Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Liefde/Romantiek
Geplaatst:
22 augustus 2007, om 21:23 uur
Bekeken:
1215 keer
Aantal reacties:
1
Aantal downloads:
209 [ download ]

Score: 4

(4 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Obert en co (deel 1)"


  " Hier zie!!!... Tweehonderdduizend frank!"
" Amai!..."
" Ontvreemd!... In de stad!.... Bij juwelier Slaets!"
" Heeft die dan zoveel geld in huis?"
" Ha! Nu niet meer, hé..."
" ... .... .."
" Ik heb nog nooit tweehonderdduizend frank bijeen gezien!"
" Gij zijt gij niet de enige!"
" Met zo'n hoop geld onder mijn matras, zou ik de rest van mijn dagen kunnen rentenieren!"
" Onder uw matras? Steekt gij uw geld onder de matras?"
" Waar anders?"
" Slaapt dat niet ongemakkelijk?"
" Een beetje! Maar waar moet ik er anders mee blijven, hé?"
" Ge kunt het toch op de bank zetten!"
" Bah! Om die sjacheraars er schoon weer mee te laten spelen zeker?"
" Zij zorgen dat uw centen rente opbrengen!"
" Ja, op de manier van Alexander!"
" Hoezo, op de manier van Alexander?"
" Ja, zo van... Alles voor mij en niks voor een ander!"
" Euh???!! ..."
" Daar hebt ge nog niet aan gedacht hé?" lacht Prosper de broccanterieman breed, genietend van zijn overwinning in dit verbale steekspelletje met Jozef Bulleman, de waard van de ‘Barmhartige Samaritaan' die met een vaatdoek in de hand aan het tafeltje voor de estaminet, waar Prosper en meester Schellekens in het najaarszonnetje zijn neergestreken, de bestelling komt opnemen.
" Zeg, meester! Hoe zit dat nu met die tweehonderdduizend frank?" informeert Jozef vlug om niet meer naar Pros's triomfantelijk grijnzende smoelwerk te hoeven kijken.
" Zwzw...momentje, Jef, 't is een Franse gazet, hé ... zwzw...'
" Ze zullen hem wel een klop op zijne kop gegeven hebben!" speculeert Prosper.
" Of brandende lucifers onder zijn teennagels gestoken ...." veronderstelt Jozef Bulleman.
" Alléé Jef, waarom zou iemand dat nu doen?" lacht Prosper schamper.
" Om hem de combinatie van de brandkast te ontfutselen, nondedju! Het spreekt vanzelf dat ge zo'n bedrag niet zomaar in huis laat rondslingeren, hé!"
" Jaaa...." overdenkt Prosper Jozef Bullemans stelling. " Daar zegt ge zowat! Amai, dat zal zeer gedaan hebben!"
" Ha ge weet het!"
" Ik ben blij dat ik geen juwelier ben!"
" Ik ook!" beaamt de Jef.
" Wel, meester? Is het gegaan zoals wij gezegd hebben?"
" Zwzw...zwzw...zw..."
" ... Meester???!!..."
" ......"
" MEESTER?!!...." dringt Prosper, als repons uitblijft, overluid aan.
 " Stttt...Verdorie, ongeduldigaards!! .... Laat een mens nu toch eens voortlezen! Ge brengt mij helemaal van mijn à propos met uw gebabbel!" valt meneer Schellekens, wijsvinger op de plaats waar hij onderbroken is, geërgerd uit. Waarop beide anderen, geconditioneerd door hun in strakstrenge banen geleide verleden op meester Schellekens schoolbanken, abrupt de mond dichtklappen en zich ternauwernood kunnen weerhouden de armen voor de borst te kruisen en braaf rechtop te zitten.
 
