokken opschort om, met een verheerlijkt gezicht, haar welgevormde benen tot aan de kuiten in het koele nat te dompelen.
 
" Weet ge ...." begint Liesje na een tijdje.
" Euh?..." Flor is nog volop bezig met staren naar al dat bloot vlees.
" .... vroeger is hier eens een kwezelke verdwenen. Zomaar opgelost! Alleen haar kleren hebben ze terug gevonden. Hier! Op dezelfde plek waar ik nu zit!" legt Liesje uit en klopt, ter onderstreping van haar woorden, demonstratief op de grond.
" Echt?" gaapt Flor ongelovig.
" Ze zeggen dat den duvel haar heeft meegenomen! Sindsdien, komt hier geen mens meer!" gaat Liesje samenzweerderig voort.
" Ah?"
" Behalve ik dan!" Pocht het meisje. "Ik kom hier vaak!"
" Amai, zijt gij dan niet bang?"
" Bijlange niet! Ik heb in mijn mand een paternoster speciaal uit Scherpenheuvel meegebracht door mijn mémé zaliger. Die beschermt mij tegen al wat kwaad is!"
" Ah, ja?" doet Flor niet echt overtuigd.
" Wacht ik laat hem U eens zien!" lacht Liesje. Maar dan, plotsklaps beteuterd.
" Waar is mijn mand?"
" Welke mand?"
" Mijn rieten boodschappenmand!"
" Niks geen mand gezien!" zegt Flor met grote stelligheid het hoofd schuddend zodat zijn kepie op halfzeven staat.
" Och god! Och here!" Panikeert het meisje.
" Dan heb ik die aan de weg laten liggen!... Flor!!! Wilt gij die alstublieft gaan halen?"
" Ik? Heu, maar dan moet ik U hier alleen laten!"
" En dan? Ik ben niet bang zulle!"
" Maar ik wel!" bekent Flor.
" Oh, Flor!" sneert Liesje ongeduldig. " Ik kom hier zo dikwijls en er is mij nog nooit iets overkomen! Maar als ik straks thuiskom zonder mand! Oeioei!" en bij de gedachte alleen al, komen de waterlanders in Liesjes mooie ogen. Zodat Flor, wiens peperkoeken hart smelt alsof het in hete koffie is gedompeld, maar rap op zoek gaat naar de mand.
 
"Liesje! Liesje!!" roept Flor al van verre als hij de waterplas nadert.
" Ik heb ze! Ik heb de ma..." maar de woorden besterven hem op de lippen want als hij de open plek betreedt is daar geen Liesje te bekennen.
" Liesje?..." Flor rent, diep ongerust, als een haas naar de plek waar hij het meisje heeft achtergelaten. Om daar geschokt naar Liesjes kleren te staren die, nogal slordig, op een hoopje liggen.
" 'T is geen waar hé!!!?" krijt hij ontzet en valt totaal verbouwereerd op zijn knieën.
" Zeg dat het geen waar is!!!!"
Maar het is maar al te duidelijk. Liesje is net als het kwezelke spoorloos verdwenen.
Het volgende ogenblik echter springt hij een gat in de lucht als Liesje, een paar meter bij hem vandaan, in een fontein van rondspattende druppels proestend uit het water opduikt.
" Liesje!!! Liesje!!!" roept hij en drukt haar een paar ogenblikken later blij aan zijn brede borst.
" Oemf...heu, wat is er Flor?" weet Liesje, verbaasd over zulk ontstuimig vertoon van genegenheid, met moeite uit te brengen.
" Ik ben zo blij dat ik U zie!!! Ik dacht dat gij zoals dat kwezelken....." begint Flor uit te leggen, maar dan bekijkt hij Liesje eens goed en valt zijn mond open.
Liesje, op haar beurt, begint ongemakkelijk te wriemelen.
" Zeg Flor, wilt ge mij eens loslaten, jong? Uw matrak doet zeer aan mijn ribben!"
" Euh?"
" Uw matrak steekt in mijn zij!" verduidelijkt Liesje.
" Eh... dat is geen matrak, Liesje...."
" Wat voel ik dan?"
" Hm...." Flors hoofd gloeit als een overrijpe tomaat.
" O..oooo!!!! Komt dat door mij?"
" Ge zijt ook zo schoon, hé!" stamelt Flor die met zijn eigen geen blijf weet.
" Hoe lief!" glundert Liesje, neemt Flors blozende kaken in beide handen en drukt haar volle lippen op zijn onwennige mond.
" Kom, ik weet een plaatsje waar het mos lekker zacht is!" fluistert ze na een wijle.
En zo belandt Flor, met Liesje als gids, langs het pad der liefde in de zevende hemel.
 
