Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Drama
Geplaatst:
21 oktober 2011, om 15:59 uur
Bekeken:
1008 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
269 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Naïma"


 

Zelden levert oorlogsverslaggeving positieve artikelen op. Naast de geschiedenis van dood en vernietiging op grote schaal, zijn er de vele tragische persoonlijke verhalen, die vaak verborgen blijven achter propaganda of schaamte, of soms pas vér na afloop van een oorlog langzaam tot de buitenwereld beginnen door te dringen.
Dit is één zo’n verhaal, deels opgetekend terwijl het zich nog vormde, onvolledig en gezien slechts door de ogen van anderen, omdat de persoon wier verhaal dit is, het nooit zelf heeft kunnen vertellen.

Nu ruim drie jaar geleden was de oorlog tussen Arvanië en Transkordije in volle hevigheid gaande. Als journalist was ik, na lang lobbyen, met enkele anderen, eindelijk uitgenodigd om te komen kijken hoe het dagelijks leven in de Arvanische Katrovaniya-militie verliep. Deze militie werd door veel westerse instanties gezien als ‘paramilitair’ en een bron van oorlogs-misdaden. De commandant van de militie wilde duidelijk maken hoe anders zij dit zelf zagen, wat deze volksmilitie écht was. De werkelijkheid die we tegenkwamen, was misschien nog wel verschrikkelijker dan het beeld dat we hadden, alleen op een heel andere manier.

---

De militie had een kamp opgeslagen in de heuvels boven de Deritya-rivier. In een karavaan, onder begeleiding van legervoertuigen, werden we erheen gebracht.
Het kamp leek niet op de reguliere legerkampen die we kenden. Er stond een allegaartje van tenten, soms niet meer dan een afdak op palen, waaromheen een al even vreemde mengelmoes van mensen bivakkeerde. Slechts hier en daar was een militair uniform te zien, de meeste mensen hadden burgerkleren aan die qua kleur enigszins bij elkaar in de buurt kwamen. Of dit was om herkenbaarheid op het slagveld te hebben, omdat men dan elkaars kleren kon overnemen als er iemand in de strijd bleef, of dat het goedkope aanvoer van afgedankte kleding was, was mij op dat moment nog niet duidelijk.
Hier en daar onder de afdakken stonden en lagen groepjes wapens bijeen, maar een deel van de mensen liep de hele tijd met een geweer over de schouder. Vanuit een gaarkeuken werd voedsel naar buiten gebracht, maar sommige groepen mensen waren zelf bezig iets te bereiden op zelfgestookte vuurtjes. Alle leeftijden waren vertegenwoordigd, de meerderheid mannen maar ook een aanzienlijke hoeveelheid vrouwen. Het geheel ademde een pragma-tische sfeer, zelforganiserend zonder een grote invloed van een centraal commando.

De commandant vertelde ons de geschiedenis van de militie, zoals die begonnen was als een gewone compagnie, in een slag gedecimeerd was en toen was aangevuld met een groep burgers die de wapens tegen de vijand wilde opnemen nadat hun dorp was aangevallen, uitgemoord en afgebrand. Dit had de deur opengezet voor een toestroom van ontmoedigde, wanhopige en meestal ook woedende, verbitterde en wraakzuchtige burgers die wilden vechten om het onrecht te rechten dat hen aangedaan was. De militaire leiding had dit laten gebeuren, had het zelfs, zonder daar publiekelijk voor uit te komen, van harte ondersteund, omdat iedere strijder meer er één was. De staf van de militie had niet anders gekund dan deze mensen zo goed mogelijk een militaire basistraining te geven en te hopen dat hun nieuwe rekruten niet allemaal bij het eerste serieuze treffen zouden sneuvelen. Allengs was gebleken dat de vasthoudendheid van deze mensen hun gebrek aan vaardigheid vaak ruimschoots compenseerde.

Het begon me duidelijk te worden dat deze militie een wereld verschilde van wat we gedacht hadden. Geen concentratie van de fanatiekste anti-Transkordische paramilitairen, maar een Legioen der Verdoemden. Hier hadden zij die door de oorlog alles kwijtgeraakt waren, hun huis, hun dorp, hun familie, hun zelf, een nieuw thuis gevonden. Vanzelfsprekend was de haat voor de Transkordiërs groot, het was niet te voorkomen dat er zo nu en dan dingen gebeurden die, vanuit onze westerse moraliteit gezien, niet door de beugel konden en daarom meteen als ‘oorlogsmisdaden’ werden aangeduid, maar de kleine militaire staf deed zijn best om uitwassen te voorkomen, de militie bewaakte zelf nooit gevangen voor langere tijd, ze kwam nooit op Transkordisch grondgebied, zodat acties tegen burgers uitgesloten waren, alles was er juist op gericht om de slachtoffers die deze militie vormden, op een gecontro-leerde wijze een kans te geven om terug te vechten, en daarmee te voorkomen dat individuen op persoonlijke wraakacties uitgingen, met alle mogelijke onbedoelde negatieve gevolgen voor hun eigen mensen.

