Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
18 oktober 2011, om 21:44 uur
Bekeken:
823 keer
Aantal reacties:
1
Aantal downloads:
229 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Tinye (deel 1)"


 

“Opstaan, beest!”
De Mens ratelde met zijn mes langs de spijlen van Tinyes kooi, alsof hij haar daarmee kon laten schrikken. Natuurlijk had ze hem al van metersver horen aankomen, maar ach, ze liet hem maar in de waan, kwam met een schok overeind uit haar slaaphouding en gromde even naar hem, gespeeld venijnig met haar staart zwiepend. Hij grijnsde vals en grinnikte. Ze stond op, zonder verder naar hem kijken, en liep naar de plek waar kleine openingen in de kooiwand zaten. Daar stak ze haar handen door het bovenste gat en zette haar voeten achter het onderste. De andere Mens die meegekomen was, deed de boeien om haar polsen en enkels. Daarna ontsloot en opende hij de deur van de kooi. Ze liep gehoorzaam in de richting die ze zo goed kende, naar de vechtkooi, een bijna dagelijks ritueel.

Toen ze twaalf was, was ze zo dom geweest om, buiten haar geboortegronden van de Kau, op avontuur te gaan in de wereld van de Mensen. Ze was een Jachtluipaard, dus ze kon zo snel rennen dat ze daar helemaal op vertrouwde om zich uit alle situaties te redden. Ze was nieuwsgierig een Mensenhuis ingegaan, was ontdekt, kon in de kleine ruimte waar ze was geen kant op, en was door de Mensen gevangen genomen. Een tijdje, misschien een paar maanden, had ze in een kleine kooi gezeten om iedere dag door langslopende Mensen aangestaard te worden. Ze had de tijd gehad om de Mensentaal te leren, dus ze wist hoe neerbuigend ze over haar, het ‘beestkind’, gesproken hadden. Op een dag was ze het allemaal zat geworden, ze zou wel eens laten zien hoe sterk en snel ze écht was, en ze had degene die haar eten bracht zwaar verwond en daarna geprobeerd te ontsnappen. Ondanks haar snelheid was ze er in die onbekende omgeving toch niet in geslaagd een uitgang te vinden en ze hadden haar opnieuw gevangen.
De volgende dag was ze met speren in bedwang gehouden, vastgebonden en gedwongen met een andere Mens mee te gaan. Ze was hier terechtgekomen, in de kooi waar ze nu nog steeds woonde, waar ze alleen uitgehaald werd om naar die andere kooi te gaan, om te vechten met Mensen die dachten dat ze haar wel konden verslaan.
Zo vaak had ze die geschreeuwde aankondiging gehoord: “Er is maar één regel: twee gaan naar binnen, slechts één komt er levend uit!!!”
Zij was altijd die ene geweest, die Mensen waren echt geen partij voor een Jachtluipaard, te zwak, véél te langzaam, en meestal ook nog eens oerstom. Bijna al die grote, gespierde mannen die tegenover haar hadden gestaan, hadden gedacht dat ze dat magere beestmeisje gemakkelijk aankonden, tot zij één flitsende uitval deed en ze met opengereten keel of gebroken nek ter aarde stortten.
Ja, natuurlijk, in het begin was ze doodsbang geweest, wist ze niet wat er van haar verwacht werd, had ze zich alleen maar verdedigd. Toen ze begon te begrijpen wat haar rol was, was ze veranderd, hard geworden. Toen ze een aantal van die mannen in één klap gedood had, werd haar duidelijk gemaakt, of eigenlijk gewoonweg erin gemarteld, dat ze wat meer spektakel in haar optreden moest leggen, het moest langer duren zodat het publiek er meer van kon ‘genieten’. Langzamerhand had ze er de show van gemaakt die ze nu opvoerde: ontwijken, uitvallen, rondrennen, alles met een hoop gebrul en geblikker van tanden en klauwen, tot ze het zelf zat was en haar slachtoffer met een paar klappen verlamde om hem vervolgens de hals door te bijten. Het publiek vond het mooi, dus haar uitbater was tevreden. Zij walgde van het Mensenbloed in haar mond, maar liet daar nooit iets van blijken. Ze walgde er ook van dat ze deze domme Mensen moest doden zonder enige hoop daarmee ooit haar vrijheid te herwinnen, en was voortdurend op zoek naar die éne mogelijkheid om te ontsnappen, maar ook dat kon niemand meer aan haar zien.

