Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Horror
Geplaatst:
6 september 2012, om 16:14 uur
Bekeken:
735 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
165 [ download ]

Score: 3

(3 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Zie mijn wraak"


 

Het iele mannetje sjokte, enigszins onvast op zijn benen, over het strand, diep in gedachten verzonken. Wat gisteren gebeurd was, was niet alleen maar vreemd, het klopte simpelweg niet. Een vrouw zou zoal nooit op hem afstappen en hem een stevige knuffel geven, maar er was meer gebeurd. Hij wist zeker dat tijdens die knuffel ze iets aan hem overgedragen had. Hij had geen idee wat, geen idee waarom, maar dat gevoel was te sterk om te negeren. En toch, hij was nuchter genoeg om te weten dat dat gewoonweg niet kón. Misschien had ze zo een ziekte kunnen overdragen, maar dat zou hij niet op deze manier gevoeld hebben. Het was ook echt niet een gevoel wat hij had overgehouden aan het lichamelijke contact zelf, dat was niet heel aangenaam of juist heel akelig geweest, nee, hij was geschrokken van de plotselinge omhelzing, meer niet. Dus waar kwam dit vreemde gevoel dan vandaan, waarom was het zo specifiek een gevoel alsof er iets aan hem gegeven was?

 

Hij keek op, schuin voor hem waren een stel gespierde jonge kerels indruk aan het maken op een groepje meiden. Ze liepen zo snoeverig rond, dat er bij het mannetje een cartoonachtig beeld opkwam, van een stripfiguur die zo rondliep, de hark, die voor hem op de grond lag, niet zag, erop trapte en de steel tegen zijn hoofd kreeg. Hij glimlachte even in zichzelf. Hij visualiseerde de hark net voor de ergste snoever, en zag hem erop stappen. De kerel kreeg de steel in zijn gezicht, struikelde bijna achterover en greep naar zijn pijnlijke hoofd. Hij legde zijn hand op zijn neus en bloed begon tussen zijn vingers door te sijpelen.

Van schrik, door wat er gebeurde, was het mannetje gestopt met de hark te visualiseren, en die was dan ook nergens meer te bekennen.

Dit kon niet. Dit kón gewoon niet. Ging zijn fantasie nu zo erg met hem op de loop? Maar nee, die kerel met die bloedneus was écht, de mensen om hem heen zagen het toch zeker ook, ze hielpen hem en alles. Of fantaseerde hij nu de hele situatie? Was hij wel op het strand?

Voorzichtig gebruikte hij een ook vrij cartooneske manier om te controleren of dat zo was. Hij kneep met twee vingers hard in een stukje van zijn vel. Het deed pijn, verrekte veel pijn. Was dat een bewijs dat hij toch echt bij zinnen was, of fantaseerde hij die pijn er gewoon bij?

Ach, zo kwam hij er toch niet uit. Maar hij had er een grove hekel aan als er onverklaarbare dingen gebeurden. Er moest altijd een verklaring voor zijn, er wás altijd een verklaring voor, maar in dit geval kon hij die met geen mogelijkheid vinden.

 

Hij liep langzaam door, proberend dit vreemde geval en dat vreemde gevoel te combineren. Het lukte voor geen meter. Opeens sprong er een klein keffend hondje voor zijn voeten, zo’n blafrat. Het ongedierte kefte, gromde en sprong zo vlak voor hem op en neer dat hij er onmogelijk langs kon komen. Hij bedacht dat er speciale muizenvallen voor deze monstertjes moesten komen, en beeldde zich in dat het pokkebeest op een grote muizenval op en neer sprong, die prompt dichtklapte. Het beestje gaf nog één hoog kefje en lag dan stil op het plankje, de ruggengraat duidelijk gekraakt door de dichtslaande val. Naast hem begon een vrouw te gillen. Hij raakte het beeld van de val kwijt en die verdween meteen. Het lijk van het hondje plofte het kleine stukje naar beneden naar het zand.

Een dikke, roodverbrande man kwam woedend brullend op hem af; de eigenaar van de hond zeker. Hij stak zijn handen op in onschuld, hij had het hondje toch zeker niet eens aangeraakt?

Maar de wandelende biefstuk dacht daar blijkbaar anders over en was overduidelijk van plan om erop los te gaan slaan. Het mannetje bedacht zich een grote vleesvork en reeg de biefstukman eraan. De man viel rochelend achterover, de grote vork nu recht omhoog in de lucht stekend. Zijn vrouw, nog steeds gillend, pakte de vork zelfs vast en probeerde die uit het lichaam van haar man te trekken. Het mannetje schudde zijn hoofd. Die vork was toch zeker niet écht? Hij sloot even zijn ogen en raakte het beeld van de vork kwijt. Toen hij zijn ogen weer opendeed was het ding in de buitenwereld ook weg en de vrouw stortte zich huilend op haar zwaargewonde man.

Diverse mensen keken nu in de richting van het mannetje, met uitdrukkingen op hun gezichten van verbazing, walging, woede, argwaan, alles was wel zo’n beetje te zien. Gelukkig konden zij het net zo min begrijpen als hijzelf.

