Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Drama
Geplaatst:
26 juni 2011, om 03:42 uur
Bekeken:
791 keer
Aantal reacties:
1
Aantal downloads:
165 [ download ]

Score: 2

(2 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Slaap"


Wimpers rusten lichtjes aaiend op de wang, de blauwige schaduw onder de ogen lijkt steeds groter en donkerder te worden. Voorzichtig krast mijn nagel over de huid die strakgespannen over de jukbeenderen zit. Zo mooi, en ik zal er maar zo kort van kunnen genieten.
Om te voorkomen dat de regen naar binnen waait doe ik het raam dicht. Net op tijd; enorme druppels slaan zichzelf stuk op het glas. Agressief.
Ik kijk toe hoe het watergeweld de wereld buiten in duizenden kleine spiegelende stukjes verdeelt. Achter me de vage aanwezigheid van een slapend mens.
Door het beregende glas zie ik een drijfnatte jongen richting beschutting rennen, zijn haren slierten in zijn ogen en het shirt wat hij aan heeft plakt tegen zijn bovenlijf. Ik zie hem richting het huis komen en dan onderin uit mijn zicht verdwijnen.
Een tintelende draad van paniek snijdt zich door mijn ziel. Als.. Als!
Beneden klopt iemand op de deur.
Ik draai me om, laat me met mijn rug tegen de muur naar beneden zakken en begin te huilen. Opendoen.. nooit.

“Nee, niet doen!” Stilte.

“Auw!” Mijn gegiechel verdween in de lakens. Ik likte mijn tanden en vingers schoon van Gunnars bloed.
Een kleine bijtwond stak fel af tegen zijn bleke huid, ik likte nog wat bloed weg.
“Je moet meer in de zon komen, broertje.”
Hij schudde zijn hoofd, een waas van wanhoop viel als een rolluik over zijn ogen.
“Ik wil het niet, ze kijken me aan, ik wéét dat ze denken dat ik gek ben.” Zachtjes jammeren, mijn armen deden poging hem te troosten, maar het zat te diep verstopt in zijn kronkelige geest.
Vroeger, als mensen het waagden hem recht in de ogen te kijken flipte hij, dan raakten de uiteinden van zijn zenuwen elkaar en begonnen ze zachtjes te knetteren van verkeerd geladen elektriciteit. Als hij ergens zat wiegde hij zijn bovenlijf langzaam heen en weer, starend in het niets, alle pijn opkroppend.
Hij was al twee jaar niet meer buiten geweest.
Ik veegde met mijn tong nog een klein beetje bloed weg van Gunnars rug en zette mijn duimen op de punten waar zijn spieren vast zaten. Drukken, een beetje draaien, langzaam gingen alle knopen eruit.
“Sis?” Oh verdomme, die angst. Ik voelde een kokendhete vloed van tranen uit mijn keel omhoog komen. Blijven ademen. Even stopte ik met verknoopte spieren masseren en duwde tegen mijn linkerborst, voelend of mijn hart het nog deed. Een zacht geklop vulde de dunne lijntjes op het topje van mijn vinger, de zorgen wegnemend. Doormasseren.
“Gunn?”
“Wil je me mee naar buiten nemen, vanavond?”
Hier had ik op gehoopt, voor gevreesd, nachtenlang onrustig over gedroomd. Het doorbreken van de gewoonte om iets te ondernemen. Ik wist dat hij dingen afkeek van mij en het na probeerde te doen, ook al kon hij het eigenlijk niet aan.
“Wat wil je buiten gaan doen? Ik kan je niet meenemen naar waar ik altijd naartoe ga.. Dat begrijp je toch?” Stilte. “Gunnar?”
“Sis, ik wil met je mee.”
Gedachten sprongen van het ene naar het andere punt, ik moest iets verzinnen om hem tegen te houden, hoe dan ook. Hij zou het niet aan kunnen.
Woorden, in het wilde weg.