Later, heel véél later zweeft Flor, omzwermd door een koor van oneindig liefelijke schepselen met instrumenten uit zuiver zilver en stemmen als kristal door wolken van ambrozijn, langzaam uit de duistere diepten van de slaap omhoog. Slaat lui de ogen op. Geeuwt als een leeuw op vakantie en strekt kronkelend van genot één voor één de stramme ledematen. Kijkt vervolgens ietwat verwezen om zich heen en roept, van zodra de muziek in zijn hoofd wat weggedeemsterd is, zachtjes de naam van zijn lief.
" Liesje..."
En, na tevergeefs op antwoord gewacht te hebben, nogmaals ietwat luider nu.
" Liesje!"
Maar ook nu krijgt hij geen respons. Daarom richt hij, ietwat wankel op benen die nog aan de aardse zwaartekracht moeten wennen, zijn schreden naar de waterkant.
" Lie....iesje!!!" Galmt hij over de plas want hoe hij ook zoekt, nergens kan hij haar of zijn kleren vinden.
" Liesje! Liefste!! Waar zijt gij?" Maar behalve een ververwijderde koekoek verstoort niets de stilte van het bos en komt Flor, als door een voorhamer getroffen, tot het besef dat hij poedelnaakt en moederziel alleen op dit stukje wereld vertoeft.
" Miljaar! Miljaar! Het moet weer eens lukken, zulle! Die...die...feeks heeft mijn kostuum gestolen! Nonde nonde nonde!"
Maar hoe hard hij ook vloekt of Liesje en zichzelf verwenst, het wordt stilaan donker en Flor begrijpt dat hij in de staat waarin hij zich bevindt, huiswaarts moet keren.
 
De zon is al geruime tijd achter de horizon verdwenen en de maan glijdt majestueus langs het sterbezaaide firmament als Flor eindelijk de eerste tekenen van menselijke bewoning aanschouwt.
Even later staat hij, van de ene tot bloedens toe verwonde voetzool op de andere wippend, in tweestrijd met zichzelf of hij al dan niet zal aankloppen bij het ietwat sinister ogende gebouw, als achter zijn rug een langgerekt:
" Oooo!!!!!" klinkt en een andere stem, nadat Flor zich met instinctief voor de schaamstreek samengeslagen handen omgedraaid heeft,  waarderend vaststelt.
" Wat een schone jongen!"
" Euh.... goedenavond, dames....." begint Flor als hij zijn spraakvermogen terug heeft. Maar de nieuw aangekomenen nemen geen enkele notitie van zijn welgemeende excuses voor de ontuchtelijke staat waarin hij zich bevindt en staren hem ongegeneerd met gretige ogen aan.
Dan doet één van beiden aarzelend een stap in zijn richting.
" Afblijven! Ik zag hem het eerst!!!" waarschuwt de andere dreigend.
" Nee, ikke!" weerlegt de eerste.
" Nietwaar!!"
" Wel waar!!!"
" Nietes!" roept de tweede en grijpt Flor bezitterig bij de bovenarm.
" Welles!" blèrt de eerste en trekt de verbijsterde veldwachter aan de andere arm naar zich toe.
" Dames! Dames!" probeert Flor tevergeefs de gemoederen te sussen.
" DAMES!!!!!" galmt plotsklaps een zware stem door de nacht.
Waarop beide tegenstandsters ontzet hun gesjor aan Flor staken en eensgezind het hoofd in de richting van een indrukwekkende matrone wenden die, vanaf het bordes, als een zwaarbewapend admiraalsschip op hen af komt gestevend.
" WAT HEEFT DIT TE BETEKENEN?" buldert zij Flor ondertussen toe. Zodat deze zich met stijf dichtgeknepen ogen en wild wapperende haren tegen het verbale geweld schrap moet zetten.
" Ik...eh..." begint Flor als de storm enigszins geluwd is, maar de menselijke wervelwind laat hem niet uitspreken.
" Een beetje komen blootlopen in het pensionaat, hé? Die arme meisjes het hoofd op hol brengen, hé?! Maar dat zal zo niet aflopen!" tiert zij. Draait, na een bliksemsnelle doelgerichte greep, deskundig Flors linkeroor in een pijnlijke knoop. Sleurt de arme jongen onder luid weeklagen het huis in en deponeert hem even later zonder kompassie met een welgerichte schop tegen het onbeschermde achterste in de kolenkelder. Waarna de sleutel in het slot knarst en de getergde gendarm moedeloos, met één hand het kloppende oor en met de andere zijn zere bips masserend, het vrouwmens door de afgesloten deur hoort kijven.
" Morgenvroeg haal ik de gendarmen! Die zullen U dat blootlopen wel afleren!!... VIEZERIK!!!!"
 
