Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
24 december 2011, om 13:52 uur
Bekeken:
656 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
176 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Qelajne"



Satori’s kroegje was weer het gebruikelijke toonbeeld van gezelligheid, mét de angst en gereserveerdheid die deze stad eigen was. Je wist hier tenslotte maar nooit wie er meeluisterde of wie of wat er het volgende moment binnen kon komen om de rustige drukte te verstoren.
Ik was blij hier weer eens terug te zijn, maar net zo voorzichtig als alle andere aanwezigen, die mij met diverse maten van argwaan bekeken terwijl ik binnenstapte en rondkeek.
Terwijl ik mijn ogen zo eens door de ruimte liet zwerven, om te zien wat voor volk er vandaag rondhing, maar vooral oplettend of ik geen al te opvallende spionnen van de koning zag, gleed mijn blik over een opvallend onopvallende figuur op een hoek van de toog. Een lange gestalte met een grijze huid en een precies even grijze mantel in plooien om zich heen hangend. Het had een soort monnik kunnen zijn, maar die zou hier wel heel erg misplaatst zijn. Aan wat ik van het gezicht in die schemerige uithoek kon zien, leek het een vrouw te zijn, maar meer waarschijnlijk was dit geen gewoon mens. Het gebeurde niet vaak dat er niet-mensen bij Satori kwamen, de meesten kwamen alleen de stad in op uitnodiging van de koning, om te strijden in één van zijn toernooien. Deze magere gestalte zag er niet uit als een strijder, dus het zou waarschijnlijk een handelaar zijn, die hier, net als ik, om niet door de koning goedgekeurde zakelijke redenen was. Interessant, ik moest maar eens voorzichtig aan Satori vragen of dit een waardevol contact kon zijn.

Ik liep naar de toog en knikte kort, met een klein glimlachje, naar de waard. Hij knikte terug, maar de somberheid in zijn blik maakte me duidelijk dat de tijden niet meer zo goed waren als de laatste keer dat ik hier geweest was. Zonder te hoeven vragen schonk hij een beker Ossenbier voor me in. Toen hij me die bracht, vertelde hij er met een lichte ergernis in zijn stem bij dat deze, weer, een schelling duurder geworden was, om de koninklijke belastingen te kunnen voldoen. Ik schudde meewarig mijn hoofd, maar verzekerde hem dat dat mijn trek in zijn heerlijke bier niet zou doen verminderen.

Net wilde ik naar de duistere figuur op de hoek vragen, toen de deur werd opengegooid en een kapitein van de koninklijke garde binnenstapte, direct gevolgd door een aantal soldaten. Ook via de zijdeur kwamen soldaten binnen. Ze waren hier duidelijk eerder geweest, want onmiddellijk blokkeerden enkele van hen de deuren naar de slaapvertrekken en de keuken.
Wat bracht hen deze keer hier? Extra belasting heffen op, ach, vuile schoenen of koperen jasknopen, ze bedachten wel wat? Op zoek naar ‘misdadigers’, wat de momenteel geldende definitie daarvan dan ook mocht zijn? De persoon die naar binnen schuifelde maakte alles duidelijk. De koning was weer eens op zoek naar vers gehakt voor zijn arena.
Ik voelde in mijn broekzak, pakte enkele munten in mijn hand, en keek naar de soldaten die bij de deuren achter in de gelagkamer stonden, om in te schatten welke het makkelijkste voor een paar gouden dukaten even een andere kant uit zouden kijken. Terwijl de ronselaar rondging en mensen aanwees, die door de soldaten vastgepakt en weggevoerd werden, of, als ze teveel tegenstand boden, zonder omhaal gedood werden, trok ik mij langzaam terug in de richting van de deur naar de slaapvertrekken.