’s Nachts, alleen in haar kooi, dacht ze terug aan haar jeugd in de Kau. Daar was het zo mooi en vredig geweest en de Kaun, van de Adelaars tot de Wolven, waren zulke mooie, elegante en vriendelijke wezens in vergelijking met die lelijke, lompe, agressieve Mensen. Vaak verfoeide ze zichzelf dat ze in haar jonge domheid iets gedaan had waardoor ze haar hele leven vernietigd had. Nu moest ze met de gevolgen leven... al vier jaar lang, of was het al langer?

Ze waren bij de vechtkooi aangekomen en Tinye werd de sluis ingeduwd. Toen de buitendeur dicht was, stak ze haar handen weer door een gat, werden de boeien van haar polsen en enkels gehaald en ging de binnendeur open. Zonder enthousiasme maar met een krachtige tred, zich afsluitend voor de fanatieke herrie van het publiek, liep ze de arena in om te kijken wat voor verliezer er nu weer tegenover haar zou staan. Ze schrok heftig. Aan de andere kant van de ring stond een Kaun! Een Poema, kort, breed, gespierd, een jonge man, vast niet veel ouder dan zij zelf was. Paniek schoot door haar heen: nog nooit had ze tegenover een andere Kaun gestaan, nog nooit was het zelfs maar in haar opgekomen dat dat ooit zou gebeuren. Ze wist niet of haar snelheid het zou kunnen opnemen tegen de overduidelijke kracht van deze Poema. Maar eigenlijk veel belangrijker was, dat ze helemaal niet met een andere Kaun wilde vechten. Haar hele wezen verzette zich tegen dat idee.
Ze liep langzaam, aarzelend, naar het midden van de ring, hij kwam langzaam in haar richting. Ze keek hem diep in de ogen en zag, wist, dat hij er precies zo over dacht. Besluiteloos draaiden ze een tijdje om elkaar heen, tot hun van buiten de kooi werd toegebruld dat, als ze niet zouden gaan vechten, ze allebei niet levend uit de kooi zouden komen.
De Poema deed een uitval met een klauw, nét naast haar. Ze ontweek de klap en zette een paar stappen naar achteren, maar het was haar duidelijk dat de aanval niet serieus bedoeld was. Ze had dus een medestander. Maar hoe kon ze daar gebruik van maken? Snel keek ze de kooi rond en toen naar boven. Natuurlijk, de kooi was open van boven! Een goede klimmer was ze niet dus ze had nooit geprobeerd tegen de spijlen op te klimmen; voor de Poema waren die gladde spijlen waarschijnlijk ook te hoog; maar er was een andere mogelijkheid... toch? Ze ving de blik van de Poema op, keek met een rukje van haar kin even omhoog. Dan rende ze op hem af, langs hem heen, sloeg met een klauw, zonder kracht te zetten, tegen zijn schouder en fluisterde “gooi me!”
De Poema deed alsof de klap pijn deed, trok zich terug aan de andere kant van de ring, en had daardoor tijd om de situatie in zich op te nemen. Hij knikte haar toe, bewoog zich tussen haar en de tribune waar hun ‘eigenaars’ zaten en zette zich in een agressieve houding, één en al spieren, klauwen en tanden. Tinye rende in volle vaart op hem af, hij bukte zich en hield zijn handen nét boven de grond. Zij sprong erop en met een verschrikkelijke brul rechtte hij zijn rug en wierp haar schuin achterwaarts de lucht in. Tinye had nauwelijks tijd om zich te oriënteren, maar ze kon de bovenkanten van twee spijlen vastpakken en met een zwieper van haar staart boog ze haar richting om naar beneden. Ze landde midden tussen de Mensen en sloeg onmiddellijk haar klauwen met alle kracht uit. Als een furie ging ze tekeer, de Mensen probeerden te vluchten maar even zo snel had ze ze weer te pakken. Ze doodde er een dozijn achter elkaar totdat een harde brul van de Poema haar bij zinnen bracht. Hij stond in de sluis van de vechtkooi, ze moest hem bevrijden. Ze sprintte naar de plaats waar ze wist dat de hefboom zat waarmee ze de deur kon openen. Daar aangekomen wist ze niet precies hoe het werkte en ze verspilde een paar tellen met uitzoeken wat ze moest doen. Net op het moment dat ze de hefboom wist over te halen, voelde ze een priemende pijn. Een Mens had een mes in haar rug gestoken. Gillend van pijn en woede draaide ze zich met gestrekte klauwen om en sloeg ze de eigenaar van het mes van zich af. Een tweede Mens kwam op haar af met een speer in zijn hand, ze probeerde die te ontwijken maar had daar geen ruimte voor. De Poema wurmde zich door de openende deur, greep de speer vast, vlak voor die Tinye raakte, en duwde de Mens met speer en al hard achteruit, zodat die achterover viel en het wapen losliet. De Poema stak het met enorme kracht, met het botte eind, in de buik van de volgende aanstormende Mens, terwijl Tinye haar weer overeind gekrabbelde eerste aanvaller met zijn eigen mes doodde.
Ze kwam overeind, maakte een kort keffend geluid om de aandacht van de Poema te trekken, en wees hem naar de open ruimte achter de inmiddels verlaten banken waar het publiek gezeten had. Hij knikte, sloeg nog een Mens van zich af, en ze zetten het op een rennen. Tinye was in een paar tellen het geëgaliseerde terrein af en draaide zich om. De Poema liep mank en was daardoor nauwelijks sneller dan de twee hem achtervolgende mensen. Tinye zag dat er een pijl uit zijn bovenbeen stak. Op topsnelheid rende ze terug, zo snel dat de Mensen geen kans hadden om op tijd tot stilstand te komen om zich te verdedigen. Twee harde klappen van haar klauwen waren genoeg om beide Mensen de nekken te breken.
Ze keek om zich heen, zag geen verdere aanvallers, draaide zich weer in de richting van de vluchtende Poema en rende achter hem aan. Ze was snel bij hem, maar kon niets doen om hem te helpen. Sterk genoeg om hem te dragen was ze niet, dus ze kon alleen maar in zijn buurt blijven en hem aanmoedigen om zo snel te lopen als hij kon.