“Ik neem je morgenavond mee, goed?” Uitstel, misschien was er iets..

Er wordt weer op de deur gebonkt, het dreunt door mijn hoofd heen, ook al heb ik mijn handen tegen mijn oren gedrukt om niets te horen. De jongen klopt aan bij mijn geest, en ik moet wel opendoen.
Mijn benen vouwen zich uit elkaar en mijn armen tillen me op van de grond, alsof ze los van mezelf staan. Met het gevoel van harde tegenwind loop ik de kamer uit, langs het bed. Streel.
Beneden klinkt nog steeds het geluid van vuisten die wanhopig op de deur slaan, wachtend om binnengelaten te worden.

“Ga weg, verdomd noodlot.”
Bonk.
Terwijl ik de trap afloop hoor ik buiten het onweer dichterbij komen. Het bonken op de deur wordt iets heftiger, alsof de jongen als de dood is om geraakt te worden door de bliksem.
Ik struikel en grijp probeer me met één vinger vast te grijpen aan een haakje dat in de donkere lambrisering aan de muur zit gedraaid. Het hout kraakt als mijn gewicht zich plotseling aan het haakje ophangt. Het splintert en ik val.
“Noo!” Mijn schreeuw galmt door de hoge gang, het bonken op de deur houdt op, luisterend.
Mijn been blijft haken, ik donder voorover met mijn hoofd tegen de lagere traptreden.
Splinters dringen zich hongerig in mijn voorhoofd en zenden een hete flits van pijn door mijn lijf.
Vingers gijpen kronkelend naar houvast, vinden dat niet. Mijn wenkbrauwbot slaat tegen de tegels van de grond. Ineens is het stil.
“Hallo?” De eerste stemklank van de onbekende. Een vlaag koude vochtige wind komt de gang binnen als de deur opengaat, en ik wil mijn hoofd oprichten.
Kleverige warmte loopt in mijn ogen, vingers vegen het voorzichtig weg en onbekende donkere ogen staren me aan, onderzoekend.

“Jezus meisje, dat kwam hard aan. Red je het wel?”
Ik buig mijn hoofd achterover om aan de zoekende vingers te ontkomen, maar alles draait warrige rondjes om me heen en de puntige vingers van de jongen grijpen zich nu vast in mijn schouder, toch welkome houvast biedend.
“Ben je bang dat ik je dromen kom verstoren?” Hij was het, hij. Vannacht, toen hij in een hoekje van mijn droom stond toe te kijken en me in de afgrond duwde.
“Ik sliep niet,” mompel ik stug. Nee, ik niet, maar Gunnar... “Wil je thee en droge kleren, je bent zeiknat.” Ik doe een poging om normaal over te komen, om maar niet uit mijn dromen geschopt te worden door verkeerde woorden.

“Ik wil wel thee,” zegt de jongen zachtjes, “maar zal ik het dan zelf zetten? Kan je wel staan denk je?” Ik doe een voorzichtige poging, maar de wereld vertoont kleuren die ik tot nu toe alleen nog in een slechte lsd-trip heb gezien. Vooral rood, veel rood. Ik had geen idee dat mijn wenkbrauw zo pijnlijk en veel kon bloeden. Het lijkt of elke druppel er met geweld uitgeperst wordt, en het zijn er zo veel..
“Mag ik je aanraken?” vraagt de jongen ineens, tussen al het kleuren- en pijngeweld door.
Ik adem diep in, wat is dit voor vraag?

“Waarom?” Schor gepiep, een verstikkende duizeligheid heeft me gevonden, spoelt langzaam over me heen.
“Omdat je niet kan staan, en -”
Hij heeft gelijk. Ik zak weer op de grond en mijn hoofd valt terug, op iets zachts.
Zachte golvende leegte.