Die realisatie deed een plan in mij opkomen. Was een portret van de militie als geheel wel zo zinvol? Dit was een los verband van individuen, dat probeerde als een militaire eenheid te functioneren. Maar de individuen zélf waren hier veel belangrijker dan het wankele geheel dat ze vormden. Om dat zo goed mogelijk naar voren te laten komen, wilde ik proberen de militie te beschrijven door een aantal verweven portretten te maken van de meest significante figuren die er deel van uitmaakten.
Toen ik dat idee aan de commandant voorlegde was zijn reactie, op zijn zachts gezegd, minder dan enthousiast. Niet alleen zou het betekenen dat ik langere tijd met de militie zou moeten meereizen, maar ik zou misschien ook pogingen doen om portretten te maken van mensen die beter in de schaduw gehouden konden worden, of ik zou mensen tegen de haren instrijken juist omdat ik ze niet geselecteerd had. Ik moest praten als Brugman om hem te overtuigen van het nut van mijn benadering, voor het beeld dat de buitenwereld zou hebben van de Katrovaniya-militie, of eigenlijk van de mensen die de militie vormden.
Uiteindelijk stemde hij in. Hij besloot dat we samen vooraf een selectie zouden maken van de mensen die geportretteerd zouden mogen worden. Alhoewel ik het in eerste instantie als een vorm van censuur zag, kon ik zijn beweegredenen daarvoor goed begrijpen en ik was allang blij dat ik in ieder geval een ingang had gevonden.

We liepen samen door het kamp, de commandant wees regelmatig iemand aan en vertelde op gedempte toon, in een kort relaas, de reden van diens aanwezigheid in de militie. Enige overlevende van een dorp, per ongeluk niet thuis toen zijn familie uitgemoord werd, ‘doodgeschoten’ maar toch op het nippertje overleefd, alle droevige verhalen kreeg ik te horen. De meest indringende verhalen en de meest sprekende personen koos ik uit voor mijn portretten, de commandant stemde met bijna al mijn keuzes in. Hij stelde mij aan deze personen voor en we bespraken mijn plan met hen. Niet iedereen wilde meedoen, maar uiteindelijk had ik een tiental mensen die ik gedurende een paar weken intensief zou volgen.

Na de zoektocht gaf ik bij de commandant aan dat ik graag toestemming zou hebben om in mijn eentje door het kamp te lopen, om een idee te krijgen van de bezigheden en vooral de heersende sfeer. De commandant leek niet erg blij met mijn verzoek, maar realiseerde zich blijkbaar dat hij me toch niet 24 uur per dag in de gaten kon houden en ook niemand beschikbaar had om dat te doen, dus met niet meer dan een hoofdknik gaf hij zijn fiat. Ik vertrok, mijn zintuigen wijd open om alles op te vangen, voor een lange en indrukwekkende tocht door deze soms onwaarschijnlijk aandoende scène.

Opeens zag ik een figuurtje dat ik nog niet eerder had opgemerkt. Een donkere tienermeid, Somalisch uiterlijk, mager, kort kroeshaar, bezig om een vrij lang, dun en ingewikkeld uitziend geweer schoon te maken. Haar leeftijd was moeilijk te schatten, maar ouder dan veertien kon ze zeker niet zijn. Wat deed deze meid hier? Ze was toch met zekerheid veel te jong om een strijdend militielid te zijn? Maar ik had nog niet eerder gemerkt dat er ook iets van niet-strijdend onderhoudspersoneel rondliep, en zeker niet zó jong. Ik had wel een jongeman gezien waarvan ik getwijfeld had of hij de achttien al wel haalde, maar dit was toch iets heel anders. Ook het feit dat er hier iemand met een Afrikaans uiterlijk zat, was al uitzonderlijk, want alle andere militieleden die ik tot nu toe had gezien, zagen er Slavisch of algemeen Europees uit.
Ik keek een tijdje toe hoe zij de onderdelen van het geweer schoonmaakte en daarna weer met vliegensvlugge routine in elkaar zette. Toen ze klaar was, stopte ze het wapen in een foedraal en hing dit over haar schouder. Ik volgde haar even, het was duidelijk dat ze het wapen niet aan iemand ging brengen, dus blijkbaar was het toch haar persoonlijke wapen.

