Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Fantasy
Geplaatst:
5 oktober 2011, om 11:20 uur
Bekeken:
585 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
184 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Ajta"


 

De Kau was een mooi gebied van bossen, meren en moerassen, afgeschermd van de wereld van de Mensen door het Grensgebergte. Vanaf de kant van de Mensenwereld was het bijna onmogelijk om tot de Kau door te dringen, zodat er zich een heel andere wereld had kunnen ontwikkelen.

Hier hadden zich de diverse soorten Kaun gevestigd, die door de Mensen ‘weerwolven’ of ‘beestmensen’ genoemd werden; mens en dier gecombineerd tot prachtige wezens. In de Kau werden ze genoemd naar de dieren waar ze op leken: de Wolven, Vossen, Poema’s, Lynxen, Dassen en anderen die samen de groep van de ‘Vachten’ vormden; de Adelaars, Valken, Raven en andere gevleugelden van de groep ‘Veren’; en de Hagedissen, Gekko’s en overige kaalhuiden, die de groep ‘Huiden’ vormden.
Al deze groepen en soorten leefden vredig samen in de Kau, in de kleine dorpen die in het landschap verspreid lagen, levend, werkend en liefhebbend in het kalme tempo dat deze landen kenmerkte.
Maar toch waren er wel kleine onderlinge wrijvingen. De ‘Veren’ voelden zich vaak beter dan de anderen, omdat ze konden vliegen en dus overal konden gaan waar ze wilden en makkelijk grote afstanden konden afleggen. De sterkste vliegers, de Adelaars, voelden zich dan weer nét wat beter dan de andere gevleugelden, en sommigen lieten dat ook duidelijk blijken. Veel Wolven, sterk als ze waren, hadden het idee dat zij de besten waren, en niet die zwakke Adelaars. Dit alles wekte soms wel eens de ergernis van de andere groepen en soorten op, met soms kleine ruzies tot gevolg, en altijd bleef er toch een beetje afstand tussen de groepen, die slechts weinigen durfden te overbruggen.

Onder de kinderen en jongeren van de Kau speelden deze verschillen niet zo sterk, ze gingen samen naar school, ze speelden samen, sloten vriendschappen en trokken samen op om avonturen te beleven. Maar dat betekende niet dat de ongeschreven rangorde helemaal geen invloed op ze had, romantische relaties bleven toch meestal binnen de groep of zelfs binnen de soort, en afwijkingen daarvan werden door de ouderen vaak ontmoedigd. Maar dat lukte ze niet altijd...

---

“Ahiiiiiiiiiiaaaaa!!!”
De kreet klonk alarmerend. Yera en Farran herkenden onmiddellijk de roep van Lar, de Adelaar-jongen. Ze spitsten hun oren in de richting waaruit het geluid gekomen was, de richting waarin ze een half uur eerder Mensen hadden zien lopen. Yera voelde zich opeens erg dom. Ze waren expres met een groepje tieners de veiligheid van de Kau uitgegaan, op zoek naar avontuur. Ze wist ook wel dat de oudere Kaun bang was voor de Mensen die daarbuiten woonden, maar ze had zelf een paar jaar daarvoor heel andere ervaringen gehad toen ze per ongeluk buiten de Kau beland was, dus ze had geen bezwaar gemaakt toen de jongens in de groep voorgesteld hadden om over het Grensgebergte heen te gaan om naar de Mensenwereld te kijken. Nu snapte ze dat dat heel erg fout was geweest; haar avontuur van zes jaar geleden was toevallig goed afgelopen, ze was niet in de verkeerde handen gevallen, maar meestal verliep het anders, de Kaun werden wél opgejaagd, gevangen genomen of zelfs gedood door deze over het algemeen wrede soort, de Mens.

Nogmaals klonk een gedempt “Ahiii...”, pijnlijk, afgekapt. Yera’s hart raasde in haar keel, ze trok haar bovenlip op om haar hoektanden te tonen en gromde. Naast zich hoorde ze de diepe grom van Farran, ze keek naar hem, zijn grote hoektanden ook ontbloot en zijn handen tot klauwen gekromd, op en top Wolf. Hij keek haar aan, zijn gele ogen doordringend, woedend, beangstigend zoals ze hem nog nooit gezien had. Ze voelde zijn kracht over die afstand en een vlaag van bewondering voor haar vriendje ging door haar heen. Snel kwam ze weer bij zinnen, nu geen tijd voor verliefdheid, het werd tijd om te gaan kijken wat er met Lar gebeurde. Ze knikte Farran kort toe, die begon in de richting van het gehoorde geluid te rennen en de veel snellere Yera rende al gauw naast hem.

Farran rook het al van een afstand: Mensen. Hij liet een luide grauw horen die hij snel afbrak, ze zouden hem eens kunnen horen. Hij was woedend. Konden die Mensen de Kaun niet gewoon met rust laten?! Hij wist wel dat ongewapende Mensen geen partij waren voor een zestienjarige Wolf zoals hij of een veertienjarige Vos-met-een-beetje-Poema zoals Yera, maar als ze wél wapens hadden, dan waren ze gevaarlijk. Ze zouden dus voorzichtig moeten zijn, maar voorzichtigheid lag helemaal niet in zijn aard.

