Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
18 oktober 2011, om 22:21 uur
Bekeken:
762 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
258 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Tinye (deel 2)"


 

In de pas boven het huis was een kudde schapen verschenen, met een herder en twee honden erbij. Tinye en Sior keken toe hoe de kudde zich over de hoogstgelegen weiden verspreidde. Het huis lag niet op het meest logische pad naar het dal toe, dus ze maakten zich niet veel zorgen dat de kudde dicht in de buurt zou komen.
Gedurende de dag hielden ze de kudde, maar vooral de herder, in de gaten. Hij was veel te ver weg om hen te kunnen zien, zulke goede ogen hadden die Mensen niet. Zelfs als hij al beweging bij het huis kon zien, dan kon hij nog niet weten wát hij zag. Toch hielden ze zich zoveel mogelijk schuil, ze wilden hem ook niet het idee geven dat hij wel even gezellig kon komen buurten...

Vroeg in de avond werden ze opgeschrikt door het geblaat van de kudde, dat nu opeens alarmerend veel dichterbij klonk dan daarvoor. Tinye keek uit het raam en zag dat de hele kudde, met de herder ervoor, recht op het huis afkwam. Sior schold in korte maar krachtige termen de hele wereld uit en de herder in het bijzonder. Snel gingen ze naar buiten, via de greppel achter het huis slopen ze naar een punt, hoger op de helling, waarvandaan ze alles konden overzien. Ze hoopten maar dat de kudde snel langs het huis zou trekken en het de herder niet zou opvallen dat er nieuwe bewoners waren.
De herder liep voor de kudde uit op de schaapskooi af. Hij opende de hekken en begon met roepen en fluiten de honden opdracht te geven de kudde de kooi in te leiden. Toen de laatste schapen binnen waren sloot hij de hekken weer. Hij draaide zich om en keek lang naar het huis. Dan liep hij naar de deur, klopte erop en wachtte. Hij schudde zijn hoofd eens, opende de deur en riep iets naar binnen. Zonder op een antwoord te wachten liep hij het huis in.
Sior gromde wanhopig, Tinye legde een hand op de zijne en wierp hem een kalme, vastberaden blik toe; zij was ook bezorgd, maar ze konden niet anders dan afwachten wat er zou gebeuren. Tinye bedacht dat de herder uit wat hij binnen zag, waarschijnlijk niet kon opmaken dat er ‘beestmensen’ woonden, als hij, in deze uithoek van de Mensenwereld, al wist wat dat waren.
Na een ellenlang paar tellen stapte de herder weer het huis uit en keek om zich heen. Hij liep naar de open ruimte voor het huis, ging daar staan met zijn handen op zijn heupen, en keek nog eens nadrukkelijk alle kanten uit. Zo bleef hij een hele tijd staan. Deze Mens was slim, hij had, door wat hij binnen aangetroffen had, duidelijk gezien dat de huidige bewoners hals over kop de woning verlaten hadden. Maar had hij ook door wie – of eigenlijk wát – die bewoners waren?

Met tegenzin hakte Tinye voor zichzelf de knoop door: de herder zou niet snel weggaan en zij wilde dit thuis niet zomaar opgeven, dus ze zouden zich moeten laten zien. Ze stond op, wat Sior een gesmoorde kreet en een angstig op haar gerichte blik ontlokte. Ze stapte bij hem vandaan voordat hij haar weer op de grond kon trekken en liep naar een plek waar de herder haar duidelijk zou kunnen zien. Daar aangekomen keek ze in de richting van de Mens en zag dat die haar met open mond stond aan te staren.
Toen hij merkte dat ze naar hem keek, sloot hij snel zijn mond, maar meer reactie kon hij nog niet opbrengen. Wat was dit voor een boomlange, graatmagere, van een gevlekte vacht en een lange staart voorziene, verschijning? Dit moest wel een beestmens zijn. Hij had er wel eens van gehoord, had wel eens tekeningen gezien, maar niets wat hier op leek. Er straalde kracht en pracht van dit wezen af, dit leek in niets op de kwijlende monsters met bebloede muilen die er op die tekeningen stonden. Maar toch, wat kon dit anders zijn?