Een tijdlang is het stil aan de tafel voor de ‘Barmhartige Samaritaan' waar meneer Schellekens het artikel over juwelier Slaets verder uitpluist terwijl Jozef Bulleman naar binnen drentelt om twee ‘Samaritaanse bruinen' te tappen. Zodat Prosper van lieverlede een gesprek aanknoopt met Mie Coene die juist voorbijgesjokt komt met aan iedere arm een grote mand.
" Amai Marie! Gij zijt nogal eens geladen?"
" ‘k Zou het zo zeggen, Pros! Die van mij heeft het weer in zijne rug!"
" Jaja! Boer zijn is zwaar werk!"
" En die kiekskens en kwartelkens moeten naar de gendarmerie!" klaagt Mie Coene, de keven met een zucht van opluchting op de grond zettend.
" Zo? Kwartels en kiekens? Die gendarmen pakken het er nogal eens van!"
" Dat geloof ik nie, Pros! Die beestjes hier zijn voor de madam van de commandant!"
" Awel, Marie! Voor een half soeke breng ik ze tot daar!" biedt Pros aan.
" Een half soeke?" schrikt Mie. " Het geld groeit niet op mijne rug zulle!"
" Niet? Even goei vrienden! Het was het proberen waard, hé!" grinnikt de Pros. " Maar als ge efkens wacht tot ik mijnen bruine naar binnen gespeeld heb, dan help ik U seffens dragen!"
" Da's vriendelijk Pros! Moest ik niet getrouwd zijn, ik gaf U een ferme bees!" glundert de boerin.
" Hela! Hela! Wat hoor ik hier allemaal?" komt Jozef, met de bestelling van Prosper en de schoolmeester properkes op een dienblad, tussenbeide. " Geen aanhouderij in mijn café, hé!"
" Ge moet gij niet jaloers zijn, Jefke!" lacht Mie Coene. " Gij hebt in onze jongen tijd kans genoeg gekregen om mij te kussen!"
" Al goed dat ik het niet gedaan heb! Want dan zoudt ge uwen boer niet meer zien staan hebben!" riposteert Jef.
" Pfff!!!!" wuift Marie deze boude uitspraak achteloos weg. " Mijnen Tuur, awel hé! Da's een lotje uit de loterij! Zoals die vindt ge er nergens nog ene! Weet ge..." maar wat Mie Coene nog allemaal over haar halve trouwboek wil vertellen blijft voorlopig een raadsel omdat, juist op dit ogenblik, meneer Schellekens gereed is met het vertalen van het artikel uit de gazet.
" Alla mannekens, wilt ge horen wat ze over die affaire bij de Slaets schrijven?"
" Van eigens hé, meester!" haast Pros zich te antwoorden.
" We zijn wij één en al oor!" verzekert Jozef Bulleman hem gretig.
" Awel, het blijkt dat die juwelier zoveel geld bij de hand had omdat hij een partij ruwe diamant moest betalen. Maar toen de transactie achter de rug en de verkoper de deur uit was, bleek in het zakske niks anders dan glas te zitten!"
" Amai, da's straffe toebak!" hijgt Jozef Bulleman.
" De politie noemt zoiets ne wisseltruc!" verklaart Prosper als een echte man van de wereld.
 " .... dat schrijven ze hier ook!" wijst meester Schellekens en voegt er uit macht der gewoonte trots aan toe. " Proficiat! Een tien en een bank vooruit!"
" Maar hebben ze dan niet geprobeerd om die kerel te pakken?" verwondert Jozef Bulleman zich.
" Die van de juwelier zijn er nog achter gelopen, maar de vogel was natuurlijk al lang en breed gevlogen!"
" Dat zijn lappen!" zucht Mie Coene. " Wat ze de dag van vandaag toch niet allemaal uitfineren om uw zakken te lichten!"
" De politie vermoedt dat het een internationale bende is die aan het werk is!" gaat de schoolmeester verder.
" Ja! Dat schrijven die journalisten elke keer!" lacht Prosper. " Als ge die moet geloven kunt ge met uw ogen toe geen steen weggooien zonder een lid van zo‘n internationale bende te raken!"
 
En terwijl in de ‘Barmhartige Samaritaan' de discussie nu pas goed losbrandt roept een kilometer verderop de rijkswachtcommandant:
" Sergeant.... Seee..rrgeant!!! " waarna, nog geen halve minuut later, de ontbodene het hoofd om de deur steekt met de woorden:
" Hebt gij geroepen, kapitein?"
" Natuurlijk heb ik geroepen! Waarom zijt ge anders tot hier gekomen!" grommelt de commandant van tussen zijn tanden.
Een reden voor de sergeant om te veronderstellen dat zijn directe chef hem niet voor de gezelligheid ontboden heeft.
" Ik heb hier een telegram met de opdracht uit te kijken naar die boeven die juwelier Slaets opgelicht hebben!"
" Maar, commandant! Met permissie! Die kerels zijn al lang de pijp uit!"
" Dat weet mijn achterste ook, verdorie! Maar die Slaets is getrouwd met de zuster van onze brigadegeneraal!"
" Ah! ...."
" Ik hoef er geen tekeningkske bij te maken, zeker?" snuift de commandant zijn snor geagiteerd opdraaiend tot de punten een gevaar voor mens en dier betekenen.
" Nee, kapitein ..."
" Dat blijft natuurlijk onder ons, sergeant!"
" Zeker, kapitein!"
" Goed! Alle verloven zijn tot nader order ingetrokken!"
" ..... slik!! "
" Alle manschappen naar buiten en alles en iedereen die ge niet kent controleren!"
" Tot uw orders, commandant!" salueert de sergeant. Keert op zijn hakken om en maakt zich op om het kantoor te verlaten.
" Ah ja! Nog iets, sergeant!"
" Ja, kapitein?"
" Is de jonge Floris in de kazerne?"
" Die heeft latrinekorvee, kapitein!"
" Goed! Laat hem hier komen, maar zeg dat hij eerst andere kleren aandoet en zijn pollen wast!"
 