De ronselaar stapte op de hoek van de toog af, waar de duistere figuur nog steeds onbewogen voor zich uit zat te staren. Hij legde een hand op de grijze schouder en sprak enkele woorden. Even gebeurde er niets, dan rechtte de figuur langzaam de rug en begon overeind te komen. De gestalte werd steeds langer, tot deze bijna tot de balken van de toch meer dan zes voet hoge zoldering reikte. De mantel ontplooide zich, terwijl de gestalte zich naar de ronselaar omdraaide. Steeds verder openden de grijze plooien zich, tot duidelijk werd dat dit helemaal geen mantel was, maar een stel brede leerachtige vleugels, als die van een vleermuis. Onder de openklappende vleugels kwam een al even leerhuidig vrouwelijk lichaam tevoorschijn, met een paar grote handen met vlijmscherpe klauwen eraan. Ook de vleugels waren voorzien van scherpe duim- en vingerklauwen en toen ze haar mond in een geërgerde grimas vertrok, werden lange, scherpe tanden zichtbaar.
Een Harpij. Nog nooit had ik er één in levende lijve gezien, laat staan dat ik die in Satori’s kroeg verwacht had. Ik trok mij niet verder terug, want wat nu ging gebeuren wilde ik, letterlijk, voor geen goud missen.
Met één uithaal van een klauw sloeg ze de ronselaar zijn hoofd van zijn romp. Terwijl het hoofd nog door de zaak vloog, kwam ze bliksemsnel in beweging. Met enkele vleugelslagen, die in de beperkte ruimte een chaos van rondvliegende voorwerpen veroorzaakten, sprong ze van de ene groep soldaten naar de andere. Het was niet te zien wát ze precies deed, maar steeds als haar gestalte zich weer in beweging zette, vielen er soldaten dood neer. Toen ze mijn kant uit kwam, bukte ik snel en ze vloog over me heen om de soldaten achter in de ruimte te doden.
Zo langzaam als het begonnen was, zo snel was het weer voorbij. De paniek onder de aanwezigen werd onderdrukt door de totale overdonderdheid over het gebeurde. Nu was het tijd om te zorgen dat de buitenwereld hier niets van zou merken. Ik keek Satori aan, die meteen begreep wat er nodig was. Hij richtte zich tot de nu met rood bloed bedekte grijze gestalte achter mij en sprak haar toe in een mij onbekende taal. Ik keek toe hoe ze kort knikte, mij even strak aankeek met haar felle lichtgroene ogen, zich omdraaide en de gelagkamer verliet in de richting van de slaapvertrekken.

Satori en ik begonnen snel orde op zaken te stellen. De lijken moesten verdwijnen, het bloed moest opgeruimd worden. Het eerste was wel te doen, er waren hier genoeg mensen aanwezig die daar ruime ervaring mee hadden. Het tweede? Ik keek eens rond. De snelle aanvalsgolf van de Harpij had zijn sporen rijkelijk achtergelaten. De gedachte kwam in me op dat het misschien sneller zou zijn de hele zaak opnieuw te verven, deze keer in rood...

De hele tijd keek ik de zaak rond om te zien of er mensen probeerden de plaat te poetsen. Iemand die er in angst vandoor wilde gaan, was duidelijk te onderscheiden van iemand die weg wilde om de ‘autoriteiten’ te waarschuwen in ruil voor geld of privileges. Een aantal malen kruiste mijn blik die van een beer van een kerel die duidelijk dezelfde gedachten had. De laatste keer wees zijn blik mij op een jonge, magere man die steeds dichter naar de voordeur aan het schuiven was. Ik herkende in hem de opportunist die dit ongetwijfeld aan de paleiswacht zou gaan melden in verwachting van een beloning. Satori’s kroeg was te belangrijk om zo ten onder te gaan. Ik gaf de beer een licht bedroefd knikje en keek toe hoe deze op de jonge man afliep en hem tegen de muur drukte. Toen hij weer losliet, zakte de jongeman naar de grond en was er nog één extra lijk om op te ruimen.

---

Toen alles weer tot rust gekomen was en de zaak er schoner uitzag dan hij in jaren geweest was, vonden de meeste bezoekers het veiliger om huiswaarts te keren, voor het geval er toch nog een informant doorheengeglipt was. Het lag eigenlijk in mijn voorzichtige aard om hetzelfde te doen, maar iets deed me besluiten te blijven. Het leek wel of ik een zin voor avontuur had ontwikkeld, wat een zeer slechte eigenschap was in mijn bedrijfstak.

De deur naar de slaapvertrekken ging open en de Harpij stapte naar binnen, weer helemaal grijs, het hoofd licht gebogen voor de nabijheid van de zolderbalken, maar niettemin een machtige gestalte met haar vleugels nu licht gespreid achter haar rug. Satori begroette haar in die onbekende taal, maar de Harpij beantwoordde de begroeting in onze taal. Haar stem was schril en scherp, het was duidelijk te horen dat ze een poging deed hem zo zacht mogelijk te laten klinken.
Ze ging weer aan het uiteinde van de toog zitten en Satori zette haar een beker cider voor, die ze oppakte en in één teug achterover sloeg. Grijnzend pakte Satori de beker terug en vulde hem opnieuw. Onderwijl richtte de Harpij een intensieve blik op mij. Ik weerstond die, met moeite. Satori overzag de situatie en nam het woord. “Qelajne, dit is Arvan, een oude bekende van me, vrijbuiter en sjacheraar.”
Ik trok gespeeld misnoegd mijn wenkbrauwen op. “Sjacheraar? Handelaar in moeilijk verkrijgbare goederen, bedoel je!”
Satori lachte en voegde toe: “Maar hij is een goeie hoor, hij bedriegt liever de aanhangers van de koning dan het gewone volk.”
Ik deed er maar hoofdschuddend het zwijgen toe, tegen Satori’s betoog was eigenlijk weinig in te brengen. Qelajne keek me duister aan, ik had geen idee wat er in haar gedachten rondging. Na de staarwedstrijd nog enkele tellen volgehouden te hebben, boog ze even heel licht haar hoofd en richtte zich op haar tweede beker cider.
Satori legde uit dat Qelajne op zoek was naar sporen van haar moeder, die waarschijnlijk door de koning gevangengenomen was en hier, in de arena of in een kerker, gestorven was. Een vage herinnering spookte door mijn hoofd, een verhaal dat er een monster in het paleis van de koning vastgehouden werd, jaren geleden. Ik keek Satori aan en hij knikte. “Ja, dát verhaal heeft Qelajne naar deze stad gebracht.”
Van onder mijn wenkbrauwen keek ik naar Qelajne. Ik had geen idee of deze ontmoeting toeval of lotsbestemming was, maar het was me duidelijk wat mijn taak zou zijn, informant spelen voor een Harpij. Ik zou bij mijn contacten in het paleis moeten gaan navragen wat zij zich er nog van herinnerden. Er zou een macht geld van eigenaar moeten wisselen en ik zou constant in gevaar zijn. En toch zou ik het doen, geheel tegen mijn aard in. Of was mijn aard nu zo aan het veranderen?
Ik legde mijn ideeën aan Qelajne voor, terwijl ze mij weer zo strak aan bleef kijken. Veel geld om informatie te kopen had ik momenteel ook niet, dus daar zou zij voor moeten zorgen. Ze knikte, ze had geld meegenomen. Als ik gevangengenomen zou worden, verwachtte ik wel dat ze me zou komen uitbreken. Ze grijnsde me toe en knikte nogmaals. “Als jouw werk het waard is, kom ik je wel redden.”
Dat was niet helemaal het antwoord dat ik verwacht had. Ik hoopte maar dat het niet nodig zou zijn.