 

Maar dan, moest hij het wel begrijpen, moest hij wel weten wat dit was, of kon hij maar beter gewoon aanvaarden dat het nu zo werkte, en er zijn voordeel mee doen?

Hij was weer verder gelopen, en keek nu even om. Twee mannen waren hem gevolgd, ze liepen een paar meter achter hem en waren snel gestopt toen hij zich omdraaide. Hij stelde zich een breed, kort, diep gat in het zand voor, tussen hem en zijn achtervolgers, met een heel dun laagje zand eroverheen. Toen liep hij een paar stappen achteruit, zijn achtervolgers aankijkend. Ze zetten zich weer in beweging, één van de twee maakte een wenkend gebaar, ze waren waarschijnlijk van plan hem nu aan te spreken over wat er gebeurd was. Hij haalde in zijn gedachten het dunne laagje zand over het gat weg.

De volgende stap die de mannen zetten was in de lucht, ze zagen het maar konden het niet  meer voorkomen, en ze kieperden keurig naast elkaar voorover in de enorme kuil. Hij liet de kuil onbestaan en het strand was weer zoals het even daarvoor geweest was.

 

Wat een kracht, wat een verschrikkelijke hoeveelheid macht gaf dit hem. Hij was een god geworden, alles wat hij zich kon voorstellen, gebeurde. Eindelijk kon hij wraak nemen op al die mensen die hem beschimpt, getreiterd, aan de kant geduwd, onder de voet gelopen hadden, gewoon omdat hij maar een schriel, verlegen mannetje was dat toch niets terug kon doen. Nu werd dat anders.

 

Hij rechtte zijn rug en zette een vastberaden gezicht op. Er kwam een gitzwarte glinstering in zijn ogen, die hij zelf niet kon zien, maar waar enkele andere strandgangers rillingen van over de rug kregen. Hij grijnsde. Iedereen, iedereen was zo, iedereen zou hem kleineren als ze de kans kregen, iedereen zou hem van zijn sokken lopen als hij in de weg liep. Hij hoefde zich geen situaties uit zijn verleden te gaan herinneren, hier waren genoeg mensen die konden boeten voor wat de wereld hem had aangedaan.

 

Met een handgebaar liet hij, op een plek waar veel mensen bij elkaar stonden, een woud van lange stalen spiesen uit het zand omhoog schieten. Een tiental mensen werd aan de spiesen geregen of raakte een voet of arm kwijt. Het gegil was oorverdovend en hij lachte luid.

Hij begon te lopen en de mensen vluchtten alle kanten uit. Een dik wijf werd geplet tussen twee enorme pannendeksels die hij met een handklap om haar heen liet verschijnen. Een kind werd onthoofd door een frisbee die hij met een knip van een vinger op haar afstuurde. Een bodybuilder-type werd geplet onder de tientons-halter die hij met een vingerbeweging uit de lucht liet vallen. Langzamerhand begon het strand leeg te raken, op het spoor van lijken na dat hij achter zich liet.

 

Voor hem zat een, zo te zien heel mooie, vrouw in het zand, haar hoofd licht voorovergebogen. Hij rolde een enorme stalen bal naar haar toe, maar de bal leek zonder effect dwars door haar heen te gaan. Het mannetje schrok. Dit hoorde niet zo te zijn!

Hij liet een enorme bek met tanden van onder de vrouw uit het zand oprijzen, en klapte die dicht zodat ze aan stukken gescheurd had moeten worden. Maar er gebeurde niets, ze bleef gewoon zitten.

Hij brulde teleurgesteld. De vrouw keek op. Van een afstand was, aan het witte waas over haar hoornvliezen, goed te zien dat ze stekeblind was.

Hij begreep het: ze zag zijn wraak niet, en kon hem dus ook niet voelen. Deze moest hij met de hand doen. Hij liep op de vrouw af, die ondertussen traag opstond en hem ongeveer aankeek. Ze was inderdaad bloedmooi, ondanks haar witbedekte ogen. Hij hield zijn pas in. Dit kon hij toch niet zomaar? Hij kwam tot stilstand. Nee, dit kon hij helemaal niet. Zo was hij toch eigenlijk helemaal niet? De vrouw liep langzaam op hem af, één hand naar hem uitgestrekt. Hij stond als verlamd, wilde weglopen, maar kon alleen maar blijven staan en toekijken hoe ze hem naderde. Haar hand raakte zijn borst, ging omhoog naar zijn gezicht. Opeens stapte ze snel naar voren en legde haar beide handen op zijn ogen. Een vlammende pijn schoot door zijn hoofd en gillend viel hij op zijn knieën. Hij probeerde zijn ogen te openen, maar het deed te veel pijn. Kreunend rolde hij zich tot een bal, niet bij machte iets anders te doen dan die verschrikkelijke pijn te voelen.

 

De vrouw keek nog even naar het iele mannetje op de grond, een klein maar triomfantelijk glimlachje gleed over haar gezicht. Ze keek om zich heen, over de zee en langs het nu verlaten strand, en even was een gitzwarte glinstering in haar heldergroene ogen te zien.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.