Ze liepen op een groepje bomen en struiken af, in de hoop dat ze er konden schuilen. Daar aangekomen keek Tinye even achterom en zag twee sporen van bloeddruppels. Ze wees de Poema erop, die kreunde, even naar het bloedspoor op zijn been keek en wanhopig zijn armen spreidde. Tinye dacht even na, liep de struiken in en plukte enkele grote bladeren en wat flexibele twijgen van een klimplant. De Poema was inmiddels op een omgevallen boom gaan zitten en had de wond rondom de pijl iets opengemaakt. Hij legde zijn hand om de schacht van de pijl en keer haar met een donkere blik aan, zij gaf hem een bemoedigd knikje en bleef hem strak aankijken. Na enkele tellen had de Poema genoeg moed verzameld en met een ruk trok hij de pijl uit zijn been. Zijn gezicht vertrok van de pijn, maar er kwam geen geluid uit hem. Tinye gaf hem een klein glimlachje en een waarderende grom. Ze ging bij hem zitten, dekte de bloedende wond af met de bladeren en bond die stevig bij elkaar met de twijgen. Vervolgens verbond de Poema op dezelfde wijze haar rugwond. Tinye stond op en wees terug langs het bloedspoor. Met moeite kwam de Poema ook in de benen en samen liepen ze terug langs het spoor tot ze op een stukje rotsbodem kwamen. Hier sloegen ze af en liepen met een grote boog in de richting van een ander stuk kreupelhout. Daar aangeko-men stortten ze naast elkaar op de grond en bleven een hele tijd liggen, te moe en met te veel pijn om nog iets te doen.

