Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
24 april 2013, om 11:37 uur
Bekeken:
245 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
77 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"leer"


 

In een middeleeuws dorpje, hier ver vandaan, gelegen langs
de nog smalle oorsprong van een honderden kilometers verderop brede rivier,
woonde een leerlooier. Zijn looierij lag aan de rivier, wat wel handig was,
want voor leer looien heb je water nodig. Ook lag de looierij wat buiten het
dorp, want wie wel eens bij een looier geweest is, weet dat het daar
verschrikkelijk stinkt. De looierij leverde allerhande leer, varkensleer, grof
voor stoere laarzen en zadels, runderleer 
voor het fijnere werk, kalfsleer voor de mooiste damesschoenen en zachte
buidels en een heel fijne leersoort van een of ander gevogelte, waar nog
niemand van gehoord had.


Niemand had ooit nog zo’n vogel gezien. Ze werden meestal ’s nachts bezorgd en de volgende morgen waren ze al verwerkt. Het afval, de vogels werden in hun geheel gebracht, anders dan de andere huiden, werd aan het varken gevoerd. Het was het mooiste leer dat ooit iemand gezien had en veel te duur voor de dorpsinwoners. Het werd verkocht aan de rijke mensen in de omgeving. Er werden handschoenen voor de dames van gemaakt en kaften voor dure boeken. De dorpsvrouwen keken er met spijt naar, maar ach, het leer was veel te fijn voor
hun ruwe handen en wat moesten ze met zulke fijne handschoentjes, àls ze ze al
hadden kunnen betalen? Ze konden er moeilijk mee in de tuin gaan werken.


Ze mochten er niet eens aankomen van de looier. ‘Jullie
handen zijn véél te ruw voor zulk mooi leer. Je zou het maar beschadigen. Dit
is meer geschikt voor jullie.’ En hij pakte een rundleren lap. Zelfs kalfsleer
wilde hij aan hen niet verspillen. Dat konden ze ook niet bekostigen.

 

De mensen waren wel nieuwsgierig naar de vogels, maar
niemand kreeg ooit de kans er eentje te zien. Er was zelfs wel eens iemand die
’s nachts niet kon slapen en een eindje ging wandelen, toevallig in de richting
van de looierij. Maar dan kwam er natuurlijk geen wagen met vogels en de
leerlooier hing niemand aan zijn neus wanneer er weer een lading kwam.

 

‘Hoe heten die vogels toch, waarvan je dat mooie leer
maakt?’ vroeg wel eens iemand.


‘Dat is de Sylvia Cantillans,’ was het antwoord en de vrager
was de mond gesnoerd, want iemand die Latijn kende, die ondervroeg je niet.

Maar met het gebruiken van Latijnse termen moet je toch
uitkijken, want muren hebben oren en broeders ook. Zo kreeg een broeder uit een
naburig klooster het verhaal over het prachtige leer te horen. Hij had ervan
gehoord en had wel interesse in zo’n stuk leer voor de kaft van een boekwerk
dat hij aan het schrijven was. Hij sprak er toevallig over met een koopman in
allerlei goederen die langs de dorpen ging met zijn handel op een ezeltje. Die
man wist zich ook nog de naam van de vogel te herinneren.

‘Sylvia Cantillans,’ mompelde de broeder, ‘zo, zo…’

Hij haastte zich terug naar het klooster,  zijn wenkbrauwen gefronst. Dàt moest hij eens
nakijken. Hij ging direct door naar de kloosterbibliotheek en zocht in een
naslagwerk voor dieren. Het duurde even voor hij het gevonden had, maar
toen…’ja hoor, als ik het niet dacht!’

De Sylvia Cantillans was de baardgrasmus, een klein
vogeltje, waar nooit zulke lappen leer vandaan konden komen. Hij moest maar
eens met de schout gaan praten.


Hij vroeg permissie aan de abt van het klooster om af te
reizen naar de stad, want zo’n klein dorpje had zelf geen schout.

 

 

De schout vond het ook maar een raar verhaal. ‘Het zit daar
niet naar mijn zin,’ mompelde hij.

‘Ik ga daar eens één van mijn mannen naar laten kijken.’


De man die door de schout gestuurd werd, kreeg onderdak in
het klooster, waar hij overdag sliep. ’s Nachts hield hij zich op langs de weg
die naar het dorp leidde. Niemand zag hem, want hij was een expert in het
bespioneren van mensen. Het duurde een tijdje, tot er op een nacht een wagen
kwam aangereden. Hij liet de wagen passeren en na een tijdje deed hij de roep
van een uil na, drie keer achter elkaar. Er was een broeder in het klooster,
die waakte en naar hem toe zou komen om hem bij te staan.

 

Het duurde een half uurtje voor de broeder kwam. Ze gingen
gezamenlijk naar de looierij, waar het lossen van de vracht net klaar was. De
looier en de wagenbestuurder hadden duidelijk niet op bezoek gerekend. Er lagen
wat lijkjes op de vloer. Kinderlijkjes, arme kinderen zo te zien van een jaar
of zes tot acht. Waarschijnlijk uit een weeshuis of straatkinderen die niemand
zou missen.  De twee mannen die hen
betrapten bonden ze goed vast. De broeder ging naar het klooster en van daar
werd iemand per paard naar de schout gestuurd. Deze kwam de volgende morgen met
meerdere paarden aan. De twee schuldigen werden op een paard gebonden en
afgevoerd. Ze zouden het niet overleven. De galg was geduldig.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.