Tinye begon, met alle rustige elegantie die ze in zich had, de helling af te lopen naar het huis. Toen ze in het blikveld van de honden kwam, begonnen die hard te blaffen en ze renden op haar af. Ze kromde haar klauwen, klaar om de dieren van zich af te slaan. Een paar snelle kreten en harde fluittonen van de herder zorgden ervoor dat de honden tot bedaring kwamen en rond zijn voeten gingen zitten, nerveus, met ontblote tanden, maar gehoorzaam. Tinye was blij dat de ontmoeting met de herder niet hoefde te beginnen met twee dode honden. Duidelijk zichtbaar voor hem trok ze haar nagels weer in, ontspande haar houding en toverde een klein glimlachje op haar gezicht. Ze begon weer in zijn richting te lopen. Nogmaals reageerden de honden zenuwachtig, maar de herder hield de dieren met enig geluid goed onder controle en ze bleven waar ze waren.

De herder sprak Tinye aan in een taal die erg leek op de Mensentaal die ze kende, en vroeg: “Hebt u deze boerderij helemaal alleen zo opgeknapt?”
Tinye aarzelde, vroeg zich af of ze Sior als troef achter de hand moest houden, zag de zinloosheid daarvan in, en zei in haar Mensentaal: “Nee, niet alleen.”
De herder antwoordde nu ook in die taal: “Dat dacht ik al, er is veel gebeurd hier. U en de uwen hoeven niet bang te zijn voor een nietige herder als ik.”
“Voor u alleen? Vast niet. Maar voor de groep Mensen die u kunt optrommelen om op beestmensen te jagen, als u eenmaal in het dal bent, daarvoor wél.”
“Ik ben niet van plan om ook maar iemand van uw aanwezigheid te vertellen. Trouwens, de mensen in het dal hebben, naar ik weet, heel andere zorgen aan hun hoofd, die zullen geen belang hechten aan een paar vreemdelingen die vreedzaam op een afstand wonen, of dat nu beestmensen zijn of niet.”
Tinye zag de eerlijkheid van dat antwoord in de ogen van de Mens en knikte. Ze draaide haar hoofd om en maakte een kort miauwend geluid richting Sior. Het had geen zin om op die afstand bezwaar te maken, dus hij stond maar op en kwam langzaam naar beneden gelopen, zich zo breed en sterk mogelijk makend en met een onverschrokken pas en blik in de ogen.
Toen hij naast Tinye kwam staan, keek ze hem met een minuscuul glimlachje van onder haar wenkbrauwen schuin aan en zei zachtjes in het Kaur: “Snoever!”
Verbaasd keek hij terug en Tinyes glimlachje veranderde in een grijns terwijl ze een giechelbui kreeg. “Weet je wel hoe potsierlijk dat er uitzag, jochie?!”
Sior grijnsde schaapachtig naar haar en keek voorzichtig naar de herder, die inmiddels ook stond te glimlachen, het was hem wel ongeveer duidelijk wat er gaande was. Het was hem ook duidelijk dat dit nog heel jonge beest... nou ja, mensen waren, misschien nog niet eens volwassen. Het begon hem ook te dagen dat ze hier waarschijnlijk niet vrijwillig waren komen wonen. Maar hij wist ook niet waar ze vandaan kwamen, hij wist slechts dat er ergens een legendarisch Land van de Beestmensen was, maar tot deze ontmoeting had hij niet geweten of dat echt bestond, of inderdaad niet meer dan een legende was. Toch zou hij proberen ze te helpen, op wat voor manier dan ook...