" Zulke oplichters horen in het gevang!" posteert meneer Schellekens luidruchtig terwijl de discussie voor de ‘Barmhartige Samaritaan' stillekensaan uitdooft.
" Ja! Maar ge moet erkennen dat ze het properkes gelapt hebben, hé?" houdt Pros vol.
" Ze hebben tenminste geen geweld gebruikt! Da's waar!" geeft de schoolmeester ruiterlijk toe.
" Maar!!!... hé, wat is dat?"
" Wat is wat?" vraagt Jozef Bulleman onnozel.
" Awel, hoort gijlie dat niet?"
" Watte???" galmen Jef, Pros en Mie Coene in koor.
" Dat... ja hoe moet ik dat uitleggen....dat lawaai!!!" en werkelijk, nu horen de anderen het ook. In de verte klinkt zoiets van "Pif...paf...poef..." alsmaar opnieuw en razendsnel achter elkaar.
" Amai, ge kunt horen dat de jacht open is!" zegt Jozef Bulleman.
" Zoveel knallen achtereen? Dat moet een heel leger zijn!"
" Oeioei!" jerimiëert Mie Coene vol afgrijzen. " Oorlog!! Het is oorlog!!!"
" Kalm, Mie! Kalm!!" maant meneer Schellekens haar. "Als het oorlog was zou dat toch in de gazet gestaan hebben!"
" Wat het ook is, het komt dichterbij! Rap dichterbij!!" stelt Pros vast en almeteen breekt het inferno tussen de eerste huizen van het dorp los.
" Het laatste oordeel!!!" besluit Mie Coene en zinkt, devoot de handen ten hemel geheven zachtjes een ‘Onze lieveheer' prevelend, op haar knieën.
" Maar alléé, Marie! Het laatste oordeel dat is met klaroengeschal en engelen die uit de hemel neerdalen en zo! Ziet gij hier soms engelen?"
" Heu..." broebelt Mie terwijl ze voorzichtig één oog opentrekt en haar entourage monstert. " Niet direct, nee...."
" Awel?" argumenteert de Pros.
" Maar wat is dat geraas dan?" vraagt Marie, moeizaam terug rechtkruipend.
Een vraag waar ze subiet antwoord op krijgt want vanachter het hoekske draait een vreemdsoortige kar, met veel kabaal, achtervolgd door een zwarte rookwolk en alle straatbengels van het dorp, de markt op.
Jan de koetsier zijn paarden pakken gelijk een schrik en steigeren en stampen in een poging los te breken om het vege lijf te redden. Gelukkig voor Jan springen Pros en Jef te hulp om de beesten te kalmeren, alvorens er ongelukken kunnen gebeuren.
" Wat is dat voor iets?" stamelt Mie Coene verbijsterd.
" Dat? Dat is een automobiel!" verklaart meneer Schellekens, de allesweter van het dorp. " Ik heb er foto's van in de krant gezien!"
" Lieve hemel, wat een lawijt! En stinken! Mensen! Mensen!" lamenteert Mie, haar neus dichtknijpend.
" Maar dat spul rijdt van zijn eigen!" hakkelt Pros.
" Waar zijn de paarden om het te trekken?"
" Die zijn niet nodig!" legt meneer Schellekens uit. " Daar van voor, waar die vent met zijn uniform aan dat wiel draait, daar zit een moteur!"
" Ne moteur?" echoot Jef. " Kunt ge dat eten?"
" Euh... .. daar stond niets van in die gazet! Maar diene moteur zorgt ervoor dat die kar vooruit gaat zonder paarden!"
" Amai! Als ik het niet met mijn eigen ogen zag, zou ‘k zeggen dat ge ferm met spek aan't schieten zijt, meester!"
Ondertussen davert het vehikel het dorp alweer uit en keert de rust voor zijn bewoners langzaam maar zeker weer, zodat Jan de koetsier, het door alteratie bedauwde voorhoofd met een bollekenszakdoek droog deppend, zich bij het viertal voor de ‘Barmhartige Samaritaan' kan aansluiten.
" Mercie, Jef! Mercie Pros, dat ge mijn paarden mee in toom gehouden hebt! Dat scheelde geen haar op een pletskop of er waren hier malheuren gebeurd!"
" Och, 't is niks!" lacht de Pros. " Trakteert er ene en we zwijgen er over!"
" Awel, da's goed!" stemt Jan met het voorstel in. "Jef!..." waarop Jozef Bulleman zich haast om iedereen een ‘ Samaritaanse Bruine' te serveren.
" Die verdomde stinkkarren!" vloekt Jan hartsgrondig, nadat hij het bierschuim met zijn mouw van de lippen geveegd heeft. " Die verpesten een mens zijn broodwinning!"
" Kent gij dat duivelstuig dan, Jan?" vraagt meneer Schellekens.
" Ja, verdorie, ja! Die luchtvervuilers komt ge tegenwoordig overal op ‘s heren wegen tegen! Dat vehikel van daarjuist is van die meneer Obert! Ge weet wel! Die het ‘Hof de plaisance' van de baron gehuurd heeft!"
" Een duivelstuig in een spookhuis!" bibbert Mie Coene. " Daar kan nooit iets goed van komen!"
" Maar aléé Marie, de ‘Hof' is toch geen spookhuis! Spoken bestaan niet eens!" beleert meester Schellekens haar. " Nietwaar, Jan?" vraagt hij, steun zoekend bij de koetsier.
" Wel, euh... ik ben er daar toch geen tegengekomen..." geeft deze, voor alle zekerheid een slag om de arm houdend, te kennen.
" Hoe kunt gij daar nu een spook tegenkomen?" vraagt Mie Coene verwonderd. " Precies of gij loopt daar aanhoudend de deur plat!"
" Wel, ik... euh... heb een paar weken geleden de verhuis van die sinjeur gedaan, en toen heb ik geen één gezien!"
                                                                                                                      
