Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Overige
Geplaatst:
30 oktober 2013, om 15:03 uur
Bekeken:
498 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
211 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Vakantieland - Afl. 1 van 2"


 

Steeds meer kreeg ik het gevoel dat ik van mijn werk tamelijk overspannen raakte; dus meldde ik mij na het weekend ziek en regelde in een ommezien thuis een zomervakantie.
    Die kwam erop neer dat we gedurende veertien dagen een houten zomerhuisje zouden betrekken in een vakantiedorp aan de kust. Omdat we vorig jaar ongeveer ditzelfde hadden gedaan, waren de voorbereidingen gauw gemaakt; hetzelfde vakantieadres, dezelfde mensen, en het zelfde faxnummer nog. Van opzet uiterst bescheiden werd deze vakantie; zoals alles bescheiden en sober is geworden sinds de algemene inkomensdaling veroorzaakt door wereldwijde zwarte scenario's en rommelende oorlogsdreigingen.
    Nu is het met een vakantie wel vaker behelpen, dat weet iedereen en dat kan me ook niet zoveel schelen, maar dit jaar was onze zomerpauze wel erg magertjes van inhoud. Het was zelfs de vraag of mijn gezondheid wel zou opknappen in zo'n crisisentourage als deze; in die weliswaar groene, – maar dan toch weer niet zo natuurlijke – omgeving, waar men stelselmatig de helft van de bomen omhakt om er nog meer armoedige houten huurhuisjes tussen te kunnen zetten. – We zitten hier nu ruim een week.
   