“Nu de spanning een beetje uit de lucht is, zal ik me even voorstellen. Ik ben Steinar en”, naar beneden wijzend, “dit zijn mijn honden Arka en Lika. Ik gebruik deze schaapskooi al heel lang op mijn tochten, toen de boerderij nog bewoond was en alle jaren daarna. Ik was hoogst verbaasd het hier weer bewoond aan te treffen. Nu ik de nieuwe bewoners zie, ben ik nog veel, heel veel, verbaasder.”
Tinye en Sior stelden zich voor en Tinye vertelde in het kort hoe ze daar terechtgekomen waren. Dit alles bevestigde Steinars vermoeden dat de twee hier niet op hun plaats waren, hier ook niet op hun plaats wilden zijn, maar niets liever wilden dan terugkeren naar huis, waar dat dan ook was.
Maar aan de andere kant waren deze krachtige wezens dus ervaren vechters. Vooral Tinye leek een vechter van nature, waar Sior zachtmoediger scheen, maar ook met het vermogen om strijd te leveren wanneer dat nodig was.
Steinar aarzelde, hij wist niet of hij de hulp van deze wezens kon inroepen, of zij bereid zouden zijn de mensen te helpen waar ze zo argwanend tegenover stonden, of ze nogmaals tot strijd op leven en dood aangezet konden worden, en, ergens diep in zijn achterhoofd toch ook, of hij deze zo jonge mensen daar wel toe mócht aanzetten.
Hij zou hier ernstig over na moeten denken; de kans die hij hier zag was uniek, maar het kon ook zo erg misgaan...

De avond brachten ze pratend door. Steinar kreeg steeds meer bewondering voor deze prachtige wezens, terwijl Tinye en Sior een heel andere blik kregen op hoe een Mensen-gemeenschap óók kon zijn. Aan het einde van de avond had Steinar voor zichzelf besloten dat hij niet anders kon dan zijn dilemma aan deze twee jongelui voorleggen. Met enige aarzeling begon hij aan het verhaal van de pest die deze dalen geselde.

Enkele jaren daarvoor had een nomadenstam haar kamp opgeslagen in de regio. In het begin waren er nauwelijks contacten, de stam weerde iedere toenaderingspoging af. Op een dag  verdwenen enkele kinderen uit een aangrenzend dorp. Toen dorpelingen bij het kamp wilden gaan vragen of ze daar iets gezien of gehoord hadden, werden ze gewapenderhand verjaagd. Meer kinderen en jonge mensen begonnen uit omliggende dorpen te verdwijnen en de mensen begonnen nachtwachten in te zetten. Na een daaruit volgende schermutseling in de nacht tussen nomaden en dorpelingen, veranderde de tactiek van de indringers. Nu kwamen ze overdag, te paard en bewapend, naar de dorpen om jonge mensen te ontvoeren. De gemeenschap hier bestond uit boeren en herders, vredelievende mensen zonder enige ervaring met het geweld waar ze nu tegenover stonden en ze hadden er geen antwoord op.
De dorpelingen vermoedden dat de slachtoffers misbruikt, als slaven ingezet of verkocht werden, er werd in ieder geval nooit één teruggezien en niemand durfde meer in de buurt van het nomadenkamp te komen. Allengs waren de mensen die dat konden, weggetrokken. Wie niet weg kon had zich verschanst achter muren en hekken of leefde in weerloze angst voor het onvermijdelijke. Er was geen sprake van een georganiseerde tegenstand, niemand was er nog in geslaagd deze mensen te verenigen, te motiveren om de strijd aan te gaan.

Steinar keek naar de twee grote kat-mensen tegenover zich. Hij zag strijdlust in hun felle ogen, vooral in die van Tinye, net zoals hij verwacht had. Hij legde zijn kaarten op tafel: hun komst was volgens hem de langverwachte kans om een einde te maken aan deze nacht-merrie. Zouden zij, strijders als ze waren, hem willen helpen om deze landen weer veilig te maken?
Tinye hoefde niet te aarzelen, dit mocht niet voortduren, natuurlijk zouden ze helpen. Sior zag in dat zijn maning tot voorzichtigheid bij haar nu niet zou aarden en hield zich in. In hem brandde ook woede over zoveel onrecht wat deze mensen werd aangedaan, maar hij voelde er niets voor om nogmaals die strijder te moeten zijn die hij eigenlijk nooit was geweest. Maar hij had Tinye zo lief, dat hij haar zou volgen tot in de hel. Hij hoopte maar dat ze niet zó ver zouden hoeven te gaan.