Toen het meisje langs een zittend groepje liep, werd ze aangesproken. Iemand schoof een klein stukje van zijn plaats en klopte op de grond naast zich. De blik van het meisje bleef even leeg als die de hele tijd geweest was, maar ze ging op de vrijgekomen plek zitten, het geweer nog steeds op haar rug. Iemand vroeg haar wat en ze antwoordde met enkele gebaren, nog steeds zonder enige uitdrukking op haar gezicht. Het gesprek richtte zich op andere aanwezigen maar ik bleef naar het meisje kijken. Zoals ze daar tussen de mensen zat, was ze er niet op haar plaats, helemaal alleen in die groep. Ik vroeg me ernstig af of ze ooit ergens wél op haar plaats kon zijn. Ik ging terug naar de centrale hut om de commandant om opheldering te vragen over deze fascinerende verschijning.

De commandant knikte bedroefd. Hij had al wel verwacht dat ik Naïma op zou merken, ze was tenslotte, in al haar onopvallendheid, één van de meest opvallende personen binnen de militie. Het was echter, verzekerde hij mij, onmogelijk om een portret van haar te maken. Hij vertelde mij het verhaal achter haar aanwezigheid.

Op een dag, ongeveer een jaar eerder, was de militie door een recent verwoest dorp getrokken. Op het restant van een muur van een kapotgeschoten huis vonden ze een jonge, zwarte tienermeid, met op haar schoot een licht scherpschuttersgeweer. Blijkbaar had ze de militie zien aankomen en die niet als vijandig bestempeld, want ze zat duidelijk te wachten tot ze langskwamen. Wat er met haar gebeurd was, hoe ze daar gekomen was en waar ze het wapen vandaan had, waren vragen die altijd een vraag zouden blijven, want ze sprak geen woord, reageerde in eerste instantie zelfs helemaal nergens op. Ze was door de militie meegenomen, en alhoewel ze verzwakt en zwaar ondervoed was, wilde ze daarbij haar wapen niet afstaan, accepteerde alleen de paar spullen die ze voor haar vrij konden maken, zoals een slaapzak en wat kleding.
Iemand had voorgesteld haar Naïma te noemen, omdat dat de enige naam was die hij kon bedenken bij zo’n exotische verschijning. Naïma had het voorstel met niet meer dan een klein knikje aanvaard. Ze bleef zwijgen, maar begon allengs wel wat gebaren te gebruiken om simpele dingen duidelijk te maken. Niemand wist wat ze met haar moesten aanvangen, maar het was ook duidelijk dat ze haar nergens ‘kwijt konden’, er was simpelweg nergens een goede plaats voor haar.
Bij een aanval van een Transkordische militie bleek dat ze meesterlijk met haar geweer kon omgaan, ze had op afstand de vijand al gedecimeerd voordat deze in het schootsbereik van de gewone wapens was gekomen. De overwinning was makkelijker geweest dan enig treffen daarvoor. Vanaf dat moment was ze de top-schutter van de militie, genoot extra bescherming en waardering van de militieleden, en hoorde er, ondanks haar zwijgende en emotieloze optreden, helemaal bij.
Sindsdien was er, zo beweerde de commandant, eigenlijk niets veranderd. Ze sprak nog steeds niet, leek nog steeds emotieloos, en schoot nog steeds op ongelofelijke afstanden vijanden dood. Dat was alles wat er over haar te vertellen was, want haar eigen levens-verhaal zou ze niet tegen me uit de doeken doen.

De commandant had dit laatste op een zodanige manier gezegd, dat ik er niet aan twijfelde dat er méér aan de hand was. Ik besloot haar toch te volgen, misschien haar zelfs wel tot mijn belangrijkste portret te maken. Ik hoopte daarbij vanzelf te ontdekken wat er nog voor mij verborgen gehouden werd.