---

Piekerend over hoe ik dit alles zou gaan aanpakken, was ik naar mijn kamer gegaan. Ik had zelfs nog geen idee waar ik moest beginnen, maar hoopte dat ik met mijn gebruikelijke schwung er toch in zou slagen érgens een opening te vinden. Een tijd lang zat ik op de rand van het bed, niet in staat me te ontspannen.
Er werd zacht op de deur geklopt. Enigszins gepikeerd door deze late storing gromde ik een “binnen”. De deur ging open en een lange grijze gestalte schreed met een verbazende elegantie mijn kamer binnen. Ze bleef halverwege de kamer staan en keek me zwijgend, maar nu niet starend, aan. Ik maakte een uitnodigend gebaar richting de rand van het bed, naast me. Ze kwam naar me toe en met een ruisend geluid van haar vleugels draaide ze zich om een zette zich naast me neer. Haar gezicht was ontspannen, vriendelijk, helemaal menselijk. Ik keek de opvallend vrouwelijke rondingen van haar lichaam langs, waarderend.
Dit kon toch niet? Ik had heel diverse vrouwen bemind in mijn leven, maar een Harpij? Ze keek me met een plagerig glimlachje aan, legde een vleugel om mijn schouder en duwde me daarmee op het bed. Ze kwam tegen me aan liggen. Ik legde een hand op de verrassend zachte huid van haar buik en bewoog die omhoog in de richting van haar borsten. Een warm gevoel kwam op in mijn kruis. Ik bleef me verbazen, maar gaf toch makkelijk toe aan mijn lustgevoelens.

---

Toen ik wakker werd, was ze weg. Ik dacht terug aan de avond tevoren. Het leek ongelofelijk dat zo’n machtig wezen zo’n tedere minnaar kon zijn. Het was me duidelijk geworden dat ze haar enorme kracht goed onder controle hield om als gelijkwaardige partners van elkaar te kunnen genieten. En genoten hadden we.
Ik stapte het bed uit en kleedde me aan, licht geamuseerd dat de spierpijn die ik voelde toch echt door het avondgezelschap gekomen was, niet door het sjouwen met lijken. Opgewekter dan ik fatsoenlijkerwijs zou moeten zijn, liep ik richting gelagkamer.

Ze stond voor het raam naar buiten te kijken. Ze had haar vleugels weer als een mantel om zich heen gevouwen en zag er daardoor opnieuw uit als een vreemdsoortige monnik. Ik was zelf toch ook geen kleintje, maar zelfs zo licht ineengedoken was haar lengte imposant.
Met toch nog steeds een lichte aarzeling liep ik naar haar toe. Ik nam aan dat ze me al binnen had horen komen, en dat ze nu hoorde dat ik op haar af kwam, dus dat ik haar niet zou verrassen, wat me wel eens mijn leven kon kosten. Terwijl ik naast haar ging staan, legde ik een hand op het leren omhulsel om haar schouder en streelde daarna even met mijn duim over haar wang. Ze wierp me een verbaasde blik toe. Toen pas bedacht ik dat wat voor mij en andere mensen heel vanzelfsprekend was, voor een Harpij misschien wel een heel andere betekenis kon hebben. Ze gaf me een bijna smalend lijkend glimlachje, ten teken dat ze de bedoeling wel begreep.