---

Steinar had hun de weg gewezen naar het nomadenkamp, maar ging om begrijpelijke redenen niet zelf mee. Voor de twee Katten was het kleine beetje begroeiing op de steen-hellingen voldoende om ongezien het kamp tot op gooiafstand te naderen. De buitenste wachtpost waren ze voorbijgegaan zonder dat die iets gemerkt had, de binnenste wachtpost zat op een twintigtal passen afstand op een stoeltje een andere kant uit te kijken.
Ze hadden een half uurtje naar de activiteit in het kamp liggen kijken, een inschatting makend van het aantal Mensen en hun bewapening, onderwijl kijkend of ze een spoor zagen van de ontvoerde jongeren. Dat laatste was duidelijker dan ze gedacht hadden: jonge mannen en jongens, verspreid over het kamp, met een huidskleur die duidelijk afweek van die van de nomaden zelf, deden werk waar geen liefhebbende ouder zijn kind aan zou wagen. Meisjes en jonge vrouwen met de huidskleur van de herder waren niet buiten te zien, dus die zouden waarschijnlijk binnen werkzaamheden doen die nog minder aangenaam waren. Er stonden schuren op het terrein met zware sloten op de deuren, ongetwijfeld brachten de kinderen daar de nacht door.
De totale nomaden-bevolking van het kamp lag waarschijnlijk ruim boven de honderd, waarvan een veertigtal als ‘gevaarlijk’ beschouwd moest worden. Alhoewel er wel wat wapens te zien waren, was het moeilijk in te schatten waar ze, wat dat betreft, tegenover stonden. De messen, zwaarden en speren zouden voor hun eventuele Menselijke medestanders een probleem kunnen vormen, maar voor de twee Katten waren alleen de afstandswapens van belang. Slechts één keer had Sior iemand met een kleine kruisboog gezien en Tinye daarop gewezen. Dát was het gevaarlijkste wapen wat tegen hen ingezet kon worden, zelfs Tinye was niet sneller dan een vliegende pijl.
Al met al was het geen aantrekkelijk vooruitzicht. Het kamp was niet ongezien te naderen met een groep Mensen, maar er waren simpelweg te veel tegenstanders, met op zijn minst een aantal te gevaarlijke wapens, dat zij met z’n tweeën de klus zouden kunnen klaren. Aan de andere kant zou een meute ongetrainde boeren en herders misschien alleen maar in de weg lopen.

Vol twijfel keerden ze terug op de plek waar ze Steinar hadden achtergelaten. Die kon de verborgen onzekerheid in hun vreemde ogen niet lezen en ze lieten hem maar in de waan dat zij, zijn kampioenen, de situatie onder controle hadden. Samen gingen ze op weg naar een groot dorp in de omgeving, waarvandaan al meerdere kinderen weggenomen waren en waar de kans op medestanders het grootste leek.
Terwijl Tinye en Sior zich in het heideveld aan de rand van het dorp verscholen, ging Steinar het dorp in om met de Oudsten te praten. Een klein uur later kwam hij terug in het gezelschap van enkele Mensen. Hij maakte een kom-maar-tevoorschijn-gebaar en de twee stonden synchroon op en begonnen in zijn richting te lopen. De consternatie onder de andere Mensen was groot, sommigen wilden wegrennen, iemand trok een mes tevoorschijn. Steinar moest alle zeilen bijzetten om de Mensen te overtuigen dat die twee enorme, rechtoplopende roofdieren niet gevaarlijk waren, althans, niet voor de dorpelingen.