Yera en Farran kwamen bij een rotsrichel waarvandaan ze de omgeving goed zouden kunnen bekijken. Er stond al iemand naar het dal te kijken: Ajta, het Gekko-meisje, vriendin van Yera. Toen de twee naderden keek Ajta even om, met bezorgdheid en angst in haar grote ogen. Ze wees naar beneden het dal in, waar een paard-en-wagen met gevaarlijke snelheid over het pad ging. “Te laat, dat halen zelfs jullie niet meer in.”
“We moeten wel, we kunnen ze Lar toch niet zomaar laten meenemen? Er achteraan en ze doodmaken en Lar bevrijden”, schreeuwde Farran. Yera schudde haar hoofd: “Nee, dat lukt nooit, kijk hoe snel ze rijden, en ze zijn op hun hoede, ze wéten dat Lar daar niet alleen was en dat zijn geroep andere ‘Beestmensen’ heeft gewaarschuwd. We moeten ze wel achterna gaan, de sporen volgen en hopen dat we in hun buurt kunnen blijven. Als ze dan ergens stoppen kunnen we zien of we Lar stiekem kunnen bevrijden”. Farran was het niet erg eens met zo’n voorzichtige aanpak, maar toen Yera hem even met een schuin koppie had aangekeken, gaf hij toch maar toe. Hij was sterk, maar zijn meisje was slim, zij zou het wel beter weten. “Kom op, laten we rennen dan”.
Ajta maakte een verontwaardigd geluidje. “Maar ik kan lang zo hard niet rennen als jullie, dus jullie zullen wel een beetje geduld moeten hebben, hoor!”
Farran wilde uitvallen dat ze te langzaam was om mee te gaan, en daarmee uit, maar Yera was hem voor. “Ajta, ik snap dat je graag wilt helpen, maar met jou erbij kunnen we ze nooit inhalen, dus misschien is het beter als je niet meegaat”.
“Maar Lar is ook mijn vriend!” riep Ajta uit. Yera dacht hier even over na; ja, dat was ook zo, het zou oneerlijk zijn Ajta niet mee te laten gaan om een vriend te redden. Ze keek Farran aan en wees met haar handen over haar schouders naar haar rug. Hij gromde even, verbaasd en geërgerd. Ze keek hem nog wat strakker aan. Hij bezweek. “Okee dan, Ajta, klim maar op mijn rug, ik draag je wel”.
Ajta sloeg haar armen over Farrans schouders, kruiste haar benen over zijn buik, spreidde haar vingers en tenen zodat die heel breed werden, drukte ze in Farrans vacht en liet ze dan weer inkrimpen. Zo hing ze klemvast in Farrans dikke vacht, hij hoefde haar niet eens met zijn armen te ondersteunen. Ze sprongen van de richel af, het pad op, en renden zo hard ze konden in de richting van het dal.

---

Ajta voelde zich heel erg de mindere in het gezelschap van Yera en Farran. Ze had geen vervaarlijk gebit, geen klauwen, niet de enorme kracht van Farran of de snelheid en behendigheid van Yera. Wat kon zij nou helemaal? Ja, ze had speciale vingers en tenen waardoor ze tegen iedere muur, boom of rots kon opklimmen en zelfs aan een plafond kon gaan hangen, wat ze als kind ook vaak gedaan had: als ze boos was, aan het plafond gaan hangen en weigeren naar beneden te komen. Maar ja, wat zou ze dááraan hebben bij deze reddingsmissie? Ze zou eigenlijk alleen maar een extra last voor ze zijn. Misschien was ze toch beter achtergebleven? Daar was ze een beetje bang geweest dat er nog meer Mensen in de buurt zouden zijn die háár dan misschien zouden ontvoeren, en ze wilde dit spannende avontuur ook niet missen. En ja, ook al was Lar een Adelaar, en dus behoorlijk vol van zichzelf, hij was toch net zo hard haar vriend als de hunne. En ach, ze waren nu toch al onderweg, dus ze was erbij, of ze nu wilden of niet.

Onderaan het dal sloeg het spoor van de kar, de geur en de zichtbare wielsporen en hoefafdrukken, rechtsaf een weg op die van het Grensgebergte af leidde. De drie aarzelden even, zo ver van de Kau was zelfs Yera nooit geweest. Toch moesten ze door, Lar had hen nodig, dus gingen ze weer op weg, door de wegberm, voorzichtiger, stiller, maar daarmee ook langzamer.

Achter hen begonnen de toppen van het Grensgebergte langzaam over de horizon te verdwijnen en voor hen lag een schijnbaar eindeloze opeenvolging van rotspartijen, bossen en velden waar de weg doorheen bleef lopen. Het geurspoor bleef nu ongeveer even sterk, dus de kar reed nu waarschijnlijk langzamer, ze wisten dat ze niet verder achterop raakten.