---

In de dagen die volgden, trok ik mee met de militie. Mijn aanwezigheid werd getolereerd, maar door velen ook niet meer dan dat. Ik had gesprekken met de mensen van mijn keuze, bouwde langzaam een beeld van hen op. Dit nam zoveel van mijn aandacht in beslag, dat mijn nieuwsgierigheid naar Naïma snel naar de achtergrond verdween, tot haar aanwezigheid zich plotseling weer op de voorgrond drong.
Het was een warme avond, zonder kans op neerslag, dus velen hadden niet eens de moeite gedaan hun tenten op te zetten. De wapens waren onder dekzeilen gelegd, de mensen lagen in slaapzakken verspreid over het terrein. Ik liep nog eens het kamp door om te proeven hoe de sfeer was. Er waren nog groepjes druk aan het praten, anderen zaten stil bijeen. Weer anderen waren al in slaapzakken gekropen, soms alleen, soms in paren, met andere ideeën dan de slaap vatten.
Terwijl ik zo mijn weg door het kamp zocht, werd mijn aandacht getrokken door één stel. Ondanks het afnemend licht kon ik de personen in de twee aaneengeritste slaapzakken duidelijk herkennen: de oude adjudant Viryas, één van de weinige beroepsmilitairen in de militie, en... Naïma. Uit hun onderlinge posities en de bewegingen in de slaapzak was het overduidelijk wat er gaande was.

Dus dát was het, dat was wat de commandant verzweeg. Even stond ik daar besluiteloos. Snel besefte ik dat mijn westerse ethiek hier niet opging en ingrijpen me slechts een onmiddellijke verbanning uit het kamp zou opleveren. Toch moest ik hier iets mee doen, dus ik besloot verhaal te gaan halen bij de commandant.

Na mijn verhaal aangehoord te hebben, keek de commandant me met een donkere blik aan. Het was duidelijk dat hij ontstemd was dat ik zijn advies genegeerd had en Naïma toch gevolgd had, waardoor ik nu hier achter gekomen was. Toch las ik in zijn ogen nog iets anders. Ik besloot om geen vragen meer te stellen, maar af te wachten hoe hij zou gaan reageren. Hij dacht lang na, schudde even kort het hoofd en keek me aan.
Was hij er blij mee dat deze situatie bestond? Nee. Nog afgezien van enige preutse westerse moraliteit omtrent seksuele relaties tussen minderjarige meisjes en oudere mannen, waar hij onder deze omstandigheden weinig boodschap aan kon hebben, ging het hier om een meid met ernstige psychische trauma’s. Hoe kon hij bepalen of deze relatie gezond of schadelijk voor haar was? Hij was legerofficier, geen psycholoog.
Maar daar stond iets heel anders tegenover. In deze militie liepen veel jonge mannen rond die snakten naar seks. Die zouden niet schuwen om Naïma daartoe ‘over te halen’, als ze de kans kregen. Zou die meid zich daartegen verzetten of zou ze er gewillig in meegaan? En als ze er wél in mee zou gaan, hoe konden ze dan bepalen of dat écht haar eigen keuze was? En wat als ze dan binnenkort met een zwangere tiener zaten? Of als er strijd tussen haar potentiële minnaars zou uitbreken over wie haar mocht hebben?
Maar omdat ze zich zo duidelijk gekoppeld had aan de adjudant, één van de meest gerespecteerde leden van de militie, zouden ze geen pogingen wagen. De adjudant ging voorzichtig met haar om én hij was gesteriliseerd. Het kwam er dus op neer dat Naïma misschien wel veiliger was in de slaapzak van de adjudant, dan als ze ‘vogelvrij’ ergens ging liggen.
Het was één van de vele dilemma’s waar hij, als commandant van dit unieke legioen, mee te maken had. Dit probleem had geen oplossing, maar de huidige situatie leek het minst slechte scenario te zijn, dus liet hij het maar zo, stuurde hooguit wat bij, zoals hij nu zou doen naar aanleiding van mijn melding. Hij zou de adjudant vragen om niet langer seks met Naïma te hebben als de militie bijeen in een open veld lag, maar te wachten tot ze, wat discreter, in een tent lagen.
Hij keek mij strak aan en maakte me, met iets van afkeer in zijn stem, duidelijk dat dat niet was om te voorkomen dat een westerse journalist, of de hele westerse wereld achter hem, nog eens met dit ‘zedenschandaal’ zou worden geconfronteerd, maar alleen om jaloezie in de rangen te voorkomen. Toen wees hij met een klein handgebaar naar de uitgang van de hut. Het onderhoud was afgelopen.