Daar stonden ze dan, oog in oog, onwennig, voor de Mensen die nog nooit een beestmens gezien hadden, voor de Kaun omdat ze nog nooit een groep Mensen als ‘medestanders’ hadden moeten aanmerken. Steinar deed zijn uiterste best om het ijs te breken, maar toen Tinye en Sior het dorp in geleid werden, voelde nog steeds niemand zich echt prettig met de situatie. Steinar bleef hameren op het gemeenschappelijk doel, het bestrijden van het onrecht, het bevrijden van de kinderen.
De bevolking van het dorp keek vanuit de huizen of vanachter bomen en muurtjes toe hoe het gezelschap met de twee vreemdelingen naar het centrale plein liep. Het nieuws verspreidde zich snel, dat deze wonderlijke wezens waren gekomen om hun kinderen te redden. Toch durfde niemand ook maar een stap dichterbij te komen.

---

Twee dagen had Steinar nodig om die misverstanden uit de weg te ruimen, duidelijk te maken dat dit geen goddelijke gezanten waren die de problemen wel even zouden oplossen, maar dat het aan de mensen zélf was om actie te ondernemen, en dat deze jonge strijders uit het Land der Beestmensen hierbij slechts behulpzaam konden zijn. Al die tijd waren Tinye en Sior bijna niet meer dan figuranten in zijn verhaal, met een krachtige, moedige, onverschrokken uitstraling en een zelfverzekerde houding over de afloop van een gezamenlijke aanval op de nomaden.
Ook uit andere dorpen begonnen nu mensen toe te stromen, de jonge, sterke boeren die zich aangesproken voelden op hun verantwoordelijkheid, de ouders van de ontvoerde kinderen, en diegenen die het een spannend idee vonden om met deze beestmensen ten strijde te trekken, om zich daarover later op de borst te kunnen kloppen.
Tinye en Sior deden hun best om deze Mensen op geschiktheid te selecteren: wie kon een bijdrage aan de strijd leveren en wie was slechts ballast? Uiteindelijk bleef er een groep van ongeveer vijftig Mensen over die mee zouden gaan.
Omdat het onmogelijk was om het kamp helemaal ongezien te naderen, zouden ze in de vroege ochtend aanvallen, als de nevel nog over de velden hing. Tinye en Sior zouden vooruit gaan om de wachten aan één kant van het kamp uit te schakelen. Ze zouden terugkeren met zo veel wapens als ze konden vinden en dragen. Daarop volgde de frontale aanval, eerst zo geruisloos mogelijk, na ontdekking zo luid mogelijk om het maximum aan verwarring te stichten.
De twee wisten wel dat die aanval veel van hun Mensen het leven zou kosten, maar de verwarring zou hun de tijd geven om razendsnel via een omweg het kamp in te gaan en de gevaarlijkste tegenstanders van achteren aan te vallen. En verder... niemand kon het weten.

---

De dag van de strijd was aangebroken. Sommige van de Mensen waren alsnog afgehaakt, letterlijk ziek geworden van angst, of gewoon spontaan verdwenen. De groep was veel kleiner dan ze gewild hadden, maar ze moesten het ermee doen. Steinar had een pak met veel glimmend metaal aangetrokken, zodat hij er belangwekkend uitzag, als de Generaal die hij nu moest spelen. Tinye had het tafereel even verbaasd aangezien, had hem een meewarige blik toegeworpen, die hij met een licht schouderophalen beantwoord had: “Tsja, als het mijn manschappen nou nét dat beetje extra moed geeft...”
Tinye had begrijpend geknikt, ja, zo werkte het nu eenmaal voor deze Mensen, ze hadden iets nodig om zich achter te scharen, anders durfden ze helemaal niets.