---

De avond was al een aardig eind gevorderd toen Yera besloot dat het tijd werd om even te rusten en iets te eten te zoeken. Ajta liet zich van Farrans rug glijden en bood aan om eetbare planten te gaan zoeken. Yera zou wel wat gevogelte kunnen vangen en Farran zou op jacht gaan naar een haas of konijn. Alle drie konden ze goed in het donker zien, dus binnen de kortste keren hadden ze een lekker maaltje verzameld en zaten ze samen te eten.
Toen de maaltijd op was, werd het tijd om in het donker verder te gaan. Ajta vroeg of ze misschien een tijdje op de rug van Yera moest gaan, omdat Farran wel moe zou zijn van haar de halve dag dragen. Farran haalde zijn schouders op: “valt wel mee hoor, ik kan je nog wel een tijdje hebben”.

Door het donker van de nacht vervolgden ze snel hun reis. Ze wisten dat Mensen ’s nachts zo goed als blind waren, dus ze hoefden niet meer zo voorzichtig te zijn als overdag. Ze renden weer gewoon midden op de weg, hun neuzen gebruikend om het spoor te volgen. Op de paar kruisingen die ze tegenkwamen snuffelden ze even alle wegen af om zeker te zijn van hun richting, en ze keken goed of ze de sporen van de juiste kar tussen het toenemende aantal sporen konden onderscheiden. Pas toen de nieuwe ochtend zich aankondigde zochten ze de berm van de weg weer op en gingen ze voorzichtiger verder. Soms zagen ze Mensen van een afstand, soms moesten ze zich even verbergen voor een passant, maar al met al maakten ze goede voortgang.

Vroeg in de middag kwamen ze bij een groot huis dat vlak naast de weg stond. Voorzichtig slopen ze door het veld erachter. Van een afstand kon Farran de sterke geur van het paard van de gezochte wagen ruiken en ook de vage geur van een Adelaar: waarschijnlijk hadden Lars ontvoerders hier de nacht doorgebracht.
Toen ze weer op de weg kwamen, was de geur veel sterker dan voorheen, dus ze wisten dat ze nu veel dichterbij waren. Zo snel ze konden volgden ze het spoor, in de hoop dat ze Lar snel terug zouden zien.

---

Een vreemd geluid begon tot hun oren door te dringen, een laag, rommelend, onregelmatig geluid waar ze aan konden horen dat er een enorme kracht achter schuilde. Hoe verder ze over de weg kwamen, hoe sterker het geluid werd. Ook begonnen ze een vreemde geur te ruiken, en het voelde alsof de lucht zout begon te worden. Yera en Farran waren beide types die niet gauw ergens bang voor waren, maar de bezorgdheid over wat hen verderop wachtte was duidelijk in hun ogen te lezen. Ajta hield zich groot, maar was het liefst van Farrans rug gesprongen en zo hard ze kon teruggerend naar waar ze vandaan kwamen.
Toen ze bovenop een heuvel aankwamen zagen ze iets wat geen van drieën ooit had gezien: verderop strekte zich een onafzienbare grijze vlakte uit, waarvan ze dichterbij konden zien dat die uit water bestond. Het geluid kwam van de grens van land en water, waar grote golven water tegen de rotsen beukten. Even stonden ze met ongeloof naar dit tafereel te staren, tot Yera als eerste bij zinnen kwam. “We moeten hier niet midden op die weg blijven staan, kom op, laten we naar dat bosje gaan!”

In het bosje was het geluid wat minder en konden ze hun zintuigen een klein beetje rust geven. “Dit is de ‘zee’”, dacht Yera hardop, “daar hebben ze het op school wel eens over gehad”. Ajta knikte bevestigend, ja, dat kon zij zich ook herinneren. “Een enorme watervlakte, veel groter dan een meer, wel zo groot als de hele Kau, met zout water erin”. Dat verklaarde ook meteen de geur en het zoute gevoel van de lucht. Zo werd dat tripje “even avontuurlijk de Kau uit” toch wel een hele nieuwe wereld aan indrukken. Maar die gedachte dwong ze meteen ook weer terug naar de realiteit. Ja, het was een fantastisch schouwspel allemaal, maar ze waren niet hier om daarvan te genieten, ze moesten Lar redden.

Het bosje grensde aan een veld van lang gras, en vervolgens aan een groter bos. Zo konden ze de weg volgen zonder zich te laten zien, steeds dichter naar de kust. Toen hield het bos op en de weg liep door over een vlakte van rotsen, heide en hen totaal onbekende planten. Ze keken de weg langs om te zien waar die heen zou leiden.
Het was duidelijk waar het spoor zou eindigen. Even verderop, ongenaakbaar op een rots, slechts bereikbaar via een houten bruggetje, stond een toren zoals ze die nog nooit hadden gezien. Een grote ronde toren, glad gepleisterd en met een omhooglopende rij kleine raampjes. Helemaal bovenaan was een gesloten glazen omgang. Het leek een soort uitkijktoren te zijn. Yera herinnerde zich weer iets van school, dat Mensen langs de kust ‘vuurtorens’ hadden staan, waar ‘s nachts een vuur in werd ontstoken om de boten duidelijk te maken waar de kust precies was. Dit zou dus wel eens zo’n vuurtoren kunnen zijn.