---

De mortier begon ingeschoten te raken, de granaten vielen steeds dichterbij. Toch stond Naïma nog steeds pal overeind, zonder enige dekking, rustig ademend door haar vizier turend, om zo nu en dan even de adem in te houden en een schot te lossen. Door de verrekijker was te zien hoe verbijsterend vaak ze er in slaagde om, op die afstand van misschien wel meer dan vijfhonderd meter, een heel klein uitstekend stukje van een in beschutting liggende Transkordiër te vinden en dat nog te raken ook.
Een mortiergranaat sloeg op slechts enkele meters achter Naïma in. Ze stortte voorover en verdween daardoor voor mij even uit het zicht. Mijn bezorgdheid en nieuwsgierigheid waren zo groot dat ik mijn eigen dekking vergat en, zo laag blijvend als ik kon, naar haar toe rende. Twee anderen waren mij al voor. Naïma zat op haar knieën, haar hoofd steunend tegen de schouder van een soldaat. Haar linkerschouder bloedde hevig en de andere soldaat probeerde tevergeefs het bloeden te stelpen. Vlak na mij arriveerde een medic die naar de wond keek en opdracht gaf haar onmiddellijk naar een veiliger plaats te brengen voor behandeling. De ene soldaat tilde haar op, Naïma stak haar hand op en wees naar haar geweer. De andere soldaat maakte een wanhopig gebaar maar ging toch het geweer halen. De hele groep, met mij erbij, rende in dekking naar een groepje bomen even verderop. Naïma werd op een rots gezet en de medic knipte met een schaar de kleding rond haar wond weg. Een granaatscherf zat diep in haar vlees. De medic ging voor haar zitten, vertelde haar dat hij die scherf moest verwijderen, maar dat hij geen verdoving beschikbaar had om dat voor haar makkelijker te maken. Met haar als altijd onbewogen gezicht knikte Naïma langzaam één keer, ten teken dat ze het begrepen had. De medic gebaarde tegen de soldaat hoe hij Naïma vast moest houden. Hij haalde een tang tevoorschijn en sloot die om de scherf. Hij legde zijn hand vlak naast de wond en even gebeurde er niets. Dan trok hij plotseling de scherf uit de wond. Uit Naïma kwam geen enkel geluid, geen schreeuw, nog geen zucht. Ik was op een plek gaan zitten waar ik haar gezicht kon zien, en had dat even zien vertrekken van pijn, daarna zag ik een uitdrukking waarvan ik dacht dat het intense woede was, maar bijna onmiddellijk daarna lag die lege uitdrukking weer in haar ogen. De medic stroopte nu het restant van Naïma’s trui af en ik kon haar blote rug zien. Die zat vol met striemen, oude strepen van littekenweefsel, die ik slechts kon associëren met de gevolgen van zweepslagen, die ik eerder gezien had. Weer kwam er zo een puzzelstukje tevoorschijn, wat het hele mysterie Naïma alleen maar verdiepte.

Naïma werd naar het veldhospitaal in het basiskamp gebracht, de commandant gaf mij opdracht mee te gaan, want hij wilde niet dat ik nog langer in de weg liep, zoals hij me zonder omhaal vertelde.
Terug in het kamp probeerde ik op de hoogte te blijven van wat er zich in de hospitaaltent afspeelde, maar opeens was ik weer een buitenstaander, ze moesten nu tenslotte voor iemand van henzelf zorgen en wilden daar geen pottekijkers bij hebben, dus niemand wilde mij wat vertellen.
Na enkele uren waren de verre geluiden van de strijd verstomd en kwam de militie terug in het kamp. Meer gewonden werden de hospitaaltent in gedragen. Even later kwam Naïma naar buiten, langzaam, licht gebogen, de leegte nu niet alleen in haar blik maar in haar hele houding. Tussen de chaos door kwam adjudant Viryas op haar af en sprak haar met een strenge stem toe. Naïma maakte een paar gebaren waaruit ik begreep dat ze vond dat ze, omdat ze verzorgd was, geen recht meer had op een bed in het hospitaal. Viryas legde een hand op haar goede schouder en de andere hand om haar middel en sprak haar op zachte toon ernstig toe. Ze keek hem even met een iets schuingehouden hoofd aan, knikte en legde haar hoofd tegen zijn borst. Hij streelde haar even over haar kruin, kuste haar voorhoofd, draaide haar dan voorzichtig om en ondersteunde haar terug de tent in.
Nogmaals verdiepte het mysterie Naïma zich voor me. Kon ze, onder dat onbewogen uiterlijk, écht iets voor Viryas voelen, maar wat dan? Voelde hij aan als een vader, een minnaar, van allebei een beetje, of nog iets heel anders? Ik wist het niet, maar begreep wel dat het onverstandig zou zijn om hierover vragen te stellen, zelfs aan de commandant. Naïma nam een heel speciale plaats in en mijn ‘opdringerigheid’ zou me niet in dank afgenomen worden.