Ze gingen op weg. Aan de rand van het open veld dat naar het nomadenkamp leidde, kroop de groep bij elkaar. Tinye en Sior gingen op weg, nagekeken door een groep bange mensen. Een paar tellen later en in de enige boom op de vlakte was beweging te zien. Een man viel eruit, direct gevolgd door een beigebruine geest. Nog even later en aan de rand van het kamp verdween het silhouet van een man om te worden vervangen door een lange, magere schim. Hierop volgde een lange, angstaanjagende stilte.
Plotseling doken uit een greppel twee figuren op, hun armen vol met échte wapens, veel beter dan de gepunte stokken, rieken en vlegels waar de meeste leden van de groep mee uitgerust waren. De wapens werden verdeeld, het werd tijd om op weg te gaan. Sior hield Tinye tegen, trok haar tegen zich aan, ging op zijn tenen staan en duwde haar hoofd iets naar beneden. Hij legde zijn wang tegen de hare en wreef zacht zijn snuit langs de hare. Hij fluisterde in haar oor: “Ik hoop je aan het eind van de strijd weer levend in mijn armen te mogen nemen”. Ze trok haar hoofd terug, keek hem met vochtige ogen aan, knikte kort. Beiden hoopten dat het lot hen gunstig gezind zou zijn.

Zo goed mogelijk laag blijvend en zo stil mogelijk liep de groep, dicht bijeen, door het moeilijk begaanbare landschap. Toen ze de helft van de afstand afgelegd hadden, klonken kreten vanuit het kamp. Ze waren ontdekt. Steinar, Tinye en Sior zetten het op een brullen, de rest van de groep volgde het voorbeeld. “Verspreiden”, riep Steinar boven het aanzwellende gebrul uit en de groep spreidde zich uit tot een breed front, terwijl ze zo hard ze konden richting kamp renden. Tinye en Sior hadden ongemerkt even ingehouden en renden nu achter de groep langs, volledig aan het oog onttrokken, met veel hogere snelheid, in een boog om het kamp heen.
De nomaden begonnen posities in te nemen aan de rand van het kamp. De mannen met de kruisbogen lagen iets verder naar achteren en maakten hun wapens klaar voor gebruik. Dit waren de belangrijkste doelen. Tussen de naar het front rennende nomaden door, hen volledig negerend, renden ze op de boogschutters af en doodden deze snel, waarna ze de kruisbogen vernielden. Een deel van de tegenstanders keerde zich nu tegen hen, beseffend dat zij een veel groter gevaar vormden dan de aanstormende meute. De twee Katten gingen nu volledig op in de routine die ze als kooivechters hadden opgedaan. Eén voor één schakelden ze hun tegenstanders uit, maar door de grote aanloop ging dat niet altijd goed. Tinye kon een zwaard nog maar nét ontwijken maar een geworpen bijl schraapte langs haar heup. Sior werd geschampt door een speer terwijl hij een man met een mes doodsloeg. Langzamerhand begonnen de verwondingen hun tol te eisen, hun snelheid en accuratesse nam af. Inmiddels waren hun medestrijders ook tot in het kamp doorgedrongen en ze moesten dus uitkijken dat ze niet de verkeerde Mensen aanvielen.
Maar toen, zo snel als het begonnen was, zo plotseling was het ook weer voorbij. Nog hier en daar was een klein gevecht gaande, wat door de nu grote overmacht van de dorpelingen snel werd beëindigd. Ergens probeerde een groepje nomaden nog een aanval te doen, maar ze hadden geen kans meer. In de toenemende stilte kon men nu kinderstemmen vanuit de schuren horen schreeuwen. Snel gingen er dorpelingen naartoe, ze hakten de deuren open en de jongelingen kwamen naar buiten. Uit de hutten en wagens werden de overgebleven nomaden en de gevangen gehouden kinderen gehaald. Gezinnen werden herenigd en tussen het intense verdriet door begon blijdschap de boventoon te voeren.
Tinye was naar Sior toegestrompeld. Beiden bloedden uit verscheidene wonden en voelden zich meer dood dan levend. Steinar, alleen hij, kwam naar de twee toe, zijn ‘generaalsjas’ had hij inmiddels uitgedaan. Hij zag de twee zitten, zag dat de dorpelingen geen enkele aandacht voor deze helden leken te hebben en werd woedend. Hij brulde de dorpelingen toe dat het tijd werd om aandacht aan de gewonden te besteden. De dorpelingen kwamen bij zinnen en naast hun eigen gewonden, bleken ze nu ook aandacht op te kunnen brengen voor de twee Katten. Hun wonden werden provisorisch verzorgd en met de karren van de nomaden werden de gewonden, Mens en Kaun, gezamenlijk naar de dorpen terug vervoerd. Van dit alles kregen de twee weinig meer mee, overmand door pijn konden ze het kleine beetje bewustzijn wat ze nog hadden, alleen aan elkaar besteden.