Terwijl Flor neerslachtig in de pikkedonkere ruimte op de tast wat bij de pakken gaat neerzitten om van de doorstane emoties te bekomen roept, een paar kilometer verderop, de rijkswachtkapitein ongeduldig:
" .. Entrée!!..." en stapt de sergeant van wacht, beleefd volgens voorschrift saluerend, binnen.
" Ha, sergeant! Wat nieuws jong?"
" Nog steeds geen spoor van jonge Floris, kapitein!"
" Wel verdomme! Waar kan die aap uithangen?"
" Geen idee, kapitein!"
" Hm...goed, als hij binnenkomt zeven dagen latrine-korvee! Dat zal hem leren lanterfanten!" beslist de kapitein korzelig en gaat, ten teken dat het onderhoud afgelopen is, verder met het invullen van zijn kruiswoordraadsel.
" .......  ... .. ."
" Awel, sergeant! Wat staat gij daar nog te doen?"
" Permissie om te spreken, kapitein!"
" Eh?... Ahja!!! Doe maar als ge't niet laten kunt!" antwoordt de kapitein niet erg toeschietelijk. Hij worstelt met een woord van twee letters waarmee een deel van een schip aangeduid wordt.
" Over jonge Floris, meneer!"
" Zo? Denkt ge dat een week korvee te weinig zal zijn? Laat hem dan nog veertien dagen patatten jassen."
" Euh, dat is't niet. Kapitein!"
" Ja, zeg man, wilt ge dan eindelijk eens uitleggen wat ge daar dan nog staat te doen?"
" Het is niks voor jonge Floris om niet op tijd terug te zijn, kapitein!"
" Ha neen? En waarom niet?"
" Het was vanavond worst met spinaziestoemp, meneer!"
" En dan?"
" Dat is zijn lievelingskost, kapitein!"
" Ha ja? Ikzelf hou het op stoofvlees met gekookte aardappelen! Maar alla, ieder zijne meug hé!"
" Ik..ik wil maar zeggen, kapitein, dat om Flor van zijn favoriete eten weg te houden er iets heel serieus aan de hand moet zijn!"
" Hm, ge bedoelt dat jonge Floris misschien in moeilijkheden is geraakt?"
" Precies, kapitein! Per slot patrouilleerde hij daar moederziel alleen op de hei."
" Hm..ja...weet ge! Stuurt morgenvroeg een man of twee op pad om hem te zoeken!"
" Goed kapitein." Salueert de sergeant en verlaat, met een gevoel dat de verantwoordelijkheid voor Flor nu veilig bij zijn overste ligt, opgelucht het bureel.
 
