Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Sciencefiction
Geplaatst:
5 maart 2011, om 11:33 uur
Bekeken:
991 keer
Aantal reacties:
1
Aantal downloads:
358 [ download ]

Score: 2

(2 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Regelrecht de hemel in (deel 7)"


Hay on Wye, hij is in Hay on Wye, languit in het gras bij de rivier. Zijn geboorteplaats, waar zijn moeder hoogzwanger een wandeling maakte toen haar tweede zoon zich aankondigde.

De lange grashalmen kriebelen tegen zijn blote rug, zon op zijn borst. Een torretje loopt over zijn wijsvinger, hij wil zijn hand optillen om het te bekijken, maar hij krijgt geen vinger van de grond.

Geen paniek, ik droom, denkt hij rustig. Laat het torretje lekker lopen en geniet van de intense rust in en om hem heen.

Het gaat goed met je, je wordt al bewuster.” klinkt de stem, plotseling en als nooit weggeweest.

Mitchell wordt kwaad, de woede brengt zijn lichaam in beweging en hij gaat zitten. Hij merkt dat hij naakt is.

“Waar waren jullie, je had beloofd om te helpen! Waar waren jullie net? Wat gebeurde er?”

Je moest iets leren voordat we je konden ondersteunen.”

“Wat dan?” De rivier stroomt rustig voorbij, een koele wind doet de boombladeren ritselen.

Zelfbeheersing. Rust. Dat gevoel wat je hier krijgt kan je ten alle tijden bewaren. Jouw woede is zo heftig dat het kan doden. Daar moest je je bewust van worden, begrijp je?”

Tot zijn eigen verbazing begrijpt hij het. Hoe gevaarlijk zijn kwaadheid is. Hoe het zich tegen hemzelf of anderen kan keren.

“Howards, wakker worden.” Iemand schudt aan zijn schouder.

 

“Wat?” Langzaam verscherpt zijn blik zich. Davitts staat over hem heen gebogen. Achter hem staan twee mannen in egale kakikleurige uniformen zonder enig teken van rang.

Automatisch salueert Mitchell. Van binnen lacht hij ze uit.

“Sergeant Howards?” vraag de langste. De aangesprokene knikt.

“Yes sir.”

“Wij willen je graag wat vragen stellen over het incident in de mess, enkele uren geleden.” De langste werpt een nonchalante blik op Davitts.

“Zou u zich willen verwijderen uit deze ruimte?” Davitts protesteert.

“Ik ben arts, er liggen hier mensen die toezicht nodig hebben.”

“Toch moet ik u verzoeken weg te gaan. We willen onder vier ogen met deze man spreken.” De langste legt een dreigende toon in zijn stem, maar de arts lijkt er niet van onder de indruk.

“Stuurt u mijn patiënt dan ook weg, als het werkelijk zo'n topgeheim is?”

Mitchell grijnst oneerbiedig. Daar heeft hij ze.

“Wij willen hem,” de langste knikt naar Martin Freeman, “ook wat vragen stellen. Hij kan hier blijven.” Nu is Davitts' geduld op.

“Die piloot ligt hier nu twee dagen, met lichte interne bloedingen en gebroken ribben, en zo lang zal hij hier minstens nog moeten blijven. In de tussentijd komt niemand bij hem in de buurt zonder dat ik er toezicht op heb.” Mitchell glimlacht. Het mag dan af en toe een lomperik zijn, hij geeft wel om zijn patiënten.

De ongewenste bezoekers kijken elkaar kort aan en knikken.

“U kunt blijven.” Davitts knikt kort en gaat demonstratief zitten, zonder zijn gasten een stoel aan te bieden. Buiten klinkt het geraas van opstijgende straaljagers, een nieuwe troep gaat de lucht in om bommen te droppen over de vijandelijke linie.

Als de herrie wat gezakt is kucht de kleinste van de twee.

“Sergeant Howards, kunt je ons precies vertellen wat er gebeurd is toen je je laatste vlucht maakte? We hebben een rapport, maar volgens ons is dat nog niet compleet. We hebben uit het rapport de exacte coördinaten van het verschijnsel wat je in de lucht hebt waargenomen, maar de details ontbreken. Vertel.”

Mitchell zucht. Hij zal voor gek versleten worden.

Vertel maar, het is goed. Ze kunnen je niets doen.” Gerustgesteld door het horen van de bekende zachte stem binnenin begint hij te vertellen.

De mannen luisteren naar zijn verhaal, wat duidelijk en gedetailleerd is, onderbreken hem met vragen; hoe klonken de stemmen, binnen of buiten zijn hoofd, was hij duizelig, kwaad, had hij stimulerende middelen gebruikt voor de vlucht... Mitchell wordt er moe en misselijk van.

De kleinste lijkt alles wat hij zegt te noteren. Dan weer een korte knik naar elkaar.

“Bedankt,” Ze staan beiden op. “Als we nog vragen hebben laten we het weten.” De lange wendt zich tot Davitts. “Ik wil nu graag met uw patiënt praten.”

De arts knikt, met een felle blik in zijn ogen. Als jullie ook maar iets flikken, lijkt dat te zeggen.

Martin opent zijn ogen zodra de twee mannen zijn bed naderen.

“Ik hou mijn mond.” is het eerste wat hij zegt. “Jullie weten alles al.” De lange zucht geïrriteerd.

“Mijnheer Freeman, wij verzoeken u om mee te werken. Het vraagt nauwelijks energie om antwoorden op onze vragen te geven, zelfs in uw toestand.”