Het begon al te schemeren toen de Poema overeind ging zitten en Tinye met een schok uit haar half-bewusteloosheid ontwaakte. Ze keek met nauwelijks gefocuste blik in zijn richting. Toen hij sprak, was dat met een onverwacht aangename, zachte stem, in het Kaur, een taal die ze al zo lang niet meer gehoord had dat ze er niet eens meer in dacht. “Misschien wordt het eens tijd dat we kennis maken? Ik heet Sior.”
Tinye moest zoeken naar de woorden. “Mijn naam is Tinye, aangenaam kennis te maken.” Toen moest ze een beetje lachen om zo’n formele kennismaking onder zulke vreemde omstandigheden. Sior lachte even mee maar werd dan weer ernstig, wilde duidelijk iets vragen maar aarzelde. Ze keek hem met een schuin hoofd aan. Hij stelde, bijna fluisterend, zijn vraag: “Hoe lang ben jij kooivechter geweest?”
Ze vertelde dat ze dacht dat het vier jaar was, maar misschien ook wel langer. Sior knikte met een droevig gezicht en zei dat hij vijf jaar van zijn leven verspild had in die hel, dat hij de tel was kwijtgeraakt van het aantal Mensen dat hij in die tijd nodeloos gedood had. Tinye kroop naar hem toe en tegen hem aan. Zoveel jaren van hun leven en zoveel levens weggegooid, en wat nu? Konden ze terugkeren naar de Kau? Ze wisten niet waar ze waren, hadden geen idee in welke richting ze zelfs maar moesten zoeken. Nee, dit was nog maar het begin, ze zouden nog heel wat moet overwinnen voor ze weer thuis waren en nog meer voor ze met hun herinneringen zouden kunnen leven.

---

Twee dagen later, in de avondschemering, waren ze vertrokken; waar ze heen gingen wisten ze ook niet, maar er waren te veel Mensen in de buurt van waar ze zaten, dus ze moesten wel naar een rustiger omgeving gaan. In de afgelopen dagen had Tinye in de schemering op kleinwild gejaagd terwijl Sior dicht bij hun schuilplaats bleef om vruchten en planten te verzamelen. Overdag hadden ze zich schuilgehouden, fluisterend gesproken over hun ervaringen in de Mensenwereld en soms over hun herinnering aan de Kau. ’s Nachts hadden ze zo goed mogelijk geprobeerd te slapen, maar het was voor allebei moeilijk om de slaap te vatten. En toch was Tinye op een bepaalde manier blij dat ze het zo moeilijk had. Ze was dus misschien niet zo gehard als zij zelf gedacht had, érgens waren die vermogens om te voelen toch bewaard gebleven en nu mochten die weer tevoorschijn komen.
Terwijl ze in het toenemende duister samen opliepen, hun koers gericht op de bergen in de verte, bekeek ze de jonge man naast haar. Bij hem werkte het ook zo, ook hij had zich door het gebeurde niet helemaal laten afstompen. Ze waren allebei wel volwassen geworden, misschien veel eerder dan zou moeten en zeker niet op de meest aangename manier, maar gelukkig waren ze, ondanks alles wat ze hadden moeten doen, niet verbitterd of kwaadaardig geworden. Sior richtte zijn blik op haar. Ze glimlachte, maar niet uitbundig. Hij glimlachte terug, gaf haar een knipoog. Ze wisten het allebei: het was nu nog te vroeg om meer voor elkaar te voelen, maar dat kwam nog wel.

---

Naarmate de dag vorderde, werden de bergen om hen heen hoger en de paden smaller. Ze hadden besloten ook overdag door te gaan en durfden nu vaker openlijk op de weg te lopen, niet bang dat er van om een hoek plotseling Mensen zouden opduiken.
In de verte zagen ze iets dat leek op een verlaten huis met wat schuren, misschien een oude boerderij, die helemaal alleen hoog in een dal lag, met uitzicht in alle richtingen. Ze sloegen een overgroeid pad in dat erheen leidde. Omzichtig naderden ze de woning, er konden toch nog Mensen in wonen. De geuren vertelden al snel het tegendeel, hier was al lang geen Mens meer geweest.