Onderin de toren was een deur te zien. Van een afstand vonden ze al dat die er erg stevig uitzag, en waarschijnlijk wel bestand zou zijn tegen Yera’s scherpe klauwen en Farrans kracht. Een andere toegang leek er niet te zijn.
Ajta merkte op dat sommige van de rij raampjes open waren. Zij kon dus tegen de toren opklimmen en door zo’n raampje naar binnen gaan. Farran maakte bezwaar: “Maar als je binnen bent, dan kun jij je helemaal niet verdedigen als Mensen je zien, en straks moeten we zien hoe we jullie twee moeten bevrijden!”
Ajta werd boos. “Farran, ik ben niet dom of zo, dus ik kan best wel uitkijken, en zó zwak ben ik nou ook weer niet! En ik ben wél de enige die die toren in kan komen, jullie maken geen kans, dus ik doe het gewoon!”
Farran keek bedrukt. “Sorry, Ajta, ik bedoel niet dat jij dom bent of niets kan of zo, ik ben misschien een beetje té gewend dat ik altijd de sterkste ben en zo...”
“Ha!”, snoof Yera, “nou jochie, als het op rennen aankomt ben jij anders ook maar een slak vergeleken met mij!” Ze veegde haar staartpunt langs zijn neus en stak haar tong naar hem uit. Hij gromde gespeeld nijdig en grijnsde dan breed. “Hoe kan ik nou toch ooit verliefd op jou geworden zijn?”
“Hihi, omdat ik zo’n lief zacht poppetje ben?”, vroeg Yera met een dreigende stem, terwijl ze haar vlijmscherpe klauwen naast haar grijns vol scherpe tanden liet zien. Ze lachten alledrie hard om dat idee. De onderlinge sfeer was weer goed.
Maar toen beseften ze dat het tijd werd om aan het werk te gaan. “Goed, Ajta,” zei Farran, “jij bent inderdaad het meest geschikt om dit te doen”.

Gedrieën slopen ze richting de toren, op handen en voeten en zo laag mogelijk blijvend. Vooral Ajta stak daarbij nauwelijks boven het lange gras uit. Toen kwamen ze bij het moeilijkste stuk, het bruggetje. Het was onmogelijk die ongezien te passeren. Ze bespraken wat ze moesten doen. Farran zou grote takken of boomstammen aanslepen en die voor de deur opstapelen om deze te barricaderen. Yera zou daarna de touwen van het bruggetje zo bewerken dat die bijna in zou storten. Ajta zou er dan nog langs terug kunnen, en dan zou Yera hem helemaal in laten storten.
Om de ontdekking zo lang mogelijk uit te stellen, zouden Yera en Farran pas aan het werk gaan als Ajta de toren in was.