Terzelfder tijd dat het dorp in rep en roer gebracht wordt door het verschijnen van de automobiel staat Flor, gewaarschuwd door de sergeant over het humeur van de commandant, in zijn zondagse tenue met roodgeschrobte pollen en een klein hartje strak in de houding voor zijn overste.
" Plaats rust, gendarm!" beveelt de commandant.
" Hm...heu.., wildet gij mij spreken, kapitein?"
" Zet u efkens!" wijst de kapitein, gebarend naar één van de stoelen voor zijn bureau. Een eer die de jonge Floris nog nooit eerder te beurt gevallen is zodat hij wat onwennig aan het verzoek voldoet terwijl de kapitein de papieren waar hij mee bezig is opzij schuift en ontspannen achterover gaat leunen.
" Zeg eens, Floris, hoe bevalt de huwelijkse staat?"
" Heu??.. Hoe.. hoe bedoelt U, commandant?" aarzelt Flor, nog minder op zijn gemak door het persoonlijke tintje dat dit onderhoud blijkt te krijgen.
" Wel, hoe gaat het met Liesje? Kan zij het nogal gewoon worden in de kazerne?"
" Ja.. ja, dat gaat wel! Zeker nu we een kamer met een fornuis hebben, kapitein!"
" Ah???..."
" Ja, ziet ge chef, Liesje houdt niet zo van de kazernekost....." brengt Flor een beetje bedeesd naar voor.
" Daar mankeert toch niks aan, mag ik hopen?"
" Neeje, commandant, neeje." Haast Flor zich zijn meerdere te verzekeren. " Maar Lies die kookt graag haar eigen potje, ziet ge!"
" Dat heb ik geroken, Flor!"
" Heu?..." bibbert Flor, beducht op enige blijk van ongenoegen van de kant van zijn overste.
" En ik moet zeggen dat het water mij meer dan eens in de mond gekomen is!" gniffelt de commandant.
" Ja, ja..." lacht Flor, opgelucht dat de kapitein niet in één van zijn overbekende koleires schiet. " Ons Lies kan goed overweg met haar keukengerei!"
" Zo?...."
" Ge moest haar stoverij eens proeven, kapitein!.. En de manier waarop zij pensen met bloemkool maakt! Mensen, mensen om duimen en vingers af te likken!!" kraait Flor, lyrisch wordend bij de gedachte aan al dat lekkers.
" Awel, Floris-jong, misschien dat ik morgenavond van haar kookkunst zal kunnen genieten!"
" Ah ja, kapitein? Heeft ons Lies U dan uitgenodigd?" vraagt Flor. Verwonderd dat hij van zo'n belangrijke afspraak niet op de hoogte is.
" Nee, Floris! Ik ben het die haar uitnodigt!" legt de commandant uit.
" Heu, met alle respect, kapitein! Maar, heu... ik weet niet of dat wel gepast is....", begint Flor, want zoals elke weldenkende, pasgetrouwde, jonge kerel is hij niet bereid om zijn met veel moeite verworven hoofdprijs in het leven zomaar met iemand anders te delen.
" Ge snapt er niks van, hé Flor?"
" Zo kunt ge 't wel stellen, commandant!" geeft Flor toe.
" Ziet ge, Floris, mijn madam geeft morgen een feestje voor een paar vrienden."
" Ah ja, kapitein?"
" Ongelukkig genoeg heeft Zulma, onze huishoudster, gisteren in haar vingers gesneden..."
" Oeioei! Toch niet te erg hoop ik?" roept Floris uit, want Zulma is nog in de verte famillie.
" Neen neen, niks onherstelbaars!" sust de kapitein. " Maar ze zal wel een weekje of zo niet zelf kunnen koken! Vandaar mijn vraag! Kan Liesje Zulma morgen assisteren?"
" Heu.. ik ...euh... weet niet, commandant!" aarzelt Flor.
" Hoe ge weet het niet?" roept de kapitein. " Ze moet het niet voor niet doen, zulle!"
" Dat is 't niet, commandant. Ik ... euh... weet niet... wat ‘assisteren' wil zeggen ..." bekent Flor.
 
" Et bien, mon chèr commandant Mercier, dat heeft gesmaakt! Lang geleden dat ik nog zo goed gegeten heb!" zucht de heer Obert, voldaan achterover leunend.
" Mes compliments, Madame!" voegt hij er, galant naar de echtgenote van de kapitein overbuigend, aan toe.
" Oh... " bloost de vrouw des huizes koket. " ... mais ce n'est pas moi qui vous devrais remerçier! Ik zal uw complimenten aan ons Zulma overbrengen!"
" Zulma?.. c'est qui ça?" informeert mevrouw Obert nieuwsgierig.
" Zulma is onze kokkin." verduidelijkt de gastvrouw, zich naar haar gaste wendend. " Ik kan U wel vertellen dat ik er niet helemaal gerust op was, vandaag!"
" Comment?"
" Eh bien, nog pas eergisteren heeft dat arme mens zich deerlijk in de vingers gesneden! En bloeden dat het deed! Ik heb naderhand de ganse keuken moeten laten schrobben!"
" Et aujourdhui elle est déja aux travail?" verbaast madame Obert zich.
" Oh non, non! Pas du tout! C'est là waar ik zo bezorgd over was! Mijn man heeft een hulpje uit de kazerne moeten werven! Vous comprenez!"
" Maar zoals ge ziet, lieve..." mengt de kapitein zich in het gesprek " ....heb ik de juiste keuze gemaakt!"
" Comme toujours, mon chèr marie!" toost zijn echtgenote. Waarop het illustere gezelschap gezamenlijk het glas heft op de geslaagde maaltijd alvorens de dames zich terugtrekken in de salon en de heren eindelijk hun vest kunnen openzetten onder het genot van een goeie sigaar en een stevig glas cognac.
" Dis donc, monsieur Obert! Vous êtes content d'avoir loué le ‘Hof de plaisance' van de baron?" opent de commandant het gesprek.
" Oui, oui! Het huis heeft alle moderne comfort! Gaslicht, warm en koud stromend water! Wat kan een mens zich nog meer wensen?"
" Ligt het niet wat te afgelegen?" polst de kapitein.
" Mais non, het bevalt mij uitermate daar op de heide! In Amerika woonden wij heel wat verder van de beschaving!"
" Vraiment?"
" Ja, sur et certain! Mijn naaste buren waren een stel roodhuiden! Kerels zonder god of gebod! Echte wilden!"
" Wilden? Was dat dan niet een pietsje gevaarlijk?" bibbert de kapitein.
" Och,..." schokschoudert de heer Obert niet zonder een vleugje aanstelleritis " ....eenmaal dat die roodhuiden gezien hadden wat een modern repeteergeweer bij een mens kan aanrichten, wachtten zij zich wel om ons nogmaals lastig te vallen!"
 