---

De zoektocht naar informatie over ‘het monster van het paleis’ was moeizaam begonnen. Vrijgevigheid was in deze stad, en zeker in het paleis van de koning, ver te zoeken. Pas toen ik duidelijk begon te maken dat ik bruikbare informatie wilde, en kon, belonen, wisten personen uit diverse lagen van de entourage van de koning mij opeens te vinden.
Naarmate ik dichter bij de goede bronnen kwam, werden zowel de onderhands overhandigde stapeltjes munten, als de zenuwachtigheid van zowel gever als ontvangers, steeds groter. Ik was inmiddels in het hart van de huishouding van het paleis aanbeland en het was duidelijk dat er heel wat zwijgplichten verbroken werden.

Uiteindelijk kwam ik bij de bron waarná ik wist dat ik niet meer verder hoefde te zoeken. De bediende die de mysterieuze gevangene van voedsel had voorzien, vertelde mij het hele verhaal. Het monster was inderdaad een Harpij geweest, neergeschoten door de jagers van de koning en meegenomen naar het paleis. Niemand wist waarom een Harpij zo ver van haar thuisland was gegaan, want ze had geen woord gesproken. Iemand had de spierkracht en de stemkracht van Harpijen gekend en ze was zwaar geboeid en gekneveld in een kerker gegooid. De koning had een prijsvechter van haar willen maken, maar ze was op geen enkele manier te overtuigen aan dat plan mee te werken. Ongeacht hoe ze gemarteld werd, ze had geen krimp gegeven. Ze had nauwelijks gegeten of gedronken, haar wonden genazen slecht in de barre omstandigheden van de kerker. Ze was steeds verder verzwakt, tot ze op een dag dood gevonden was.
Ik wist genoeg, maar verheugde me er niet op het verhaal aan Qelajne te moeten vertellen.

---

Qelajnes reactie had mij niet verbaasd. Als het aan haar gelegen had, was ze direct naar het paleis gevlogen om de koning en zijn hele gevolg uit te moorden. Ik wist haar te overtuigen dat het beter was de koning onder druk te zetten om zijn ‘beleid’ aan te passen, zodat we hem konden gebruiken om de situatie in zijn land te verbeteren. Een andere reden om voorzichtig te zijn was, dat de dood van de koning een machtsvacuüm zou veroorzaken dat misschien opgevuld zou worden door iemand die nóg minder geschikt was als koning.
Niet geheel onterecht beschuldigde Qelajne mij ervan dat ik mijn handelsbelangen veilig wilde stellen, maar ik kon haar overtuigen dat ik probleemloos haar belangen en de mijne kon combineren. Ik wilde dat het duidelijk voor haar was dat dit de manier was waarop ik in het leven stond, dat ik geen belangenloze heldhaftige ridder was, strijdend voor de armen en de verdrukten, maar dat ik in hart en ziel een handelaar was, en dat wat ik nu voor haar deed al een grote omslag voor me was. Met enige tegenzin aanvaardde ze mijn standpunt. We zouden dit proberen op te lossen met diplomatie, gelardeerd met een noodzakelijke dosis grof geweld.

Toen we dat eenmaal besloten hadden, viel er weinig meer te plannen. We hadden niet meer dan onszelf en onze kennis. Alles wat we konden doen was naar het paleis gaan om een onmiddellijke audiëntie aan te vragen, met als onderwerp een gevangengenomen Harpij. Komende van een andere Harpij was dat één audiëntie die de koning zeker niet zou weigeren. En als we eenmaal binnen waren, zou alles zich vanzelf wijzen en mocht ik hopen dat mijn onderhandelingstalent me niet in de steek zou laten.

---

Het was duidelijk dat Qelajnes verschijning, in combinatie met het gedane verzoek, enige consternatie in de koninklijke gelederen had veroorzaakt. Vanaf diverse plekken, van achter ramen tot in barsten in de muur, werden we aangestaard. Binnen de poort klonken geluiden van rennende soldaten en zelfs zwaarder materieel. Ik richtte me naar Qelajne en zei zacht: “Ze verwachten nogal wat van je, geloof ik!”
Ze keek me lichtelijk kwaad aan. Ik begreep het wel, haar scenario van beperkt dood en verderf zaaien was nu van de baan, we moesten het wel op mijn manier doen.
Na enige tijd ging de poort een klein stukje open en onder geleide van een tiental nerveuze soldaten ging een bediende ons voor richting troonzaal.