Ajta kroop langs de onderkant van het bruggetje naar de andere kant en sloop dan naar de muur van de toren. Voorzichtig zette ze haar hand tegen het onbekende materiaal. Het was een soort van pleisterkalk, maar toch anders. Ze spreidde haar vingers en haar hand zoog zich tegen de muur vast zoals dat ook met een gewone gepleisterde muur gebeurde, dus ze wist dat ze omhoog kon klimmen. Ze keek naar boven, het was een forse klim die ze te gaan had. Ze paste haar huidskleur zoveel mogelijk aan aan die van de muur, zette haar andere hand schuin boven de eerste, klemde die vast en trok zich op. Hand voor hand, voet voor voet klom ze langs de toren omhoog, richting het open raam. Daar aangekomen keek ze voorzichtig naar binnen. Er was een kamer te zien, een trap naar boven, een trap naar beneden en een deur. In de kamer zat, of eigenlijk hing, een Mens op een stoel. De geur van alcohol was overduidelijk. Ajta liet zich een klein stukje zakken zodat ze uit het zicht van de Mens was en liet zachtjes haar klakkende roep horen. Meteen werd die van binnen vandaan beantwoord met een gedempt klinkend “ahiiaa”. Lar zat dus waarschijnlijk achter die deur. Ze keek nog eens naar binnen, naar de witte muren, en wist dat ze nooit zo bleek zou kunnen worden dat ze onopvallend langs de muur kon kruipen. In plaats daarvan koos ze een felle huidtekening waarbij haar vlekken extra duidelijk werden, misschien dat dat juist voor meer verwarring zou zorgen. Ze kroop naar binnen, omhoog langs de muur naar het plafond. Steeds keek ze even naar de Mens op de stoel. Toen ze ergens halverwege de kamer was, leek hij haar op te merken. Hij keek intensief naar haar, maar leek niet te beseffen wat hij zag. Ze hoorde hem iets onverstaanbaars mompelen en hij schudde zijn hoofd en haalde zijn vlakke hand een paar keer langs zijn gezicht. Toen stond hij op. Ajta verstijfde van angst. De Mens liep onder haar door zonder zelfs maar naar haar te kijken en begon, zich met beide handen vasthoudend, wankelend de trap naar beneden af te gaan.
Ajta kroop zo snel ze kon naar de deur waar Lar achter zat. Ze klakte haar roep nog eens zachtjes en kreeg van vlak achter de deur antwoord. De sleutel zat in het slot, ze draaide die om en opende de deur. Lar stapte meteen naar buiten en lachte haar toe: “Hee, Ajta, hoe kom jij nou toch hier?”
Heel kort legde Ajta het uit en Lar knikte begrijpend. Ze liepen samen naar het raampje. Van benedenaf klonken Mensenstemmen en de angst sloeg de twee om het hart. Lar klom snel op de vensterbank. Hij vroeg aan Ajta of zij het zou redden om weer helemaal naar beneden te kruipen en Ajta bevestigde “ik zal wel moeten, hè”. Lar liet zich uit het raam vallen en ving zichzelf op met zijn vleugels. Hij verdween om de toren heen, terwijl Ajta naar buiten klauterde. Achter haar klonk een schreeuwende stem: ze was opgemerkt. Zo snel mogelijk begon ze naar beneden te klauteren, maar ze had alle houvast nodig die ze kon krijgen, dus echt snel ging gewoon niet. Boven haar stak iemand zijn hoofd uit het raampje en schreeuwde iets. Het hoofd verdween weer, Ajta klauterde ingespannen door. Het hoofd verscheen weer, maar nu ook een arm met een speer in de hand. De Mens maakte zich op om de speer naar haar te gooien, Ajta bleef afdalen zonder om te kijken, dus ze had niets door. Plotseling schoot er een brede bruine schim langs het raampje. Lar greep de speer vast, sloeg naar de Mens met zijn vleugel, en toen deze de speer losliet, vloog Lar ermee weg en liet hem verderop vallen. Hij cirkelde nog eens rond de toren om Ajta aan te moedigen om zo snel ze kon af te dalen.

Benedenaan was er inmiddels veel gebeurd. Farran had een stel forse boomtakken tegen de deur gestapeld zodat deze bijna niet meer open kon. Daarna had Yera met haar vliegensvlugge en vlijmscherpe klauwen de meeste touwen van het bruggetje gebroken, zo dat die Ajta nog zou houden maar meer ook niet.
Net op tijd allemaal, want terwijl Ajta nog niet beneden was, werd er hard op de deur gebonkt en probeerde duidelijk iemand door de barricade heen te dringen.
Het laatste eindje sprong Ajta naar beneden en ze rende over het bruggetje naar waar Farran stond te wachten. Die wees naar de bosrand achter hen: “Ga maar vooruit, wij halen je wel in”. Ajta rende zo hard haar korte benen haar konden dragen richting bosrand, terwijl achter haar Yera in hoog tempo de laatste twee touwen doorklauwde. Het bruggetje stortte in. Yera draaide zich om en rende met een grote grijns langs Farran naar de bosrand toe. Farran keek even met plezier haar grote pluimstaart na en zette het dan op een lopen, achter haar aan. Ajta had de bosrand inmiddels bereikt, Lar vloog rondjes boven het bos. Toen Farran de groep bereikte, landde ook Lar en kwam naast hen staan.

Vanuit de bosrand keken ze toe hoe de Mensen probeerden de deur van de toren open te krijgen. Na een paar minuten hadden ze de deur een klein stukje open en begon een hand te proberen de boomstammen weg te duwen. Farran grijnsde en grinnikte even: “Alsof ze dat zó voor elkaar gaan krijgen!”
“Niet snel”, antwoordde Yera, “maar het gaat ze een keertje lukken. Laten we daar maar niet op wachten. Kom op, terug naar de Kau.”
De anderen vonden dat een best plan. Ajta vroeg voorzichtig aan Farran of hij haar nog dragen wilde nu er niet zo veel haast meer bij was. Farran glimlachte en zei: “Tuurlijk, jij weegt toch helemaal niks?”
Ajta klom weer op Farrans rug, Lar steeg op en zo ging de groep weer op weg, terug naar huis.

Bovenaan een heuveltje scheerde Lar even vlak over hen heen en zei dat de Mensen de deur open hadden gekregen. Yera klauterde vlug een dode boom in om te kijken, en zag van bovenin dat de Mensen vertwijfeld naar de slap over de rand van de rots hangende restanten van het bruggetje stonden te kijken. Ze lachte kort. Het zou nog wel een tijdje duren voor ze dát probleem opgelost hadden. Ze racete de boom weer uit en voegde zich bij Farran en Ajta, die inmiddels gewoon doorgelopen waren. Ze had er alle vertrouwen in dat met dit team het avontuur goed zou aflopen.