" En juffrouw Zulma, wat heeft madam Mercier gezegd?" vraagt Liesje haar voorschoot met beide handen van pure opwinding verfrommelend als de huishoudster terug in de keuken komt na haar onderhoud met de vrouw des huizes.
" Ze was wreed content!" lacht de huishoudster.
" Echt?" juicht Elisabeth.
" Ja kind! Ze was vooral te spreken over die kwartels met kersen!"
" 't Is geen waar hé?" zucht Liesje verheugd. " Da's nog een recept van mijn moeder zaliger!"
" Ik weet het, kindlief! Ik weet het! Uw ma en ik hebben nog samen bij de nonnekens op school gezeten! En later zijn we tegelijk in dienst gegaan bij de oude baron...."
" Tiens, dat wist ik niet!"
" Ja, dat koken hebt ge van uw moeder! Die kon met een iet en een niet nog ne volledige diner ineenflansen!"
" En wat heeft madam Mercier nog meer verteld?" peutert Liesje nieuwsgierig verder.
" Ze vond mijn gebraden kip in Roquefortsaus ook heel geslaagd!" babbelt Zulma, met sterretjes in de ogen nog nagenietend van de haar toegezwaaide lof, lustig voort. " De crème anglaise viel dan weer bij mevrouw Obert in de smaak... en de chocoladetruffels bij de koffie vonden ze subliem!"
" Amai! Da's een pak van mijn hart!" zucht Liesje. "Het is de eerste keer dat ik voor zulk chique volk gekookt heb! Ik heb er gelijk de bibberatie van!"
" Euh, Liesbeth... d'r is nog iets....da'k U moet zeggen!" aarzelt Zulma, plotsklaps terug ernstig.
" Oeioei! De soep!" panikeert Elisabeth. " Ze vonden de soep niet goed!" vervolgt ze met zekerheid. " Ik heb er teveel peper ingedraaid...."
" Neeje, het gaat niet over de soep!" stelt de huishoudster haar gerust.
" Dan waren het de hors d'oeuvres!" stelt Lies vast.
" Toch niet!"
" Wat dan? Meer hebben we niet gemaakt..." peinst Liesje hardop.
" Het gaat niet over het eten, kindje! Dat was helemaal af!"
" Neeje? Over wat is er dan te klagen?" handenwringt Liesbeth helemaal van haar melk.
" Wie heeft het over klagen?" ginnegapt Zulma die er wel van houdt om de jonge soort van tijd tot tijd de duvel aan te doen.
" Madame Obert heeft gevraagd of gij niet bij haar in dienst zoudt willen komen..."
" Watte?...."
" Of gij haar huishouden wilt doen!" verduidelijkt Zulma.
" Maar, maar... ik weet niet hoe dat moet!!!" mummelt Liesje benauwd.
" Och, eigenlijk is daar helemaal niks aan." sust Zulma haar.
" Koken is koken en kuisen is kuisen, waar ge het ook doet! En inkopen doen met andersmans geld is heel plezant! Daarbij als ge bij de beenhouwer, de bakker en de kruidenier laat horen dat ge alles bij hun wilt bestellen krijgt ge nog provisie op de koop toe!"
" Provisie? Wat is dat?"
" Awel, ne ferme zakcent!"
" Maar.." twijfelt Liesje met grote ogen van ontzetting " ... is dat niet een tikkeltje ...heu..  oneerlijk?"
" Bijlange niet! Gij zorgt dat die mensen hun brood kunnen verdienen en zij zorgen dat gij geld hebt om brood te kopen! Dat heet economie!"
" Ik.. ik weet niet...." aarzelt Liesje.
" Ze heeft al een meid om de kamers en de was te doen!" legt Zulma uit. "Dat scheelt ne ferme slok op den borrel!"
" Ja, da's waar." mijmert Elisabeth. " Van het zwaarste werk ben ik dan eigenlijk al vanaf..."
" Ha, ge weet het! Als ik van U was zou ik niet twijfelen!"
" Ja, g' hebt waarschijnlijk gelijk... maar het is wel een heel eind om elke dag van de gendarmerie naar den ‘Hof de plaisance' te trekken!"
" Het jobke is natuurlijk inwonend!" verexpliceert Zulma.
" Oeps! Dan zal het helemaal nie gaan!... Wie zorgt er dan voor mijne Floris?"
" Wie zorgde er voor uwe Floris voor ge getrouwd waart?" weerlegt Zulma het argument.
" Ja, maar ik bedoel... allé, ge weet wel..." aarzelt Liesbeth.
" Neeje, ik snap er niks van..."
" Awel, heu... we zijn nog maar pás getrouwd!!!!"
" Dáár kan ik niet van meespreken, natuurlijk. Ikzelf moet de ware Jacob nog altijd tegenkomen..." hunkert Zulma stillekens waarna ze terug hardop verdergaat " Is dat dan zo speciaal, dat pás getrouwd zijn?"
" Amai, Zulma-lief! Hebde gij nog nooit...?"
" Over wat hebt ge' t?"
" Ik hoor het al, gij hebt nog nooit...."
" Wat dan?"
" Heu... awel, pás getrouwd geweest, hé!"
 