Een tijdlang denkt Flor, in zijn donkere krocht, duistere gedachten over het zogenaamde zwakke geslacht en de monsterlijke matrone in het bijzonder tot hij plotsklaps, dankzij een avontuurlijke manestraal die nieuwsgierig via het keldergat langs de enorme berg kolen komt piepen, het licht en een kolenschop aanschouwt.
Het is geen sinecure en het vraagt vele uren van inspannende arbeid om de zowat vijf ton kolen te verplaatsen die hem de weg naar de vrijheid versperren. Maar uiteindelijk kan Flor met een:
" Amai, ik dacht dat ik er nooit zou door geraken!" de spade terzijde werpen om zich daarna, zo zwart als een hoge hoed, met achterlating van ettelijke vierkante centimeters opperhuid, door het stortgat te werken.
Neemt, ondanks dat bij een ontsnapping haast geboden is, nog even de tijd om een vreselijk obsceen gebaar in de richting van het gebouw aan het adres van de matrone te maken. Voegt er vervolgens een uit de grond van zijn hart komend:
"Arré, gij godverdomd k.twijf! Probeer mij nu maar aan te geven!" aan toe. Waarna hij, ietwat krakkemikkig vanwege zijn zere voeten waar al dat kolengruis geen goed aan heeft gedaan, stillekens over het ganse lijf bibberend in de nachtelijke kilte de aftocht te blaast.
 
" IIIIIIEEEEeeeekkkk!!!!!!!" en met deze kreet zet Mientje die, zoals elke morgen, zinnens was om de koeien te gaan melken gans het huishouden van boer Coene overhoop.
" IiiiiEeeeeeeeeeeeee!!!" houdt zij, als er niet direct gereageerd wordt, hardnekkig aan. Wat Bertha, boer Coene's onvolprezen echtgenote, doet besluiten om toch maar haar havermoutse pap in de steek te laten en de deur van de keuken uit te rennen.
Juist op tijd om tegen een donkerzwarte figuur in een soort strooien rokske op te botsen die met een dierlijke kreet geschrokken achterover tuimelt.
" Oeioeioei!!!" zucht Flor zo vlug mogelijk rechtkrabbelend. Want natuurlijk is deze wildeman niemand anders dan de onfortuinlijke jonge veldwachter die tussen het stro van de koeienstal een onderkomen voor de nacht gezocht heeft.
" Oempfff!!!" kreunt ook Bertha die net als Flor van de weeromstuit op haar achterste is terechtgekomen. Om direct daarna met veel tegenwoordigheid van geest uit volle macht te krijsen:
" Tuuu....uuuurrr!!!!!! Tuu....ur!!!" waarop boer Coene zich uit het varkenskot haast met de riek nog in zijn hand.
" Wa' ist? Wa' ister????"
" Nen neger!!!" wijst Bertha met grote ogen naar de indringer wijzend die een beetje verder op het erf, in zijn haast om weg te komen, driftig met het linnen aan de droogdraad worstelt en ten langen leste, met een stuk wasgoed nog om zijn nek gedraaid, zijn weg voortzet.
" Daar!" gilt Bertha vol afgrijzen.
" Dien neger steelt uw zondagse broek!"
" Watte?" galmt boer Coene ongelovig. " Die met dat grijs streepke?"
" Ja! Die!"
" Ha nee, hé! Dát zal geen waar zijn. Die is nog van ons vader zaliger geweest!" dondert de met recht en reden verbolgen boer terwijl hij, met de riek in de aanslag, spoorslags achter Flor, die niet is blijven staan, aan gaat.
Mientje die, nu het gevaar geweken is, uit de stal durft komen helpt ondertussen de verbouwereerde Bertha terug recht.
" Amai, wa' was dat, madam?"
" Da' was nen neger! Nen BLOTE neger!" siddert Bertha peinzend naar het achtergebleven stro op de grond starend om er na een korte stilte fluisterend aan toe te voegen.
" Weet ge, Mien! Wat ze van die negers, van hun ‘geweetwel' vertellen, hé?"
" Ja, madam?" prevelt Mientje nieuwsgierig terug.
" Awel hé,... dat is waar!"
 