---

Omdat het nachtzicht van Lar wat minder goed was dan dat van de andere drie, besloten ze om niet ’s nachts door te reizen. Lar vloog rond om een veilige plek voor de nacht te vinden. Toen hij iets goeds gevonden had, leidde hij de drie er naartoe. Zelf ging Lar op een rotsrichel hoog boven de rustplaats zitten. Hij keek naar beneden om te zien hoe de anderen mos en bladeren verzamelden om bedden van te maken. Toen Ajta naar boven keek wendde hij zijn blik af. Ajta bleef strak naar boven kijken, ving nog een korte blik van Lar op toen die nog eens naar beneden keek en meteen weer wegkeek. Ajta zette haar handen in haar zij en staarde peinzend naar boven. Er was iets met die jongen, meestal voelden de Adelaars zich nogal verheven boven de andere Kaun, maar hier leek iets heel anders aan de hand.
Ze zette haar handen tegen de rotswand, testte of haar vingertoppen zich aan deze ondergrond konden vasthechten. Dat was geen probleem, dus ze begon omhoog te klimmen, nagekeken door Yera, die het vreemde gedrag van Lar ook al had opgemerkt, maar te druk was met de organisatie in de groep te houden om er wat mee te kunnen doen. Ze zou dit best aan Ajta over kunnen laten, Lar zou haar toenadering zeker niet afwijzen na wat ze voor hem gedaan had.
Bovenaan de rotswand gekomen stak Ajta haar hoofd over de rand en zei zachtjes “Hoi?”
Lar schrok licht, maar mompelde dan een “hoi” terug. Ajta klom op de rotsrichel en ging naast hem zitten. “Hee joh, waarom kom je niet bij ons zitten, wat is er aan de hand?”
Hij aarzelde even, onzeker of hij het wel durfde te zeggen, maar voelde op één of andere manier aan dat hij het wel aan Ajta kon vertellen. Hij begon uit te leggen dat hij, als “trotse adelaar”, zich eigenlijk maar de minste van het stel voelde, want alles wat hij kon was vliegen, terwijl de anderen zo veel meer konden, dat hij zich zo dom had laten vangen, dat ze hem op een spectaculaire manier hadden bevrijd en hij eigenlijk niets nuttigs terug kon doen.
Toen hij klaar was, knikte Ajta begrijpend, en vertelde hem over haar eigen twijfels, dat zij zich ook zo nutteloos gevoeld had omdat ze alleen maar ballast voor Yera en Farran was geweest. Pas toen ze die toren beklom had ze gevoeld dat ze méér was dan dat, dat zij ook haar eigen unieke kwaliteiten had. Maar veel belangrijker vond ze, dat Farran haar gedurende de reis steeds meer als volwaardig lid van de groep was gaan accepteren, en dat ze daarom steeds minder aan zichzelf was gaan twijfelen.
Ajta herinnerde Lar eraan dat hij toch die speer uit de hand van die Mens gerukt had om haar te beschermen, en dat hij dit mooie plekje had gevonden, dingen die de anderen niet gekund hadden, dus dat hij net zo waardevol was voor de groep als iedereen.
Lar liet zich door die woorden enigszins opbeuren, maar vertelde dan hoe bang hij was geweest in de wagen en daarna in de toren, terwijl hij als Adelaar toch altijd te horen kreeg dat hij nergens bang voor hoefde te zijn. Met een lichte glimlach legde Ajta een arm om zijn schouder. “Hee, gek, hoe kun je nou niet bang zijn bij wat jou is overkomen!?”