 
" Wel lieve, ..." begint mevrouw Obert het gesprek als ze in de automobiel goed en wel op weg naar huis zijn. " .... weet gij dat wij een spook in huis hebben?"
" Een wat?"
" Een spook!" giechelt madam Obert.
" Ah, ja? Daar heeft de baron mij niks van verteld!" gromt de heer Obert. Hij heeft naar aanleiding van zijn ietwat pompeuze verklaring over het leven in Amerika een reeks straffe verhalen van de kapitein moeten slikken waar hij de rest van de avond geen speld meer heeft tussengekregen. Een feit dat zijn humeur geen goed gedaan heeft.
" Ik heb het van madam Mercier!" glundert zijn echtgenote in haar sas met het nieuwtje. " Het blijkt dat de oude baron zich een paar jaar geleden in de grote slaapkamer heeft verhangen. En nu, één keer per jaar in de nacht van zijn heengaan, nog eens langs komt!"
" Wel, wel.. en wanneer mogen we die visite dan verwachten?" lacht de heer Obert, totaal niet onder de indruk van het toch ietwat ijzingwekkend verhaal.
" De vijftiende september!"
" Oho! Dat is binnen veertien dagen!" stelt de heer Obert vast. " Dan mogen we zeker niet vergeten om champagne voor hem koud te zetten..."
" En ik heb nog méér nieuws!" gaat zijn eega verder.
" Hoe bedoelt ge?" vraagt haar wederhelft.
" Wel ik ben er in geslaagd om eindelijk een huishoudster op de kop te tikken!"
" Ah ja? Dat is pas goed nieuws! Hoe hebt ge dat klaargespeeld?"
" Ik heb het keukenhulpje van de Merciers gecharterd!" grinnikt mevrouw Obert voldaan.
" Is dat die, die zo goed met kwartels en kersen overweg kan?"
" C'est ça!" bevestigt madam Obert.
" Oef! Dan zijn we eindelijk van die kost van de kamermeid af!" zucht meneer Obert tevreden. " Het is goed te merken dat die in het weeshuis heeft leren koken! Wanneer begint dat madammeke?"
" Ze moet het alleen nog aan haar echtgenoot vragen! Maar dat zal wel geen belet geven, want ik heb haar een meer dan goed salaris geboden!"
" Eveline! G' hebt toch niet overdreven hé?" schrikt meneer Obert.
" Och, Rafaël!... Engel! Wij hebben geld genoeg en die sukkels hier bijna niets!"
" Toch, toch! Ik wil niet opvallen! Vooral niet opvallen is de boodschap!" sputtert meneer Obert bezorgd.
" Het is maar voor een paar weken!" pleit madam Obert.
" Gelukkig! Ik zal blij zijn als we uit dit boerengat weg kunnen!"
" Hebt ge nog iets gehoord van... Baptiste?"
" Baptiste? Ba..? Ahja,...Baptiste! Neen, nog niks gehoord! Maar het kan niet lang meer duren. In zijn laatste brief schreef hij dat hij iemand gevonden had die het spul kon fabriceren!"
" Ja?... Fantastisch!!" kirt mevrouw Obert meisjesachtig. " Mag ik het deze keer eens proberen?"
" Mmm.... je weet dat we ons geen fouten kunnen permitteren, lieve!" waarschuwt meneer Obert.
" Ach, toe nou schattebout!"
" Nee! Er hangt te veel van af!"
" Toe! Voor één keer!!" pleit mevrouw Eveline. Terwijl haar echtgenoot plotsklaps een zachte vrouwenhand voelt daar waar de mannelijke genus zich van de vrouwelijke onderscheidt.
" Eveline...." hijgt hij verrast. " Wat heeft dat te betekenen?"
" Wat denk je?" vette-knipoogt mevrouw Obert zwoel.
" ..Euh.... hier?.... Nu?..."
" Hier en nu... als ik.. de klus mag klaren!!!" bevestigt mevrouw Obert, haar greep op de situatie nog verstevigend.
Zodat de heer Obert niets anders overblijft dan het luik tussen de pasagiersruimte en de chauffeursplaats  in zeven haasten op de knip te doen alvorens in te stemmen met mevrouw Obert's eisenpakket.
 