---

Naast elkaar lagen Tinye en Sior in de zon, hun wonden begonnen te genezen, ze hadden de afgelopen dagen goede verzorging en goed voedsel gekregen, zodat ze weer helemaal aangesterkt waren.
Twee schaduwen vielen over hen heen, ze moesten enige moeite doen om niet grommend overeind te springen, maar ze wisten dat ze hier geen gevaar hoefden te verwachten, dus ze deden alleen maar hun ogen open om te kijken wie hun rust kwam verstoren.
Steinar stond aan hun voeten, samen met een oudere man die ze nog niet eerder gezien hadden en die overduidelijk hén ook nog niet eerder had gezien. Steinar stelde de man voor en vertelde dat die iets wist wat van groot belang voor hen was.
Hakkelend begon de man te vertellen. Ja, hij was ooit vér hiervandaan geweest, in een gebied dat, volgens de bewoners ervan, grensde aan het Land van de Beestmensen. Hij had het hoge gebergte gezien waarachter dit land lag en waar bijna niemand ooit zelfs maar aan dacht om overheen te gaan om dat land te bezoeken. Hij kon een beschrijving geven hoe ze zijn reis hier naartoe in omgekeerde richting konden afleggen, wat hen bij hun geboorteland zou brengen.
Tijdens het verhaal waren Tinye en Sior overeind gekomen en hadden hun handen elkaar gevonden in een stevige greep. Toen de oude man zijn laatste zin uitgesproken had, viel Tinye huilend in Siors armen. Eindelijk was er een kans, eindelijk hadden ze échte hoop om weer thuis te komen.

---

Het vertrek viel iedereen zwaarder dan ze hadden kunnen denken. In die korte tijd dat ze in het dorp te gast waren geweest, hadden ze toch een band met deze Mensen opgebouwd. De kinderen bleken niet zo bang voor hen te zijn als de ouderen, waren vooral nieuwsgierig naar hun vreemde uiterlijk en de ‘kunstjes’ die de twee konden doen. Maar ook de tieners en jongvolwassenen zochten contact, op een serieuze manier, zonder ze als kermisattracties te zien, maar als een verbinding met een grote, mysterieuze buitenwereld waar ze meer van wilden weten. Hun verhalen over hoe het écht was in de Kau, en hoe Kaun in de Mensen-wereld vaak gezien werden, gaven de jongeren een nieuw, beter perspectief. Hoe ver van de Kau ook, hier zou zich, onder hun invloed, hopelijk een gemeenschap gaan ontwikkelen waar iedereen, ook Kaun, zich veilig kon voelen.

Nu was de tijd gekomen om te gaan. De cadeaus die men had willen meegeven hadden ze vriendelijk afgewimpeld, ze wilden zo licht mogelijk reizen. Een groepje Mensen, vooral jongeren, had hen begeleid tot aan de brug over de rivier waar hun land ophield. Steinar was tot midden op de brug meegelopen, had hen een stevige omhelzing gegeven en stond daar nog terwijl zij, hand in hand lopend, het pad aan de andere kant insloegen. Sior kneep even in Tinyes hand en bromde zachtjes: “Hee, lang eind, ga eens een stukje door je knieën lopen, ik voel me zo klein naast je!”
Ze keek hem niet eens aan, maar grinnikte zachtjes en begon terug te knijpen. Sior liet zich niet kennen en kneep ook harder. Na een paar tellen van steeds harder knijpen over en weer, fluisterde Sior met een hint van pijn in zijn stem: “Okee, okee, ik snap het al hoor, ik maak wel stelten”.
Tinye schaterde het uit, Sior lachte mee, en zo, lachend en met hun staarten in een vrolijke krul, verdwenen ze uit het zicht van de Mensen, op weg naar huis.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.