Ze vertelde wat Yera haar toevertrouwd had over haar avontuur in de Mensenwereld, zes jaar geleden. In de klas had ze alleen op heldhaftige toon over haar avonturen verteld, typisch die altijd onverschrokken Yera, maar tegen Ajta had ze ook durven zeggen hoe bang ze toen vaak was geweest. Iedereen was dus wel eens bang, daar hoefde Lar zich toch niet voor te schamen? Hij schudde zachtjes zijn hoofd, begon langzaam te begrijpen dat hij in dit gezelschap zich niet groot hoefde te houden, ze hadden allemaal zo hun twijfels en zwakheden, zelfs Farran, al zou hij niet weten welke dat waren...
Hij grijnsde naar Ajta, sprak zijn gedachten uit: misschien moesten ze samen maar eens uit gaan zoeken waar Farrans zwakke punten zaten. Ajta legde gespeelde boosheid in haar blik en schudde haar vinger voor Lars gezicht heen en weer: foei, dat mocht je toch niet doen... maar stiekem, of eigenlijk helemaal niet zo stiekem, vond ze het toch wel een leuk plan. Samen zaten ze nog even te grinniken. Ajta zat nog steeds met haar arm om Lar heen en eigenlijk voelde dat best goed. Ze zag Lar nu toch heel anders en vond hem nu veel aardiger, liever dan eerst het geval was. Ze liet haar vingers even door de veren op Lars schouder spelen en Lar keek haar met een beetje afwezige blik aan en glimlachte naar haar. Poe, het leek wel of ze verliefd op hem aan het worden was, maar dat kon toch helemaal niet, mocht dat eigenlijk wel, een Veer en een Huid samen?
Lar doorbrak haar mijmeringen, hij keek over de rand naar beneden en stelde voor om terug te gaan naar Yera en Farran. Ajta stemde toe en boog zich voorover om over de rand te klimmen. Lar hield haar tegen: “Hee, dat kan ook sneller, hoor!”
Ajta keek hem vragend aan en Lar beduidde haar dat ze bij de rand moest gaan staan met haar rug naar hem toe. Toen ze dit gedaan had, sloot Lar zijn armen om haar lichaam en duwde haar lichtjes naar voren. Ajta slaakte een gilletje toen ze samen over de rand vielen. Dan hoorde ze een toenemend geruis boven zich en hun val werd vertraagd. Toen ze haar hoofd omdraaide zag ze Lars machtige vleugels in een lichte boog boven hen staan, ruisend in de wind van de val. Ze keer naar beneden, waar de grond snel, maar niet beangstigend snel, naderde. Het was duidelijk dat ze veel te zwaar was voor Lar om nog echt te kunnen vliegen, maar ze zweefden samen probleemloos naar beneden. Wow, wat een gevoel! Zowel het vliegen als Lars armen om haar heen voelden heerlijk. Ze nam dit alles diep in zich op, zo mooi.
Toen ze de grond naderden stak Ajta haar benen iets naar voren en zo landden ze netjes op vier voeten. Lar liet haar los en Ajta keerde zich naar hem om. Lar grijnsde naar haar en zei: “Zo, nu kun jij ook ‘vliegen’ op je avonturenlijst zetten”.
Ajta lachte breed naar hem, sloeg haar armen om zijn nek en drukte een stevige zoen op zijn wang. Toen ze hem weer losliet bloosde Lar hevig en wist zich even geen houding te geven. Ajta gaf hem een klein grijnsje en een grote knipoog, en liep dan naar Yera en Farran toe, die verbaasd naar het hele tafereel hadden staan kijken. Lar volgde haar een paar tellen later.

---

Het werd tijd om een slaapplekje uit te zoeken. Yera en Farran waren al lekker tegen elkaar aangekropen, een oranjebruine bol Yera gewikkeld in een zilvergrijze krul Farran. Lar was verderop op een mosbedje gaan liggen. Ajta twijfelde. Zou ze het aandurven om bij Lar te gaan liggen? Ze stond even heen en weer te kijken naar de anderen, keek dan lang richting Lar, en besloot dat het nu de beste tijd was om uit te proberen of hij het goed zou vinden als ze dichtbij hem wilde zijn. Ze liep op Lar af en ging stilletjes naast hem liggen. Lar opende zijn ogen en glimlachte naar haar. Hij bewoog zich iets dichter naar haar toe, spreidde een vleugel en legde die over haar heen. Ajta kon het bijna niet geloven, dat Lar dat zomaar deed. Voelde hij nu ook iets voor haar, was het een gebaar van vriendschap, of wilde hij haar alleen maar warmte geven? Lar had zijn ogen weer gesloten, dus ze kon het er niet in zien. Ze durfde het hem ook niet te vragen, nog niet in ieder geval. Stil lag ze onder die lieve, warme vleugel te kijken naar de eigenaar ervan die langzaam in slaap viel. Lang nadat hij al sliep, kon zij van opwinding en verwarring de slaap nog niet vatten. Pas veel later zakte ze zelf weg in een diepe slaap, dromend van lange vluchten veilig in Lars armen.

 

---

De volgende ochtend was Ajta als eerste wakker en hoe zeer ze ook onder die warme vleugel wilde blijven liggen, ze wilde ook opstaan om van de mooie ochtend te genieten. Voorzichtig tilde ze Lars vleugel van zich af. Lar bewoog een beetje in zijn slaap en trok zijn vleugel naar zich toe. Ajta keek hem even aan, boog zich over hem heen, gaf hem een voorzichtig kusje op zijn voorhoofd, en stond dan op, een klein glimlachje om haar mond. Neuriënd en heupwiegend ging ze op weg, maar eens bessen zoeken voor het ontbijt.

Toen ze vertrokken droeg Farran Ajta weer op zijn rug en Lar vloog in grote cirkels boven de groep. Het tempo lag veel lager dan op de heenweg, hun vliegende wachter kon al vanaf grote afstand zien of er iets aankwam waar ze zich voor moesten verbergen, dus de sfeer was nu veel losser en Farran praatte met Ajta over van alles en nog wat. Regelmatig kwam ook Yera naast hen lopen om mee te praten. En ja, soms klonk er zelfs van boven hen een stem, die steeds enthousiaster durfde meedoen in de gesprekken. Ajta keek soms even naar boven, naar het prachtige bruine silhouet boven haar. Het deed haar alleen maar extra twijfelen. Het kón toch gewoon niet, een Adelaar en een Gekko die samen iets hadden? Maar toch, het gevoel was er, dat kon ze niet ontkennen.