Een tijdlang slaagt boer Coene, gedreven door sterke wraakgierige gevoelens vanwege zijn ontvreemde eigendom, erin om gelijke tred met de voortijlende Flor te houden. Maar bij het kapelleke op de kruisweg met Bellegem, waar het lichtjes bergop gaat laten zijn krachten hem alras in de steek en slingert hij van pure frustratie de riek naar de voortijlende vluchteling.
Waarna hij, ondanks zijn vermoeidheid, toch nog het wereldrecord hoogspringen vanuit stilstand met verscheidene centimeters verbetert als een stem uit het niets informeert.
" Awel, boer Coene! Vanwaar al die agressie?"
" Euh?..." gorgelt de arme beproefde man met ogen op steeltjes wild om zich heen kijkend.
" Een halve meter meer naar rechts en die zwarte Piet kon een maand niet meer zitten!" gaat dezelfde stem verder.
Maar dan, net als de boer het op een lopen wil zetten komt Peer, die samen met Pol een sigaretje zat te roken op de bank tegen de muur van het gebedshuisje, tot boer's kolossale opluchting tevoorschijn.
" Gendarmen!" hijgt boer Coene, want hij is niet weinig verbaasd zomaar twee armen der wet, praktisch op de plaats der misdaad, te zien opduiken.
" Rijkswachters!" verbetert Pol, die korporaal is en van het correcte woord op de exacte plaats houdt.
" Als door God gezonden!" hijgt boer Coene nog steeds naar adem happend.
" Da's de eerste keer dat ik de sergeant een god hoor noemen!" grinnikt Peer tegen Pol. Maar Pol is een serieuzer tiep en dat bewijst hij door direct tot de kern van de zaak door te dringen.
" Hebt gij ons nodig misschien?"
" Vaneigens!" steunt boer Coene.
" Pakt dien dief daar..." wijst hij " .....bij zijne kraag!" Peer en Pol turen naar de in de verte verdwijnende gestalte.
" Dat zal moeilijk gaan, boer!" legt Peer uit.
" Ah ja? Waarom niet? Gijlie zijt toch pakkemannen voor iets!"
" Die kerel heeft geeneens een kraag!" grinnikt Peer.
Wat hem enkel een vuile blik van boer Coene oplevert, die niets grappigs in de situatie ziet.
" Legt eerst eens uit wat hier allemaal gaande is!" eist Pol.
" Die vent...dien.... neger! Is er met mijn zondagse broek vanonder!" vertelt boer Coene tussen elk woord driftig naar adem snakkend.
" Watte? Toch niet die met dat grijs streepke?" roepen Pol en Peer ontzet.
" Ja! Die!" snikt boer Coene, nu pas de volle omvang van zijn verlies beseffend.
 
Inmiddels jakkert Flor, als een op hol geslagen paard, over de heide tot hij van pure vermoeidheid, vlak voor een oude schaapstal, willens nillens tot staan komt.
Na het gammele deurtje achter zich vergrendeld te hebben sukkelt hij met elastieken benen naar een krakkemikkige brits.
" Amai, is me dat lopen!" zucht hij, automatisch het zweet van zijn aangezicht deppend met het stuk wasgoed dat nog altijd om zijn nek gedraaid zit. Waarna hij het vod dat een groot gedeelte van het kolenstof geabsorbeerd heeft, wil terzijde werpen als zijn oog een bekend motiefje ontwaart.
" Wel verdorie! Dat grijs streepke!...." peinst Flor.
" ... HOERA!" en gezwind hult hij zich in het welkome textiel. Om zich dan, moe maar voldaan neer te vlijen op de slaapstee waar hij, van zodra zijn hoofd de muffe strozak raakt, als een blok in slaap valt.
 
" Daar moeten we iets aan doen, Peer!" zegt Pol onderwijl de schouder van de door verdriet overmande boer troostrijk masserend. " Wat...snik.. kunt gijlie...snok..  nog doen? Die vent is...snuf..allang de pijp uit!" gesticuleert boer Coene in de richting waarin Flor verdwenen is.
" Wel... we kunnen zijn spoor volgen, bijvoorbeeld!"
" Haja? Hoe?"
" Met de hond van de boswachter! Die woont hier maar vijfhonderd meter verder!" legt Pol aan de twee anderen uit, waarmee hij bewijst dat die korporaalstrepen niet voor niets op zijn mouw prijken.
 