De koning zat in al zijn arrogantie op de troon, achter een muur van soldaten, bewakers en andere getrouwen. Ik maakte een diepe buiging en hoopte maar dat Qelajne dat ook zou doen. Toen ik even onder mijn oksels door naar haar keek, zag ik dat ze recht overeind was blijven staan, haar vleugels licht geopend zodat haar klauwen goed zichtbaar waren. Haar blik herkende ik als ingehouden minachtend, maar misschien dat mensen die minder gewend waren aan het gezelschap van een Harpij, dit er niet in zagen.
Na een teken van de bediende kwam ik weer overeind en stelde mijzelf en Qelajne voor. Ik deed het relaas van Qelajnes zoektocht en de reden waarom ze hier terecht was gekomen, natuurlijk zonder te vermelden hoeveel informatie ik uit de konings eigen gelederen had weten te winnen. Toen stelde ik dat het voor Qelajne noodzakelijk was om te weten waarom haar moeder dit was aangedaan en ik vroeg de koning of hij dit wilde uitleggen.
De koning liet een holle lach horen en verklaarde op luide toon dat hij aan niemand verantwoording schuldig was. Hij maakte een wegwerpgebaar. Het onderhoud was, wat hem betreft, afgelopen.
De diplomatie had gefaald, dus werd het tijd voor de noodzakelijke dosis grof geweld. Ik liep achteruit, wat Qelajne ertoe aanzette om enkele stappen voorwaarts te zetten, terwijl ze haar vleugels spreidde en haar klauwen uitstak.

De soldaten hadden zich in drie rijen achter elkaar opgesteld, hun speren in een drievoudige haag van punten naar voren en naar boven gestoken. Dit was een barrière waarvan ze verwachtten dat zelfs een Harpij die niet zonder schade zou kunnen slechten. Qelajne keek even achterom naar mij en haalde in een schijnbaar achteloos gebaar haar hand langs haar oor. Ik begreep het. Toen Qelajne zich weer omdraaide en diep ademhaalde drukte ik snel mijn handen tegen mijn oren en opende mijn mond licht. Uit Qelajnes keel steeg een aanzwellend, schril, snerpend geluid op. De meeste soldaten lieten hun speren vallen en grepen naar hun oren of hun keel. Zelfs van een meter achter Qelajne kon ik de vernietigende kracht van haar stem voelen. Ik zag soldaten beginnen te bloeden uit hun neuzen, oren en ogen. Enkele grepen naar hun hartstreek en stortten ter aarde. Toen Qelajnes longen na een tiental tellen leeg waren, was van de verdedigingslinie niets meer over.
Met een enkele vleugelslag sprong Qelajne over de soldaten heen. Ze zette een paar stappen in de richting van de koning en sloeg haar vleugelklauwen in de gezichten van de twee aansnellende troonbewakers. Met een enorme zwaai gooide ze de twee mannen achterwaarts de lucht in. Een paar tellen later hoorde ik hun lichamen achter mij tegen de grond slaan. De edelen die de koning in laatste linie hadden moeten beschermen, kozen wijselijk het hazenpad.
Met gespreide vleugels en uitgestoken klauwen stond Qelajne voor de koning. Nu was het mijn beurt om te handelen. In een snelle looppas, maar vooral niet rennend, ging ik om de groep ellendige soldaten heen en posteerde mij tussen Qelajne en de koning. 
Die zat trillend, met grote ogen, naar haar te staren en merkte mij nauwelijks op. De voorrand van zijn troon was opvallend nat. Ik blokkeerde zijn blikveld en gaf hem een minachtend glimlachje. “Sire, het lijkt me een goed idee dat u uw mantel dichtslaat“, en, terwijl ik naar de plek voor zijn kruis wees, “want uw huidige aanblik getuigt niet erg van koninklijke waardigheid!”

Nu had ik de overhand. De dreigende gestalte achter mij was voldoende om mij te verzekeren van ’s konings medewerking. Qelajne had zich omgedraaid en stond daar als één blok macht om het overige publiek te overtuigen dat het uiterst onverstandig was de koning te hulp te komen. De overlevende soldaten aan haar voeten maakten dat ze weg kwamen en ook verder was er niemand die enige behoefte leek te hebben hun geliefde vorst bij te staan.

Ik praatte, misschien wel een uur lang, op de koning in, en hij leek op zijn minst gevoelig te zijn voor mijn argumenten. Een bevolking die in alle rust kon leven en werken, een vrije handel met een gereguleerde belasting, het zou hem op termijn alleen maar meer geld en meer status opleveren. Uiteindelijk gaf hij toe, en stelde mij officieel in als adviseur. We zouden in de komende dagen verder spreken over hoe dit nieuwe beleid vorm gegeven zou moeten worden. Maar nu werd het tijd om aan onze nachtrust te denken. De koning beloofde ons één van de beste gastenkamers, gaf een bediende een teken ons daarheen te brengen en vertrok, met alle waardigheid die hij nog op kon brengen.
Qelajne had alles gehoord en keek me nu aan met een mengeling van bewondering voor mijn redenaarschap en ontevredenheid over de mate waarin zij genoegdoening had kunnen krijgen. Onderweg naar onze kamer had ik de grootste moeite haar te overtuigen dat verbeterde omstandigheden voor iedereen, de beste genoegdoening was die er kon zijn. Ze accepteerde, met frisse tegenzin, en verder zwijgend volgden we de bediende door de gangen van het paleis.