" Denkt eens aan het geld!" pleit Liesje tezelfdertijd in hun kamertje in de kazerne. Maar Flor blijft koppig van neen schudden.
" Het staat me niks aan dat gij daar op den ‘Hof de plaisance' gaat wonen!"
" Het is niet voor altijd, zulle!" herinnert Liesbeth hem. " Hooguit voor een paar weken, tot het weer omslaat! Dan gaan die rijkelui toch terug naar de stad!"
" Ik weet het, mijn lief! Ik weet het, maar... geld is niet alles in het leven!"
" Ah nee? Met het geld koopt ge nochtans de boter!"
" Ik ga U missen!" gooit Flor zijn sterkste argument in de strijd.
" Ik U ook, zotteke! Of denkt gij dat ik een hart van steen heb?"
" Neeje, zekers nie! Maar 't is dat ik U zo geren zie!"
" Ge kunt elke dag langs komen!" verzekert Liesje haar in zak en as zittende kersverse echtgenoot troostend over de haren strijkend.
" Maar 's nachts! Wat dan? Dan liggen gij en ik alletwee moederziel alleen in ons bed!" klaagt Flor zijn nood.
" Aha!!" roept Liesje triomfantelijk uit. " Is het voor datte? Gijlie mannen kunt aan niks anders denken!"
" Is daar soms iets verkeerds aan?" verwondert Flor zich. " Gij doet dat toch ook graag!"
" Natuurlijk vind ik het plezant. Maar van de liefde alleen kunt ge niet leven!" posteert Liesbeth nuchter. " Trouwens, ..." gaat zij verder "....binnenkort zullen we wat extra inkomen goed kunnen gebruiken!"
" Waarom?" vraagt Flor onnozel. " We hebben toch niks tekort!"
" Nu nog niet, maar over een maand of acht hebben we misschien een mondje meer te vullen!" bekent Liesje.
" Heu???....Watte?..." stamelt Flor als de betekenis van deze laatste opmerking langzaam maar zeker tot hem doordringt. " Bedoelt ge... alléé.. zijt ge? Zijt ge???"
" Ik ben al een week over tijd!" bekent Liesje, ingetogen blozend.
" Amai!!!...." zucht Flor van alteratie op zijn stoel onderuitzakkend.
" Wat is 't?" stuift Liesbeth op. " Ge zijt precies niet blij?"
" O... jawel! Zekers! Heel blij!" haast Flor zich te zeggen. " Maar om zomaar, vlak na het avondeten, te vernemen dat ge vader gaat worden! Dat is een beetje te veel van het goede...."
 
Een weekje later slentert de sergeant op zijn gemak over het exercitieterrein van de kazerne waar Floris mistroostig patatten zit te jassen.
" Awel, Flor! Ge kijkt zo triestig?!"
" Ik kan 't geloven, sergeant! Dat is nu al twee dagen dat ik keukencorvee heb!"
" En dan? In mijn tijd vochten we voor zo‘n jobke!"
" Da is't niet, sergeant, maar daardoor is het ook al twee dagen dat ik nog iets van Liesbeth gehoord of gezien heb!"
" Hm... zoudt ge ze misschien eens een bezoekske willen brengen?" vraagt de sergeant zo langs zijn neus weg.
" Als dat eens zou kunnen!??"
" Wel, toevallig moet er vandaag op de hei gepatrouilleerd worden!"
" Wauw!!!" jubelt Flor terwijl de sergeant, dankzij een vliegensvlugge manoeuver, zichzelve nipt weet te vrijwaren voor een klapzoen van zijn ondergeschikte.
" Allée, ge moest al weg zijn!" gebaart hij ongeduldig naar de nog immer in het rond huppelende Floris. Wat deze zich geen twee keer laat zeggen en er als de weerlicht vandoor gaat.
 
Een uurtje later krijgt Floris de ‘Hof de plaisance' in het vizier. Plukt in de gauwte nog een boeketje veldbloemen. Neemt een minuutje de tijd om zijn kostuum wat te fatsoeneren en gaat dan spoorslags richting achterdeur.
Hij maakt juist aanstalten om aan te kloppen als zijn oor getroffen wordt door een welbekende giechel uit het open keukenraam.
" Liesje!" jubelt Flor, door het dolle heen, en stormt zonder nadenken naar het onderhavige venster. Waar zijn aanbedene, in wankel evenwicht bovenop een stoel bezig een vliegenvanger op te hangen, van het puur verschieten door zijn plotse verschijnen het hoofd en haar evenwicht verliest om pardoes, via het raam, recht in de armen van haar echtgenoot te kukelen.
" Flor!!!!" juicht het gelukkige wicht. " Ge zijt het dus toch niet vergeten!!!" waarna zij zijn gelaat grondig met kussen overdekt.
" Ge hebt zelfs bloemen meegebracht!" lacht Liesje blij als zij na gedane arbeid het nu ietwat verfomfaaide ruikertje in Flors pollen in het oog krijgt.
" Hm... speciaal voor U geplukt!" stoeft Flor, zijn hersens pijnigend in een vergeefse poging zich te herinneren wat hij niet vergeten is.
" Ge komt op het juiste moment!" ratelt Liesbeth luchtig voort. Er is hier niemand thuis!"
" Ah nee?"
" Neeje, meneer en madam Obert zijn naar meneer Ertrand in de stad en Mieke de meid is naar het dorp!"
" Komt mee! Dan laat ik U het huis eens zien!" gniffelt Liesje.
Dat laat Flor zich gretig welgevallen. Nog nooit heeft hij zo'n chique villa vanbinnen gezien. Door Liesje als een kleine pagadder bij de hand genomen loopt hij, mond open van verbazing over al het schoons dat hij te zien krijgt, als in een droom van kamer naar kamer.
" En dees is de slaapkamer van madam!" explikeert Liesje op de bovenverdieping een dubbele deur openduwend.
" Amai! Da's nog gene krot!" weet Flor uit te brengen als hij voorzichtig tussen het prachtige meubilair naar het grote hemelbed toe laveert.
" Moet ge hier eens kijken!" sommeert Liesje haar diep onder de indruk zijnde ventje op een levensgrote paspop wijzend waarop een prachtige baljurk prijkt.
" Wat schoon!!" zucht Flor terwijl hij oervoorzichtig de zachte zijde met zijn ruwe vingers bepampelt.
" Zal ik hem eens aantrekken?" ginnegapt Liesje.
" Mag dat?" twijfelt Flor.
" Poeh! Niemand die het te weten komt!" schokschoudert Liesje zonder gêne haar keursje losknopend zodat haar stevige roomblanke borsten tevoorschijn schieten.
" Wat zijt gij toch schoon!" zucht Flor met volle teugen genietend van het hem geboden schouwspel terwijl Liesbeth verder uit de kleren gaat. Het wordt Floris, die al een hele week terug vrijgezel is, veel te veel.
" Lies!" hijgt hij in puur verlangen, zijn nu haast volledig naakte echtgenote zonder complimenten naar zich toe trekkend en haar verrukkelijk stevige billen met beide knuisten omvattend zodat zijn in vuur en vlam staande kruis dringend tegen haar zachte buik drukt.
Om dan, na een serie wellustige zoenen en knuffels, ten langen leste samen met zijn gewillige prooi bovenop het bed van madame Obert te belanden.
" O!!! Floris!!!!" zucht Liesje smeltend.
" O!! Liesje, Liesje!!!" kreunt Flor op zijn beurt, zich zo goed en zo kwaad als het gaat haastig van al dat lastig in de weg zittende textiel ontdoend.
 