Helder van de lichte paniek liep ik rondjes om het huis, mijn hersens worstelend om een oplossing te vinden in de brij van gedachten.
Als Gunnar naar buiten zou gaan, onder de mensen zou komen, zou dat zijn einde zijn.
Zijn hoofd zou uit elkaar barsten van de angst en de paniek veroorzaakt door het onvoorspelbare, mensen zouden hem vreemd vinden, uitschelden, hem net als de androgyne Klinefelter man uitkotsen, en voor het eerst zou de gedachte aan zelfmoord in hem opkomen.
Het was te voorspelbaar, te groot om te kunnen bevatten. Het was zijn dood, en ik zou het moeten voorkomen, al moest daarvoor het snijvlak van de zeis door mijn eigen nek snijden.
De zon verwarmde de muur van het huis toen ik er tegenaan leunde. Door het openstaande raam klonk onverstaanbaar Gunnars zachte stem, hij neuriede het nummer mee van Godspeed wat hij had opgezet. “Microphones in the trees... Cameras in the sky.. While they all are sleeping..”
Sleeping.
Ik schoot overeind. De ongelijke stenen van de muur porden in mijn rug, ik sloeg mijn armen om mijn knieën en verborg mijn hoofd ertussen, met ogen gesloten. Dit idee moest langzaam over me heen spoelen, golfje voor golfje, anders verdronk ik erin.
Ik liet het komen, langzaam, terwijl Gunnars zachte roestige stem door het raam fladderde.
Die nacht, toen hij sliep, huilde ik en krabde mijn huid open van zuivere gedestilleerde wanhoop.
Toen maakte ik de mix van slaappillen klaar die ik die middag in de nabijgelegen stad had gekocht.
Alle mensen die op straat hadden gelopen waren in zwart en wit, bij sommigen liepen de kleuren van hun huid en kleding door elkaar.
Ik besefte dat ik toen, door de beslissing te nemen die ik genomen had, me voorgoed had afgezonderd van hen. Ik had me geschaard bij de zieken van geest, de misdadigers.
Maar met het meeste geluk wat ik kon vinden zou alleen het huis te weten komen dat ik overgelopen was naar de andere kant.
Op het moment dat ik Gunnar voorzichtig wakker maakte en zei dat hij nog iets moest drinken wilde ik terug. Maar het kon niet meer, hij gaapte, opende toen zijn mond en slikte het spul in.
Zijn gezicht vertrok.

“Sis, het is bedorven.” Mijn trillende vingers gleden even over zijn wang.

“Nee, ik heb er wat echinaforce doorheen gedaan, zodat je niet verkouden wordt als we morgenavond buiten zijn.”
“Blijf je bij me zitten tot ik slaap?” Zijn ogen waren weer bijna dicht, ik aaide de donkere schaduwen eronder. Na een stille tijd werd zijn adem licht en onregelmatig, ik kuste hem op zijn mond en proefde het zure van de slaapmiddelen.
Verliet toen met een doorweekt gezicht de kamer, naar buiten. Het maanlicht probeerde om me schoon te spoelen, maar het rottingsproces was begonnen, onomkeerbaar.

Een kaneellucht vult mijn neus, op zoek naar een reactie. Er heeft zich nog een geur aan toegevoegd, iets roods en donkers. Bloed? Ja natuurlijk, mijn wenkblauw ligt open.
Ik doe mijn ogen open en probeer me te oriënteren. Onder mijn rug is de vloer, ik lig in een hoek met iets zachts onder mijn hoofd. De jongen is bij het verroeste aanrecht bezig thee te zetten, hij veegt met een knokige vinger zijn natte plakkende haar uit zijn ogen.
Het beeld van een totaal onbekende in de keuken met de oude tegelvloer is zo vreemd geruststellend dat ik glimlach en mijn ogen weer even dicht doe.
Gunnar.
Hij kan elk moment wakker worden, ik ben vanavond vergeten hem de pillen te geven. Het beeld van zijn broodmagere lijf wat zich van het bed verheft om mij te zoeken, zijn uitgeputte stem mijn naam roepend, grijpt mijn adem en gaat ermee vandoor.
“Waar denk je heen te gaan?” De jongen staat voor me, beter gezegd boven me. Zijn handen duwen me terug op de grond, dwingend. Ik slik en verzamel adem.