Een klein uur lang geniet Flor, in de armen van Morpheus, van een welverdiende rust tot plotsklaps met bruut geweld aan de deur gerammeld wordt en een ruwe stem vloekt.
" Potverdomme! Flup! Die rotdeur is op slot!" waarna het poortje in zijn hengsels davert van een welgemikte trap.
" Pas op, Broos! Straks stampt g't vod in gruzelementen!" waarschuwt Flup. " Laat mij maar efkens!"
Flor, die al van het eerste geluid geschrokken recht overeind zit, en nog steeds liever geen andere mensen tegen het lijf loopt, aarzelt niet langer en neemt muisstil de wijk naar de scheerzolder.
Net op tijd, trouwens. Want het lemmet van een stevig mes wordt door een kier van de deur gestoken en licht de grendel zonder complimenten uit de haak waarna Broos en Flup zuchtend en kreunend een paar tot barstens toe gevulde zakken de stal binnensleuren.
" Amai, ‘k ben blij dat w'r zijn!" zucht Flup opgelucht met zijn klak het zweet van zijn kaalkop wrijvend terwijl Broos zorgvuldig het kramakkelijke staldeurtje terug sluit.
" Ik niet minder, zeker!" beaamt Broos. " Ik was er niks gerust in toen we gisternamiddag diene garde bijna tegen het lijf liepen!"
" Ja, gelukkig dat we Liesbeth bij hadden om die stomme klabak bezig te houden!"
" En dat gij met dien onnozelaar zijn kleren zijt gaan lopen!" lacht Broos.
" Ik zou die vent zijn smoelwerk wel eens willen zien hebben toen hij in zijn adamskostuum naar huis moest!" grinnikt Flup vol leedvermaak terwijl Flor op zijn vliering zowat ligt over te koken van gerechtvaardigde woede.
Verder wordt er niet gelachen want Broos trekt de brits waarop Flor zoëven nog gelegen heeft van de muur. Ruimt wat vuil stro uit de weg en opent vervolgens het daaronder liggende valluik.
" Geeft die zakken eens aan, Flup!" commandeert hij afdalend in de onderliggende krocht.
 
Terwijl Flup en Broos, gadegeslagen door de op zolder liggende Flor hun duistere zaakjes afhandelen begeven een goede kilometer terug Pol en Peer, vergezeld van boer Coene en Jef de boswachter zich na moeizame onderhandelingen met laatsgenoemde over het gebruik van zijn hond eindelijk op weg.
" Pakt de beestjes, Blackie!" spoort Jef zijn viervoeter aan als ze bij het kapelleke komen. Waarop Blackie een paar keer kwispelstaartend blaft en op zijn achterste gaat zitten.
" Neeje! Geen pootje geven!" vermaant Jef een beetje geambeteerd.
" Zoeken!" Waarop Blackie gehoorzaam zijn ander poot aanbiedt.
" Zijt ge zeker dat dat mormel Vlaams verstaat?" vraagt Peer wijfelend.
" Natuurlijk! Ik heb hem zelf afgericht!" sneert Jef.
" Om pootjes te geven, zeker?" komt boer Coene tussen.
Maar het is Pol, met zijn groot verstand die de oplossing aanbrengt.
" Tuttut, boer! Ge moet dat beest de kans geven om de geur van die onverlaat op te snuiven!" waarna hij een restje stro dat Flor daar, met het schielijk ontwijken van de aanstormende riek, verloren heeft onder de neus van Blackie duwt.
 