Het huis was zorgvuldig leeggehaald, dus de vorige bewoners waren naar elders verhuisd. Het dak vertoonde gaten, veel ramen waren kapot, de wind had binnen vrij spel, maar doordat het grootste stuk van het dak nog intact was, was een deel van het huis nog in bruikbare staat. In een kamer stond een lage houten constructie waar de bewoners waarschijnlijk op geslapen hadden. Het voelde niet erg betrouwbaar meer aan. Sior sloeg zijn klauwen in het hout en rukte in één beweging het hele ding uit elkaar. Met de massa vermolmde, gebroken planken boven zijn hoofd draaide hij zich grijnzend om naar Tinye. “Zo, verbouwing stap één klaar, eerst alle ouwe zooi eruit.”
Een plank raakte los en viel bovenop zijn hoofd. Tinye schoot in een onbedaarlijke lachbui die pas ophield toen Sior de hele bende, plank voor plank, door het kleine raampje naar buiten gegooid had.

In de grote schaapskooi, schuin naast het huis, bleken de binnenste van de opgestapelde balen stro nog niet door vocht aangetast. De twee spreidden enkele balen uit op de plaats waar het bed had gestaan. De avond was al ver gevorderd en de slaapplaats zag er zo opeens erg aantrekkelijk uit. Morgen zouden ze wel verder zien. Ze nestelden zich in het stro, Sior zuchtte diep, rolde zich tot een bal en sloeg zijn staart over zijn gezicht. Tinye keek nog een tijdje naar hem, haar gedachten veel verder in de toekomst dan ze zelf wilde. Wat als ze de weg naar de Kau niet terug zouden kunnen vinden, wat als ze hier hun leven zouden moeten opbouwen, alleen zij tweeën...

---

De volgende dag begonnen ze met een uitgebreide inspectie van het huis, de schuren en de landerijen eromheen. Alles was vervallen en versleten, maar veel zouden ze niet nodig hebben om hier een tijdje te kunnen blijven. Ze zouden dit huis als basis kunnen gebruiken, vanwaaruit ze konden gaan zoeken naar de weg terug naar de Kau. Hoe ze dat zouden moeten aanpakken, hadden ze nog geen idee van, maar ze zouden het proberen, blijven proberen, met alle energie die ze in zich hadden.

Enthousiast zetten ze zich aan het werk om het dak weer dicht te maken en de kapotte ramen af te dekken, het erf puinvrij en de waterput schoon te maken. Enthousiast zeker, maar Tinye merkte bij veel van de werkzaamheden dat Sior, hoe sterk hij ook mocht zijn, niet altijd even handig was. Diverse keren moest ze voorkomen dat hij zichzelf bezeerde door een onbezonnen actie, soms lukte dat ook niet, en stond Sior weer een pijnlijke plek te wrijven, terwijl Tinye moeite moest doen haar lachen in te houden. Uiteindelijk begon Sior de humor van zijn eigen onhandigheid ook wel in te zien, en konden ze samen hartelijk lachen om zijn capriolen.

Toen ze besloten dat de werkzaamheden van de dag erop zaten, gingen ze samen op het hek van de schaapskooi zitten om hun eerste resultaten te bewonderen. Als ze zo naast elkaar zaten, stak Tinye, met haar lange benen, niet zo ver boven Sior uit en kon ze haar hoofd op zijn schouder leggen. Hij sloeg zijn arm om haar schouder en krulde zijn lange staart om haar middel. Zij legde haar nog langere staart om zijn middel heen met het topje tegen de zijne aan. Zo zaten ze een tijdje met elkaars staartpunten te spelen, tot Tinye haar hoofd optilde en die knappe, sterke, wat onbeholpen maar oh zo lieve kerel naast haar eens diep in de ogen keek. Hij legde zijn hoofd naast het hare en ze wreven de zijkanten van hun snuiten liefdevol tegen elkaar.
Die nacht sliep Tinye heerlijk in Siors stevige armen.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.


Reacties:

Hmmm, weer heeft hij geen PDF voor dit verhaal aangemaakt...
wat best lastig kan zijn voor een lap van 10 pagina's...
Even wat knip-en-plakwerk om te zien waar het pijnpunt zit...
Okee, dan maar in twee delen... :-(

Geplaatst op: 2011-10-18 21:56:31 uur