Het is nog begin middag als Ilse en ik zich in onze "datsja" bevinden, waar het tropisch warm is, omdat de hete junizon de hele tijd genadeloos op het platte dak brandt. Ilse staat voor het aanrechtje van een meter lang en roert in een plastic teiltje met de rammelende afwassoep van kopjes en bordjes en ik staar in gedachten naar het oude tvtje van groen plastic met een schermpje nauwelijks groter dan een velletje schrijfpapier. Het staat meestal uit; omdat er niet veel aan te beleven is; we kunnen maar één zender krijgen via een sprietantenne, buiten aan een boom bevestigd.
    Ilses donkere krullekop schudt lichtjes bij de afdroogbewegingen die ze maakt, en ik kijk naar de raampjes, de plastic gordijntjes en naar de bomen buiten. Het meubilair in het huisje is volgens mij zodanig dat de kringloopwinkel het nog niet eens gratis zou ophalen. – Ik had best wat luxueuzers willen huren, maar Ilse wilde per se naar dit dorp, want "daar waren we een jaar geleden ook. Die mensen daar lichten je tenminste niet op." Maar vorig jaar zaten we nog in een stacaravan van zekere luxe, heel rustig langs het riet van een meertje. Dit jaar echter wilde zij met het oog op de onzekere toekomst het reservepotje geld niet extra aanspreken voor wat comfort. – Zij heeft beslist geen gat in haar hand, – ik vind dat je het als echtgenoot slechter kunt treffen, – maar in sommige opzichten is zij wel èrg zuinig, ja gierig af en toe, zonder overdrijving gezegd.
    Even nog speelde daarbij de kwestie van de kinderen, die niet mee naar de duinen wilden, "omdat daar niks te bleven valt..." Nu ja, dan niet, lekker rustig. Die zijn nu uit pure ellende anderhalve week op schoolkamp.
    Ik zeg of ik het eigenlijk tegen mijzelf heb, (waar moet je over praten, als je elkaar zoveel jaren kent) – "Wij doen voor onze vakantie in elk geval een zuinige uitgave; met dank aan het grote inleveren, de internationale bankmaffia en de eeuwig ongewisse jaren van de toekomst."
     Daar is geen antwoord op te verwachten en ik kijk hoe zij het afwaswater in de emmer giet die dienst doet als gootsteen. De eerste dag gaf ze het water aan de geraniums die in lichtbruine koffiebekertjes voor de ramen staan, tot ze merkte dat die rode en roze bloemen van plastic zijn.
    – Ik vervolg nog meer in mezelf: "Op de radio zeiden ze dat alle verwachtingen alweer naar beneden worden bijgesteld.  – Als dit doorzet kunnen we straks ons niet eens meer een vakantie permitteren, hoe goedkoop we die ook in gedachten hebben." – Ik weet eigenlijk niet waarom ik hierover doorga; ik ben er zelfs niet serieus bij betrokken. Ilse zegt:
    "Heb je Sees gisteren nog gesproken?"
    "Nee hoezo."
    "Die zou vanmiddag toch komen?"
    "Ja dat zou die; maar meer ook niet, hij heeft geen tijd genoemd." – Ilse zet kopjes en bordjes op een wankel en gedeeltelijk verroest afdruiprekje.
    "Ik hoorde dat hij hier logeert even buiten het dorp," vervolg ik. "Super eigenaardig hoor, dàt. – Ik hoorde het toevallig van de kampbeheerder." 
    "Waarom zou dat eigenaardig zijn?"
    "Omdat Sees volgens mij weet dat ik hier eigenlijk niet mag wezen. Ik geld als ziek en dan hoor je netjes thuis op de bedrijfsarts te wachten. Zonder toestemming van hogerhand is tijdens ziekte op vakantie niet toegestaan. Je kunt tegenwerpen dat vakantie juist het gezondheidsherstel kan bevorderen, maar zoiets nemen ze niet aan... Wat dus zo eigenaardig is, is dat we Sees een paar jaar niet zien en opeens logeert hij vlak bij je in de buurt. Zulke aanwezigheid kan niet toevallig zijn. Eerder verdacht... Ik denk dat hij... Ik denk dat ze hem de opdracht hebben verstrekt mij in het geheim in de gaten te houden teneinde mij op heterdaad te betrappen. Om mij daarvoor onmiddellijk ter verantwoording te kunnen roepen als ik weer terug ben. Zo lekker zijn die banken tegenwoordig niet. Die werkgevers gaan, nu het internationaal noodweer allerwegen toeslaat, allemaal meedogenloos om met hun personeel en melken zulke dingen tot in de finesses uit. Behalve natuurlijk hun eigen bonussen."
    "Och welnee, Sees als bedrijfsspion? Bestaat niet! Hij is veel te aardig om aan zoiets zelfs maar te denken. Ben jij niet veel te wantrouwig altijd?" Ilse heeft zich omgedraaid en droogt haar handen af aan de vaatdoek. Zij heeft een eigenaardig asymmetrisch gezicht met ogen die onderling heel verschillend zijn. Die expressie, – of liever ongerijmdheid in haar expressie, vond ik toen ik haar voor het eerst ontmoette in dat café, heel aantrekkelijk, ja geheimzinnig.
    "Je hoeft mij niks te vertellen over Sees," vervolg ik, "ik ken hem al lang... als een volstrekt onberekenbare kwibus, en daarom moet ik serieus rekening houden met de..."
    Ik stop abrupt, want meteen zie ik de rijzige gestalte van Sees vlak voor onze deur opduiken. Hij stampt het zand van zijn zolen en komt bukkend vanwege zijn lengte de tent in.
    "Ben je klaar?" Hij lacht erbij alsof dat als grapje is bedoeld, en groet ons luchtig, als voorbijgaand bijna. In ons heiligdom hier is hij nog niet eerder geweest, maar hij lijkt zich over de kwaliteit niet te verwonderen en blikt nauwelijks rond.
    Hij is een lange blonde, sluikharige man met een vrijwel liploze brede mond en tamelijk verdiept liggende ogen; een dertiger die aan de magere kant is gebleven. Sees Labeier. Hij is meer dan een hoofd groter dan ik. Geen rotsvaste vriend, meer een kennis, of eigenlijk vroegere klasgenoot; wij zaten op dezelfde middelbare school. In die jaren ben ik hem geregeld uit het oog verloren, maar af en toe dook hij, alsof de duvel ermee speelde toch weer even op. – Hij presenteert zich een beetje te overdadig naar mijn gevoel; al zou het niet makkelijk zijn aan te wijzen waaraan dat precies is af te meten. – Ik ben hem eergisteren zomaar tegen het lijf gelopen in het dorp, – ook al verdacht, nu ja een beetje verdacht, – waarbij hij de wens uitsprak om samen een kleine wandeltocht in de omgeving te ondernemen. De reden was vaag en onbeduidend, ik ben hem ook vergeten, en hoewel ik er eigenlijk geen zin in had, maar ook geen zin om leugenachtige smoesjes te verzinnen, en tegelijk toch ook nieuwsgierig was, heb ik hem toen maar ons huisjesnummer gegeven.
    We nemen afscheid van Ilse en lopen onverwijld de warme buitenlucht in. Hij loopt, alsof dat een afspraak was, meteen om het huisje heen, in plaats van naar de voorzijde, naar de asfaltweg. Ik loop achter hem omdat ik al dadelijk het idee krijg dat hij een soort plan heeft bedacht hoewel hij het nog nergens over heeft gehad.
    Je belandt zo aan de sinistere achterkant van ons kampje, een doorgang die schuilgaat onder stoffige struiken en uitvergrote zware bomen, een plek die er nog armoediger uitziet dan de voorzijde. De afvalemmers hebben hier hun plaats, naast een schuur, benevens een paar gammele tuinstoelen tegen de wand gezet; overal liggen sinaasappelschillen op de grond. Vanwege die smerigheid kom ik hier niet graag. De kamp-wc is hier ook in de buurt; en ik verbeeld me dat je dat met die hitte kunt ruiken. 
    Vooralsnog begrijp ik zijn bedoeling niet; dus eerst maar even vragen. "...Ehh waar zouden we ook weer heen?" (zo losjes en onnadrukkelijk mogelijk want anders klinkt het onnozel). 
     "Dat weet ik niet precies. Dat hangt van onszelf af... Als we eens een soort rondtrekkende beweging gaan maken? Dan komen we misschien wel weer hier uit. Haha! Gezellig toch?"

(Wordt vervolgd met nog één aflevering).


 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.