Tijdens de pauzes die ze hielden, kwam Lar steeds bij Ajta zitten. Ze vond het fijn dat hij dat deed, ook al wist ze nog steeds niet helemaal zeker of de gevoelens wederzijds waren of dat hij alleen maar haar gezelschap opzocht omdat hij niet tussen Yera en Farran wilde komen.
Na de avondmaaltijd gingen ze weer bij elkaar zitten. Lar was niet helemaal op zijn gemak, wilde iets zeggen wat hij niet durfde, wat zo vreemd was dat hij het nauwelijks serieus durfde te nemen, maar toch was het zo...
Ajta keek hem met haar mooie grote ogen aan en hij kon het niet langer inhouden. “Ajta, ik, eh, hoe denk jij erover als twee heel verschillende soorten met elkaar zouden gaan? Ik bedoel, nou ja, verliefd op elkaar zouden worden? Vind jij dat dat, nou ja, mag, kan, ik bedoel...”. Hij had een rooie kop gekregen en wist niet meer hoe hij verder moest gaan.
Met een langzaam toenemende glimlach had Ajta zijn verhaal zitten aanhoren. Ze boog zich opzij, gaf hem een zoentje op het puntje van zijn neus en zei: “Ja hoor, ik ben ook verliefd op jou, en of het nou mag of kan of niet of wat, ik wil daar graag met jou van genieten, zelfs al duurt dat maar tot we terug zijn in de Kau”.
Lar lachte opgelucht, gaf Ajta een kus op haar wang en sloeg een vleugel om haar schouder.
Van een stukje verderop klonk Yera’s stem: “Hèhè, eindelijk. Jullie hebben er nogal lang over gedaan om dat er uit te krijgen, zeg”, en ze giechelde luid. Lar en Ajta keken in de richting van de andere twee. Yera lag lekker tegen Farrans schouder, zijn arm losjes om haar heen. Ajta liet zich tegen Lars schouder aan zakken en Lar legde zijn arm om haar middel terwijl hij zijn vleugel helemaal om haar heen vouwde. Ajta giechelde: “ik win, mijn vriendje kan veel beter omarmvleugelen dan de jouwe”. Daar moesten ze alle vier hartelijk om lachen, blij dat ze de vrijheid durfden te hebben om hun eigen gevoel te volgen.

---

Het zonlicht had de dalbodem nog niet bereikt, dus Ajta was hoog aan een rotswand gaan hangen om lekker in de zon op te warmen. Ze hing rustig aan haar handen en voeten met haar rug tegen de rotswand, nergens aan denkend, gewoon maar wat van de zon te genieten. Opeens klonken er vleugelslagen in haar buurt. Net op tijd deed ze haar ogen open om Lar recht op zich af te zien komen. Hij spreidde zijn vleugels om af te remmen, raakte met zijn vleugelranden en voeten de rotswand terwijl hij zijn handen op haar schouders legde. Hij gaf haar een kusje op haar wang, zei vrolijk “goeiemorgen”, zette zich tegen de rotswand af en zeilde in een lange glijvlucht naar beneden, Ajta stomverbaasd achterlatend. Een paar tellen wist ze echt niet wat er nu eigenlijk gebeurd was. Toen kreeg ze haar gedachten weer bij elkaar en begon eerst te giechelen, dan hardop te lachen. Gierend van de lach hing ze aan de rotswand, toen Lar weer verscheen en, snel klapperend met zijn vleugels, stil in de lucht voor haar kwam hangen. “Gek! Dat doe je toch niet met je meisje!?” gilde Ajta tussen de lachstuipen door. Lar grijnsde breed. “Mja, je hing daar zo mooi te wezen, ik kon het echt even niet laten...”

Toen barstten ze allebei in lachen uit, en Lar had grote moeite om in de lucht op zijn plaats te blijven, terwijl Ajta moeite moest doen om haar grip op de rotswand vast te houden.

---

Ze waren weer het Grensgebergte over getrokken, via de paden die alleen de Kaun konden vinden. Even buiten de Kau waren ze een groepje Kaun tegengekomen die naar hen op zoek waren. Ze hadden uitgelegd wat er gebeurd was en een Valk was uitgevlogen om de andere groepen te gaan waarschuwen dat de zoektochten konden stoppen. Nu waren ze met die groep op weg terug naar hun geboortedorp Lajk.
De hele groep liep in een voor de langzaamsten goed haalbaar tempo, en Ajta en Lar liepen nu naast elkaar, hand in hand. De meeste leden van de groep waren nog jong en konden dit vreemde paar wel waarderen, zo nu en dan kregen ze bemoedigende gebaren en glimlachjes. Het versterkte hun band en hun wil om daar openlijk voor uit te komen.

Het pad maakte een bocht, en daarachter zagen ze hun dorp Lajk liggen. Ajta slaakte een kreetje van blijdschap en greep Lars hand steviger vast. Hij glimlachte naar haar en legde een vleugel op haar rug. Zij keek naar hem terug, het was duidelijk, ze zouden samen, hand in hand, gewoon als een verliefd stelletje, het dorp inlopen, ongeacht wat anderen daarvan zouden denken.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.