Ik liet mijn blik de kamer rondgaan. Het was een vrij kleine ruimte voor zulke belangrijke gasten, maar er leken geen verborgen vallen of andere onaangename verrassingen aanwezig te zijn. Er was een raam dat open kon en een dunne houten deur, dus ik had er alle vertrouwen in dat een Harpij hier op allerlei manieren weg zou kunnen komen, liefst mét bijbehorende mens.
Ook Qelajne had de kamer aan een kritische blik onderworpen en knikte mij ernstig toe. Ik liet de bediende weten dat we de kamer aanvaardden en schoof hem zo’n beetje de deur uit. Qelajne stond nog bij het raam naar buiten te kijken, terwijl ik me op het bed liet vallen en mijn ogen sloot. Ik was doodmoe, na een dag waarin ik me heldhaftiger had moeten gedragen dan in mijn hele leven daarvoor.
Ik hoorde het ruisen van vleugels en toen viel er iets zwaars bovenop me, maar ze viel op zo’n manier dat ze mij geen pijn deed of al te veel de lucht uit mijn longen joeg. Ze grinnikte zachtjes in mijn oor. Ik begreep dat er voorlopig nog niets van slapen zou komen.

---

Een kwade gil maakte me onzacht wakker. Ik keek snel de kamer rond en zag Qelajne bij het raam staan. Het raam leek veel kleiner dan gisteren, maar dat zou toch zeker gezichtsbedrog zijn? Ik sprak haar naam en ze draaide zich om, een intense woede op haar gezicht, haar mond vertrokken tot een angstaanjagende grimas en al haar klauwen gekromd. In de raamopening achter haar zag ik tralies die er gisteren zeker niet gezeten hadden. Ze stak met een venijnig gebaar haar arm uit en wees op de deur. Ik zag een zware stalen constructie waar gisteren nog een houten deur was geweest. We waren dus op één of andere manier beïnvloed geweest. Ik wist dat de koning magiërs in dienst had, maar had er gisteren, door mijn vermoeidheid, niet aan gedacht dat die zoiets zouden kunnen. Even ging ook door mij een golf van woede heen, maar juist de aanblik van Qelajnes maar nét ingehouden razernij maakte mij kalm: de oplossing van dit probleem zou van mij moeten komen. Ik keek nog eens de hele kamer rond, en zag wat er niet veranderd was. De vloer was nog steeds van hout, in de toren waar we zaten waren geen stenen tussenvloeren gelegd. Met een heel klein beetje triomf in mijn blik keek ik Qelajne aan en wees met één vinger naar de vloer. Ze volgde mijn vinger, keek even niet-begrijpend naar me terug, en toen daagde het haar ook: een houten vloer was absoluut geen partij voor haar klauwen en als het moest konden we zo de hele toren tot aan de grond toe slopen om een uitgang te vinden. Ze lachte hard, heel eventjes té hard voor mijn oren, ze schrok even toen ik van pijn ineendook en mijn oren bedekte, kwam om de rand van het bed zitten, sloeg een vleugel om me heen en fluisterde: “Sorry, lieverd. Jee, wat zijn jullie mensen toch fragiel...”
Ik gromde naar haar en zei: “Het is mijn eigen schuld dat ik hiervoor kies in plaats van met een lief, zacht burgermeisje het nest in te duiken. Ik zal dus tegen een stootje moeten kunnen. En ga nu maar eens doen waar je goed in bent: de boel vernielen!”
Ze keek me even donker aan, trok haar wenkbrauwen op, gaf me een klein grijnsje en zei zacht en duidelijk welgemeend: “Ik hoop, voor ons allebei, dat ik binnenkort mag stoppen met allerlei boelen te vernielen, maar ja, nu zal het nog even moeten.”
Ze stond op, liep naar een open stuk vloer toe, haalde een paar keer diep adem, knielde neer en ramde, zonder verder een geluid te geven, haar klauwen diep in de planken, die het krakend begaven. Toen ze weer overeind kwam, nu met een ingehouden kreet van inspanning, trok ze de halve vloer mee omhoog. Ze gooide de gebroken planken opzij en we keken samen de kamer beneden ons in. Vanuit het bed onder ons werden we in doodsangst aangekeken door een man die, getuige de kleding in een hoek van de kamer, een bewaker moest zijn.
Qelajne sprong naar beneden en beet de man toe dat hij nog geen haar moest bewegen als hij wilde blijven leven. Met één trap van haar voetklauw versplinterde ze de deur, terwijl ik moeizaam naar beneden klauterde en met een handgebaar de bewaker overtuigde dat wat Qelajne gezegd had, ook voor mij gold.
Ik stapte achter Qelajne aan de gang in. De herrie van haar kleine verbouwing had mensen gewaarschuwd, want er klonken stemmen en voetstappen die langs de trap omhoog kwamen. Qelajne keek me aan en veegde met haar handen langs haar oren. Ik twijfelde geen moment over de bedoeling van haar gebaar en deed mijn handen stevig over mijn oren en opende mijn mond. Ze draaide zich naar het trapgat, haalde adem en gilde. Toen ze weer stilhield en ik mijn oren weer aan de buitenlucht toevertrouwde, waren de stemmen en voetstappen verstomd en klonk nog slechts gekreun en gejammer van beneden.

