Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Overige
Geplaatst:
16 oktober 2012, om 11:04 uur
Bekeken:
448 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
111 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Haiku, klein maar dapper"


Misschien wel de meest zuivere poëtische dichtvorm.

 

Het kwam zo maar plots in me op om de haiku te betitelen met de opmerking: “Klein maar dapper!,” beseffende dat ik met de kwalificatie van dapper te kort doe aan poëtische kracht die dit korte gedicht in zich draagt.

“Simpel 3 regeltjes 17 lettergrepen en dan meestal nog met een vreemde, onbegrijpelijke slotzin. Wat stelt dat nu voor?” Dit was ook mij eerste indruk, toen ik pas kennismaakte met deze Japanse dichtvorm. En dan al die overdreven lijkende regeltjes voor zo een prutsversje.

Reacties, die ik nu vaak zelf krijg als ik weer eens een haiku de wereld instuur. Begrijpelijk dus, maar met dit verhaal hoop ik op wat meer inzicht in de poëtische waarde van het gedicht.

 

Anderzijds begreep ik dat een zo intens beoefende dichtvorm in Japan, al vanaf de 7e eeuw meer waarde en diepgang moest hebben dan ik zo snel even bagatelliseerde. Twee volksrijmpjes van onbekende auteurs uit die 7e eeuw, laten al zien dat men in Japan bijzonder gesteld was op de natuur:

 

Boven de bergstroom

die zich neerstort over rotsen

ontluikt de adelaarsvaren

en nadert de lente

 

Sneeuw valt en zakt weg

tussen het bamboegras

maar hoe lieflijk dansen de vlokken

 

Het volk was toen in de ban van de natuurreligie Shinto (‘weg van de goden’). Naast deze religie was Shinto voor hen dé manier om de liefde voor de natuur tot uitdrukking te brengen.

 

Onder invloed van het zenboedisme ontstond een gevoeligheid voor de wijze waarop schoonheid en vergankelijkheid samengingen. Dauwdruppels en kersenbloesem stonden symbool voor het feit dat dingen mooi samen kunnen zijn, deels omdat ze vergankelijk zijn.

 

Grote haikudichters als Bashö, Buson en Issa, waren vrome boedisten en hun gedichten bevatten krachtige beelden van dauwdrup-achtige vergankelijkheid in de ukiyo (verglijdende wereld)

We zitten dan al in de 17e en 18e eeuw, waaruit deze twee haiku’s stammen.

 

Zomergras

dat is alles wat rest

van de dromen van de krijgers

( Bashö 1644-1694)

 

Cameliablaadjes vallen

morsen

de regen van gisteren

(Buson 1715-1783)

 

Twee citaten die de bewondering voor de haiku’s verwoorden:

  1. “De avondhemel in de herfst heeft geen kleur, geen stem. Maar toch krijg je er tranen van in je ogen!” ( van Kamo no Chömei);
  2. “Om te leren over de dennenboom, moet je naar de dennenboom gaan. Een dennenboom ‘is.’ Anders dring je jezelf op aan het object en leer je niets!” (van Bashö).

 

Dit laatste citaat zegt alles over het principe van de haiku. De dichter staat niet vóór zijn vers als explicateur, het liefst is hij er niet bij; zelfexpressie is voor hem onbelangrijk. Dit hangt samen met het feit dat de grote tegenstelling tussen mens en natuur, die bij ons zoveel spanningen veroorzaakt, eenvoudig niet bestaat in de Japanse denkwereld. Voor de Japanner heeft de mens dezelfde goddelijke oorsprong als de gehele schepping en verkeert hij in harmonie met bergen, vlakten en wateren van zijn prachtige land.

De dingen spreken, zoals Goethe zei en niet de betekenis achter de dingen.

Alleen die details, waarin de emotionele kracht ligt van het tafereel, worden weergegeven, zo direct mogelijk, zonder enige vaagheid.

 

In de eerste zin van een Haiku vermeldt de dichter puur wat hij ziet, waarneemt, zonder beeldspaak. Dat kunnen bijvoorbeeld dorre bladeren zijn. Enkele voorbeelden:

  1. Och, kijk een mus sprong;
  2. zij spraken geen woord;
  3. dikke huisjesslak.

In de tweede zin zegt hij iets over zijn waarneming:

  1. helemaal langs de veranda;
  2. de gast noch de gastheer, noch;
  3. ook jij, beklim de Fuji.

In de derde zin volgt vaak een omslag of ontknoping:

  1. met natte voetjes;
  2. de witte chrysant;
  3. maar langzaam, langzaam

 

Het is niet mogelijk om in een artikel volledig te zijn. Daar komt bij dat de verschillen in taal en cultuur dit nog eens extra moeilijk maken. Puntsgewijs geef ik hieronder nog wat kenmerkende verschillen en bijzonderheden:

 

Ø      Haiku is poëzie van het zelfstandig naamwoord;

Ø      In principe is het één zin, die in één ademtocht kan worden uitgesproken;

Ø      Haiku is natuurpoëzie;

Ø      Haiku is een kleine vinger, maar wijst naar de maan;

Ø      Haiku betekent schertsend gedicht;

Ø      Seizoenwoord is nodig om het moment van waarneming levendig te houden. Dit hoeft niet letterlijk te zijn. Sneeuw duidt bijvoorbeeld op winter. In een gedicht van Japanse oorsprong voor ons soms moeilijk te ontdekken.

Ø      Regels van 5-7-5 lettergrepen lijken op een golfbeweging;

Ø      Harmonie is een sterke karaktertrek van de Japanse beschaving;

Ø      De zwier, de panache, de show is aan de Japanse poëzie steeds vreemd gebleven;

Ø      Japanse taal kent geen lidwoorden;

Ø      Doorgaans geen verschil tussen enkel- en meervoud;

Ø      Het onderwerp wordt vaak verzwegen als verondersteld wordt dat het bekend is;

Ø      Japans kent talloze woorden met verschillende betekenis;

Ø      De Lente begint op nieuwjaarsdag.

 

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.