“Maar ik moet weg..”
“Misschien moet je wel, maar je kan niet. Wat moet je doen?”
“Mijn broer.” Ik stop met praten. De woorden zouden mijn contract voor de inrichting tekenen.
De jongen probeert me aan te kijken maar ik ontwijk zijn ogen en onderdruk de neiging om te huilen.
“Hoe heet je?” vraagt hij, terwijl hij weer opstaat om de thee te pakken.
“Sis.” Zijn blik. “Rare naam, ik weet het. Jij?”
“Noo.” Hij zegt het kort, afgebeten.

“Waarom mag ik je naam niet weten?” vraag ik, terwijl ik voorzichtig mijn benen uit de knoop haal en me tegen de muur ophijs, middelpunt om de paniekerig draaiende wereld.

“Ik heet Noo. Mijn ouders wilden me niet.” Hij duwt me zachtjes in een stoel aan de tafel en zet thee voor me neer. Ik raak voorzichtig mijn wenkbrauw aan. vanaf de snee loopt een gebarsten opgedroogde streep bloed over mijn gezicht naar beneden. Noo moet er een pleister overheen hebben gedaan, toen ik bewusteloos was.
Ineens valt er een stilte over het huis, het is opgehouden met regenen. Noo kijkt me onzeker aan. ik voel me volkomen hardvochtig als ik zeg dat het droog is.

“Nu kan je weer verder.”
Het gebeurt. Hij draait zich om, haar voor zijn ogen, en loopt de keuken uit.
De voordeur kraakt als afscheid en gaat dan dicht.

In de weken die volgden bleef Gunnar in een diepe comateuze slaap. Elke avond gaf ik hem vloeibaar voedsel en de mix van slaapmiddelen. Hij werd mager, zijn jukbeenderen staken scherp door zijn huid heen, soms was ik bang dat ik me zou snijden aan het scherpe bot.
Lege uren lang zat ik voor het raam om Gunnar door mijn eigen geest langzaam brokjes van de wereld te voeren. Hij merkte het, ongetwijfeld. Iedere keer als ik mijn dromen naar hem doorzond bewogen zijn ogen onder de dunne huid snel heen en weer en maakten zijn vingers kleine schokkerige bewegingen.
Op een broeierig hete avond zat ik bij zijn bed, starend naar het plafond te wachten op verkoeling. Steeds weer werd mijn blik getrokken naar het onrustig bewegen van zijn ogen. Ergens onder die slapende laag zat mijn broer, en hij wilde wakker worden.
“Gunn, het spijt me.” Te laat voor verontschuldigingen.

Wankelend sta ik bij het bed waar ik uren heb doorgebracht, huilend, doodstil wachtend op verandering die niet kwam, zachtjes bottige schouders strelend.
Het kussen in mijn hand is warm van Gunnar en het bloed wat weer uit de snee in mijn wenkbrauw komt. Het past precies over de vorm van zijn hoofd.
Nooit meer het risico lopen dat er mensen binnenkomen, geen angst, niets. Het moeras zal al mijn angst laten verdwijnen en het langzaam verteren tot gebleekte botten.
Ik druk nog even iets harder, en dan ben ik plotseling de enige in de kamer die ademt, leeft, een toekomst heeft. Het kussen schuif ik voorzichtig weer onder Gunnars hoofd, vannacht zal het moeras het kussen zijn wat zijn hele lichaam zal omgeven.
Een miniem geluidje bij de deur doet me mijn hoofd opheffen.
Noo staat in de opening, zilverwitte strepen geven de weg aan die zijn tranen hebben gelopen.
Hij knikt bijna onmerkbaar.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.


Reacties:

dank je!
niet té diep hoop ik? :)

groetjes

Geplaatst op: 2011-07-02 00:33:26 uur