Ik liep terug de kamer in. De bewaker zat nog steeds stil in zijn bed. Ik boog me over hem heen en legde al het venijn in mijn stem wat ik kon opbrengen. “Jij lijkt me een kerel die nog wel even verder wil leven, hmmm? Als jij me nu vertelt waar ik de koning kan vinden, dan regel ik dat die furie buiten je deur blijft.”
Hij hoefde niet te aarzelen en vertelde dat de bediende die ons hier gebracht had, verteld had dat de koning een vergadering zou beleggen in de Tweede Troonzaal. Er was niet veel overredingskracht nodig om een goede beschrijving richting die ruimte los te krijgen.

---

Natuurlijk was de snelste manier om op onze bestemming te komen, door de lucht. Hoewel alles in mij zich angstig samentrok, had ik geen bezwaar gemaakt toen Qelajne me moeiteloos optilde, mij met haar armen tegen zich aandrukte, en over de rand van het balkon sprong. Ach, beter dat, dan dat ik alles had laten lopen.

We landden op de binnenplaats en Qelajne liet me los. Ze wilde meteen naar de deur toe lopen, maar ik hield haar tegen. “Qelajne, hou er rekening mee dat niets wat we tegenkomen is zoals het er uitziet!”
Ze knikte, haar blik was bezorgd, het was duidelijk dat ze met dit soort dingen geen ervaring had en dat ze het niet goed kon overzien. Ik wist dat ze erop vertrouwde dat ik haar voor de ergste fouten zou behoeden.
We liepen samen naar voren. De deur leek precies dát te zijn: een deur. Ik opende hem en we keken een lange, smalle zaal in. Achterin stonden de koning, enkele hoogwaardigheidsbekleders en een aantal hogere militairen om een grote tafel. Grommend stapte Qelajne naar binnen, ik was te laat om haar tegen te houden. “Qelajne, die zaal kán niet zo lang zijn als hij lijkt, dit is een val!”
Ze zette nog een paar stappen, tot ze haar vleugels precies in de breedte van de kamer kon spreiden. Zo draaide ze, snel vooruitlopend, een aantal pirouettes met haar vleugels vlak boven de grond. Opeens veranderde alles, de lange zaal werd een kleine, bijna vierkante ruimte, de figuranten verdwenen en een man in een zwarte pij vloog als een lappenpop door de kamer. De magiër. Qelajne keek me over haar schouder even aan: “Soms ben ik ook nog niet zo dom, hoor!”
De magiër kwam enigszins overeind en stak een hand uit richting Qelajne. Haar blik werd leeg en ze begon haar klauwen naar haar eigen hals te brengen. De magiër zweefde naar het midden van de kamer, tot vlak voor haar. Ik greep het mes van mijn riem, rende naar de plek waar de magiër op de grond gelegen had en stak mijn mes richting de plek waar ik wist dat hij geweest was. Een kreet klonk vlak voor mij op, en weer veranderde de werkelijkheid. Qelajne kreeg weer controle over zichzelf en de nu bloedende magiër werd weer zichtbaar op de plek waar hij echt was. Nu richtte hij zijn kracht op mij, ik voelde een enorme hitte en een stekende pijn in mijn hoofd opkomen. Ik kon me niet meer bewegen, het mes viel uit mijn krachteloze hand. Een vleugelpunt zwiepte vlak over mijn hoofd en Qelajnes vingerklauw boorde zich in het voorhoofd van de magiër. Onmiddellijk stopte mijn pijn. Qelajne trok haar vleugel weer terug en de dode magiër zakte op de grond.
De wereld om ons heen was weer echt zoals hij was, maar we waren nog geen stap dichter bij de koning gekomen.

---

Ik had me bedacht dat de koning, arrogant als hij was, er zomaar op zou vertrouwen dat zijn magiër zijn werk goed zou doen, en dat hij zich dus niet eens ergens in het paleis zou verbergen, laat staan erbuiten.
We waren weer op de vleugels gegaan, nu richting de échte troonzaal. Buiten werden we opgewacht door een vrij grote garde. Echter, toen Qelajne mij op de grond gezet had en niet meer deed dan haar vleugels en klauwen spreiden, ging deze groep gewone soldaten er in een noodtempo vandoor. Zóveel hadden ze niet over voor het beschermen van een koning wiens regering ze toch geen dag langer zagen duren.