" Wie daar?" vraagt Broos voorzichtig nadat, onverwacht, een vrijmoedige roffel op de deur weerklonken heeft.
" Ikke, nonkel!" antwoordt een vrolijke meisjesstem en Flor's hart verhuist kortstondig naar zijn keel als hij Liesjes liefelijke timbre herkent.
" Laat ze binnen, Broos!" geeft Flup met een onheilspellende knik in de richting van de deur te kennen terwijl hij uit de geheime bergplaats kruipt.
" Da's ook niks te vroeg!" snauwt hij van zodra Liesje de ruimte betreedt.
" Euh?...Wat is er, nonkel? Zijt ge kwaad?"
" Kwaad? Natuurlijk ben ik kwaad!..." raast Flup armenzwierend.
" Als ik vraag om die gendarm bezig te houden, moet g'r niet direct plat mee gaan!"
" Maar, nonkel!..." begint Liesje verongelijkt.
" Niks, nonkel! Gij zijt een vuile hoer!" briest Flup en verkoopt Liesje een oplawaai waar zij van tegen de grond smakt.
" Ik ben oud genoeg! Ik...ik.. doe wat ik wil!..." snikt Liesje opstandig.
" Niet met een gendarm! Niet met zo'n stuk verdriet!!!" brult Flup.
" Het is zo'n schone jongen!" snottert Liesje. Wat haar terstond een tweede oorvijg oplevert.
" Hij was zóoooo... lief!!!" blért het kind uit volle borst.
" Watte? Watte????" loeit Flup, helemaal over de rooie.
" Ik... ik..." snuft Liesje en dan plotseling, zachtjes, zelf een beetje verrast.
" Ik zie hem geren!!!"
" Watte?? Zo'n.... zo'n...." krijt Flup. Maar dan valt Flor hem als een razende op de nek.
" Ha, gij hebt Liesje geslagen!!!" tiert hij met zijn vuisten ongenadig Flups hoofd bewerkend.
" Hier, gij smeerlap! Daar gij rotzak!!! Dát zal U leren!!!"
" HANDEN OMHOOG!!!!" brult Broos, Flor bij de haren van de voor pampus liggende Flup trekkend.
" Vooruit! Achteruit! Tegen die muur daar!" gaat hij dreigend verder.
Flor staart van zo dichtbij in de loop van zijn eigen dienstwapen dat hij de kogel kan zien zitten.
" Slik!! Heu...ge gaat toch geen zotte dingen doen hé?" fluistert hij zijn handen omhoog stekend, maar direct weer omlaag brengend om de veel te wijde broek van boer Coene voor afglijden te behoeden.
" Zotte dingen? Bijlange nie!" grinnikt Broos en Flor slaakt een zucht van verlichting.
" U alleen maar vermoorden! Anders niks!" legt Broos uit terwijl hij langzaam de trekker overhaalt.
" NEEJE!!! Neeje, Broos! Niet doen!!!" komt Liesje tussenbeide en wringt zich wanhopig tussen hem en haar geliefde.
" Uit de weg, stom kieken!" vloekt Broos. " Of ik schiet U ook dood!" Maar Liesje geeft niet af.
" Goed! Ge hebt het zelf gewild!" besluit Broos en legt opnieuw aan. Flor weet niks anders te doen dan Liesje voor de laatste keer van zijn leven innig te omhelzen.
" Van a één, van a twee..." en op drie barst de deur van de stal uit haar voegen en rolt een stortvloed van gendarmen, boeren en boswachters vergezeld door een meute honden holderdebolder over Broos heen.
Als Flor en Liesje, verbaasd dat ze nog steeds leven de ogen weer durven te openen, ontwaren zij een onontwarbaar kluwen armen en benen dat net als de haren van Medusa een eigen leven lijkt te leiden.
Flor schuift Liesje even aan de kant. Raapt de revolver, die Broos uit de handen is geglipt, met veel tegenwoordigheid van geest van de grond. Mept voor alle zekerheid de fielt buiten westen. Schopt Flup, die stilaan weer tekenen van leven vertoont, wraakgierig venijnig in het kruis en wacht vervolgens geduldig tot iedereen zijn eigen ledematen heeft uitgesorteerd.
 
" Dag boer Coene...."
" Goeiemorgen, kapitein..."
" Ge komt als geroepen! Kent gij een woord van drie letters dat melkleverancier betekent?"
" Heu?... Neeje, maar ik zal het straks eens aan ons Bertha vragen!"
" ........."
" Hm....!"
" Heu?... Ha boer, wildet gij iets vragen soms?"
" Het gaat over mijn zondagse broek, kapitein!"
" Uw zondagse broek? Welke zondagse broek?"
" Die met dat grijs streepke!"
" Ha, die! Wat is daar mee?"
" Die is hier gebleven als bewijsstuk, kapitein!"
" Ja, en dan?"
" Wel...nu Liesje en Flor gaan trouwen zou ik die graag terug hebben...." 
 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.