---

Ik had de militie nu enkele weken gevolgd en mijn werk zat erop, ik had mijn materiaal, mijn indringende portretten van mensen in een onverwachte oorlogssetting. De dag van het vertrek was gekomen en het afscheid was, op een bepaalde manier, hartelijk te noemen. Toen ik nog eens achterom keek in de auto waarmee ik terug naar het vliegveld gebracht zou worden, zag ik dat ik een wereld achter me liet waar ik waarschijnlijk nooit in terug zou keren. Ik vermoedde dat ik deze mensen nooit meer zou zien.

---

Bijna drie jaar later kwam ik mijn documentaire weer tegen, zeker niet vergeten, maar ook niet echt meer herinnerd. De oorlog in Arvanië was inmiddels alweer twee jaar voorbij. Na lang aarzelen hadden de VN toch ingegrepen, te laat, veel te laat om meer dan de restanten van twee naties te redden. De hulpprogramma’s die daarna opgestart werden, waren lang niet voldoende om de gaten te dichten, de wonden te helen of de tragedie te verzachten.

Door het terugzien van de documentaire werd mijn journalistenbloed weer aan de kook gebracht. Ik wilde weten wat er na mijn vertrek gebeurd was, dus ik besloot om terug te gaan naar Arvanië, een tweede reeks portretten te maken, van diegenen uit de eerste reeks die het overleefd hadden, maar ook, waar mogelijk, een epitaaf voor hen die het niet gered hadden.

Terug in Arvanië begon mijn zoektocht voorspoedig. Ik kreeg meer medewerking van de autoriteiten dan ik verwacht had en kon in vrij korte tijd veel van de vroegere leden van de Katrovaniya-militie terugvinden. Vele van hen waren bereid om hun verhaal te doen en om me verder te verwijzen naar andere leden. Maar na die prachtige start kwam al snel de kentering. Hoe verder ik kwam, hoe moeilijker het werd om de nog overgebleven mensen op mijn lijstje te vinden. Er was geen sprake van dat ik zou opgeven, ik kon pas rusten als ik ze allemaal gevonden en gesproken, of op zijn minst getraceerd had. Alleen dat zou voor mij de oorlog afsluiten en ik hoopte dat het de anderen hierbij ook zou helpen.

---

Weken later, en eindelijk had ik een spoor van Naïma te pakken! Een vrouw die na mijn bezoek deel had uitgemaakt van de Katrovaniya-militie, had me verwezen naar de burgemeester van een klein dorp in de bergen.
Ja, hij had Naïma gekend, ze was in zijn dorp geweest, en ik mocht langskomen om haar verhaal te horen. Alles wat hij zei was in de verleden tijd geweest, dus met een somber gemoed reed ik naar het dorpje toe. De ontvangst was op zich vriendelijk, maar het was vanaf het begin duidelijk dat ik geen positief verhaal te horen zou krijgen.

Naïma was, vlak na het einde van de oorlog, samen met oud-adjudant Viryas in het dorp terechtgekomen. Hij had zich als haar pleegvader opgeworpen, ze hadden een klein huisje bewoonbaar gemaakt en hadden zich ontpopt tot noeste werkers in het herstel van het door de oorlog verwoeste dorp. Viryas’ gezondheid ging echter snel achteruit en op een dag was hij, plotseling, dood van een steiger gevallen. De nog altijd zwijgende en uiterlijk emotieloze Naïma was zonder hem doorgegaan, alsof er niets aan de hand was.
Laat in het jaar was het eindelijk zover: al het puin was geruimd, het laatste huis van het dorp was hersteld, het werk was gedaan. Temidden van de festiviteiten had niemand op Naïma gelet. Die avond vond de burgemeester een briefje in zijn bus, van Naïma.

Hij haalde een papier tevoorschijn en gaf dat aan mij. Er stond een korte tekst op in een onzeker handschrift.

Nu het werk af is ben ik overbodig geworden.
Ik heb hier geen nut meer.
Ik denk niet dat er elders nog nut voor mij is.
Ik zal weggaan om te sterven.
Naima

De volgende dag was haar levenloze lichaam even buiten het dorp teruggevonden.
Naïma nam haar mysterie mee in haar graf.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.