Binnen was het anders. De koning had zijn prijsvechters om zich heen verzameld en de dappersten van de edelen hadden zich in hun harnassen gehesen om de strijd aan te gaan. Een Minotaur was de eerste die op ons afstormde. Ik was wijselijk een paar stappen achter Qelajne gebleven, dus zijn dolle aanval was slechts op haar gericht. De massieve Minotaur was zeker drie keer zo zwaar als Qelajne, en zijn dikke vacht vormde een uitdaging voor haar klauwen. Ze loste het simpel op. Met een vleugelslag sprong ze over haar aanvaller heen, stootte haar benen uit en zette haar enorme voetklauwen in zijn hals. De Minotaur stortte voorover en Qelajne torende balancerend, ongenaakbaar lijkend, boven hem uit. Hij probeerde nog om haar benen van zich af te trekken, maar had net zo goed een poging kunnen doen een boom met zijn handen te splijten. De paar tellen die de Minotaur nodig had om te sterven, was het verder angstvallig stil in de troonzaal. Pas toen Qelajne van het lijk wegstapte, kwam er reactie uit de rangen van de prijsvechters en edelen.
Toen het eenmaal op gang kwam, ging het allemaal zo snel dat ik het niet meer kon volgen. Qelajne leek haar strijd te concentreren op de prijsvechters, en sloeg zo nu en dan een edele met een enkele klap de halve troonzaal door. Eén van hen landde, als een stuk verfrommeld metaal met voormalig menselijke uitsteeksels, vlak voor mijn voeten. Zijn zwaard was nog intact, en in een opwelling pakte ik het op. Ik keek de troonzaal door en zag de koning nu, geheel zonder gezelschap, half verborgen achter zijn troon staan. Nu was de tijd gekomen om mijn rol in dit inferno te vervullen.

Hoe kon een vredelievende handelaar als ik nu toch in een zwaardgevecht met een koning beland zijn? Niet dat ik nooit een zwaard gehanteerd had, maar dat was jaren geleden en tegen boeren en buitenlui. Dit was iets heel anders.
Toch verging het me niet slecht. De koning was op zijn minst niet erg in conditie, en ik was de afgelopen dagen in de topvorm van mijn leven gekomen, dus mijn gebrek aan techniek werd ruimschoots gecompenseerd door mijn snelheid en uithoudingsvermogen.
Eigenlijk had ik niet verwacht dat de koning steeds maar weer bleef aanvallen als ik hem weer eens van me afgeslagen had. Pas langzaam drong het tot me door: alhoewel ik de koning slechts buiten gevecht wilde stellen, ik had geen persoonlijke vete met hem en wilde de ‘finale’ aan Qelajne overlaten, was dit voor hem een gevecht op leven en dood. Goed, het zij zo.
Toen hij weer op me afkwam, maakte ik een schijnbeweging, die hij, moegestreden als hij was, trouw volgde. Ik schopte zijn vooruitgestoken been onder hem vandaan en sloeg het gevest van mijn zwaard tegen de achterkant van zijn hoofd. Hij bleef versuft op zijn knieën zitten. Even had ik tijd om om me heen te kijken. Verderop raasde de furie van Qelajne door de gelederen van de prijsvechters en edelen die het nog aandurfden haar te confronteren. De gewone soldaten en de minder dapperen stonden op een afstand, hun aandacht bij één van de twee gevechten, maar vooral zorgend daar zelf niet bij betrokken te raken.
Ik keek weer naar de koning. Het moest dan maar gebeuren. Ik duwde hem met mijn voet verder onderuit, hief mijn zwaard en liet het neerkomen in zijn nek. Zijn hoofd rolde een paar slagen en toen het tot stilstand kwam, keek het mij met een bijna verwijtende blik aan. Met de punt van mijn zwaard tikte ik het een half slagje verder: laat hem zijn volk maar verwijtend aankijken. Zijn volk. Ik keek weer naar de kleine menigte op een afstand. Er was iets veranderd. Qelajne had geen tegenstanders meer, want alle blikken waren hier, op het terras waar ik stond, gericht. Eén van de edelen liet zich op een knie zakken, legde één hand op zijn borst en stak de andere recht omhoog. “De koning is dood, leve de koning!”, brulde hij, waarna hij zijn arm liet zakken en diep in mijn richting boog.
Zijn voorbeeld werd gevolgd, eerst door enkelen, dan door steeds meer, tot iedereen zijn steun aan mij betuigd had en geknield zat, behalve Qelajne.
Met een machtige gevleugelde sprong plaatste ze zich tussen alle gebogen figuren en mij in. Ze grijnsde breed. “Nou Sire, als u mijn diensten nog ergens voor nodig hebt...”
Ik keek haar aan, mijn blik bloedserieus, en haar grijns verdween. “Qelajne, jouw diensten hoef ik niet, maar jouw gezelschap en steun zal ik gaarne aanvaarden, het liefst voor de rest van mijn leven.”
Haar gezicht plooide zich in de mooiste glimlach die ik tot nu toe van haar gezien had. Ze stapte naar voren, sloeg haar vleugels om zich heen zonder haar vrouwelijkheid te bedekken, en kwam naast en iets achter me staan, een toonbeeld van kracht en zonderlinge schoonheid.

De handelaar en de Harpij. Dit was ongetwijfeld het vreemdste koningspaar dat dit volk ooit gezien had.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.