Terwijl Liesje en Flor in de ban van de liefde vertoeven, duiken de heer Obert en zijn echtgenote, begeleidt door hese alarmkreten in de trant van " Houdt de dief!!" en een waar concert in alle toonaarden van schetterende politiefluitjes, hals over kop in hun gereedstaande automobiel.
" Vooruit, Jean! Volle gas!" gebiedt de heer Obert dringend. Waarop de wagen met gierende banden, vlak voor de neus van de aanstormende wetsdienaars, wegscheurt.
" Miljaar! Miljaar!" vloekt de voorste die zonder resultaat nog een wanhopige greep naar de portierklink van de vertrekkende wagen heeft gedaan. " Ze zijn verdomme de pijp uit!"
 
" Dat was op het nipperke, chef!" geeft Jean de chauffeur, ondertussen met een krankzinnige vaart langs de straten denderend, als zijn mening te kennen.
" Zeg dat wel!" beaamt de meneer Obert, het zweet van zijn aanschijn wissend.
" Het spijt me zo, lieveling!" verontschuldigt madam Obert zich van zodra ook zij terug op adem gekomen is.
" Dat geloof ik graag!" grommelt haar echtgenoot. "Maar spijt komt te laat!"
" Het spul glipte stomweg uit mijn mouw!" verweert het arme vrouwmens zich, met moeite opdringende waterlanders in bedwang houdend.
" Pardoes naast het echte halsnoer!" raast meneer Obert. " Een simpele wisseltruc! En jij slaagt erin om zoiets te verknoeien!"
" Snik!!... Niet helemaal....." snottert madam Obert.
" Niet helemaal? Niet helemaal??? We waren bijna de pineut! Als de wagen een paar meter verder gestaan had zaten we nu achter de tralies! Ik kon de uien in de adem van die voorste klabak al ruiken!" buldert meneer Obert, nog onder invloed van de overmaat aan adrenaline in zijn lijf, wild met de handen gesticulerend.
" Toch! Toch ..." houdt zijn echtgenote vol, " ... heb ik in de gauwte nog het echte collier meegegrist!" het waardevolle kleinood voor de verblufte ogen van haar echtgenoot, triomfantelijk uit haar decolleté tevoorschijn toverend.
" Wel alle....." stamelt deze, blij verrast de naar alle kanten schitterende ketting van haar overnemend. " ...dan is die hele affaire toch niet voor niets geweest! Als de weerlicht naar huis, Jean!"
 
Als ergens een aantal politiemannen door bepaalde omstandigheden bij elkaar gebracht worden, is er altijd wel eentje bij die wat snuggerder dan de anderen is. Zo ook in de groep die, buiten adem van het zich danig reppen, hijgend de in de verte verdwijnende auto knarsetandend en binnensmonds vloekend nakijkt.
" Dat was een Minerva!" verklaart de slimmerik.
" Ha ja?" replikeert de wachtmeester die per toeval naast hem staat uit te puffen. " Daar zijn we vet mee!"
" Da's een nieuw merk, chef!" verklaart de man. " Daar rijden er nog maar een paar van rond!"
" Hoe weet gij dat?" verwondert de overste zich, tamelijk neerbuigend.
" Omdat mijn broer in de garage waar ze die dingen in mekaar flansen werkt, baas!" legt de man uit.
" Ik zie nog altijd niet hoe we daar ons voordeel mee kunnen doen!"
" De directeur houdt voorzeker een lijst van zijn klanten bij!" stelt de pientere klabak.
" Wel verdorie! Daar kunt ge wel eens gelijk hebben!" snapt de wachtmeester de redenatie van zijn mindere.
" Alléé, genoeg gelanterfant! Allemaal terug naar uw post!" beveelt hij kortaf, waarna hij zich sito presto naar het commissariaat rept om daar met het idee van zijn ondergeschikte te gaan pronken.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.


Reacties:

fred van der wal
(niet registreerd)
erg goed verhaal, interessant voor mij om al die Vlaamse uitdrukkingswijzen te lezen, omdat ik van Vlaanderen houd, er al vanaf 1963 kom en interesse in het Vlaams heb, dat naar ik hoop, behouden zal blijven voor komende generaties, van mij krijg je een wel gemeende tien!!!

Geplaatst op: 2007-09-15 08:29:19 uur