“Bureaucraat.” Martin sluit zijn ogen weer. “Ik heb niets te zeggen.”

De mannen proberen het nog enkele keren en raken zichtbaar geërgerd, maar alles wat ze te horen krijgen zijn weigeringen.

“Laat iemand komen om hem vierentwintig uur per dag in de gaten te houden. Wisseldiensten.” De kleinste knikt bij het bevel en wil de tent verlaten, als de deur wordt opengesmeten en twee broeders een brancard binnendragen met daarop een bewusteloze piloot.

Mitchell krijgt een vreemd gevoel van herkenning bij het zien van het gezicht, niet dat hij de man niet herkent van de mess, maar het is anders, dieper...

Davitts is onmiddellijk opgesprongen.

“Hier.” Hij slaat met de vlakke hand op het veldbed naast hem, waar de broeders de man voorzichtig opleggen. “Wat is er met hem gebeurd?” De jongste broeder haalt hijgend zijn schouders op.

“Niemand weet het. Hij is bewusteloos uit zijn toestel gehaald.”

“Ze waren net weg,” zegt Mitchell plotseling. “Hij heeft zijn vlucht niet afgemaakt.” Iedereen kijkt hem een moment bevreemd aan. De jonge broeder knikt.

“Je hebt gelijk. Er was commotie in het commandocentrum, hoorde ik. Iemand had plotseling zijn toestel gedraaid en was omgekeerd.” Davitts onderzoekt intussen de man, meet zijn polsslag, bloeddruk, zoekt naar verwondingen, en hij schudt zijn hoofd.

“Hij heeft niets. Lijkt volslagen gezond, afgezien van een versneld hartritme, maar dat kan enkel te maken hebben met opwinding.”

Er valt een korte stilte in de barak.

“Niets?” De oudere broeder zucht van opluchting. “Godzijdank. Ronald Stevenson is een goede jongen, ik zou heb niet graag begraven.”

“Stevenson?” De langste ondervrager heeft zo'n scherpe toon in zijn stem dat het iedereen opvalt.

“Is daar iets mee?” Davitts kijkt op van de bewusteloze piloot, net op tijd om de twee een korte blik naar elkaar te zien werpen.

“Luitenant Stevenson is bij ons bekend. U hoort nog van ons, goedemiddag.” Het tweetal verlaat de barak.

“Arrogante lui,” zegt de jongste broeder schouderophalend. “En jij Howards, alles oké inmiddels? Je zag er niet goed uit vanmiddag.” Mitchell knikt, al voelt hij zich raar duizelig, alsof hij ergens boven zijn lichaam hangt.

Kort daarna vertrekken de broeders, op naar hun bed na een lange dienst.

“Zorg goed voor hem, Seamus.” De oudste lijkt oprecht bezorgd over zijn vriend. Davitts maakt een afwezig instemmend gebaar; hij is een tweede check aan het doen over de piloot.

“Ik snap er helemaal niks van,” mompelt hij uiteindelijk. “Alles lijkt normaal, zijn pupillen reageren goed, maar hij is niet... niet hier!” Gefrustreerd steekt hij het lampje weg. “Howards? Enig idee?”

“Rustig wachten.” Mitchell wrijft in zijn ogen, er ligt een waas over zijn zicht, er is iets wat hem maar niet los wil laten, maar hij kan er niet bij komen wat het nou is.

Loslaten. Hij heeft je nu nodig, hij moet terugkeren, help hem.”

Zonder erbij na te denken staat hij op en legt zijn rechterhand op de hartstreek van de man, de linker tegen zijn buik.

“Stevenson, tijd om terug te komen.” Hij wacht een moment en laat de warmte van zijn handen doordringen in het lichaam van de ander, terwijl de arts argwanend toekijkt.

De man opent langzaam zijn ogen.

“Waar zijn ze?” mompelt hij. Davitts springt op en houdt vier vingers voor zijn gezicht.

“Opletten. Hoeveel?” Gespannen blik.

“Vier.” Stevenson grinnikt. “Je ziet er raar uit, doc, ik wist niet dat je blauw haar had.” Zijn gezicht vertrekt, zijn ogen ineens vol tranen. “Verdomme, ik ben alleen... Waar zijn ze? Jij -” Hij komt plotseling overeind en grijpt Davitts hard bij de arm. “Je moet weg, weg hier, ze willen me niet, ze willen niet dat ik – ik moest daarheen, dat snap je toch?” Zijn blik wordt wazig, hij zakt langzaam terug op het bed. Davitts drukt het laatste beetje vloeistof uit de spuit in de arm van de piloot en legt het ding weg.

“Was ik ook zo?” Mitchell slikt iets weg, het is confronterend om te zien wat er na de eerste ontmoeting gebeurt.

“Erger.” De arts legt een deken over zijn nieuwe patiënt. “Veel erger. Ik heb niet vaak iemand zo in paniek gezien als jij toen je binnengebracht werd. Zag je de blauwe plekken op Robson's arm, die jonge broeder?” Hij ziet het gezicht van de jongen straktrekken. “Sorry Howards, maar het is gebeurd. Je kon er niets aan doen, gezien de staat waarin je verkeerde.”

“Ik ben niet gek.” Zijn nagels grijpen zich vast in de matras van het bed waar hij op zit. Opnieuw de woede.

“Dat weet ik, er is iets gebeurd.” De arts klinkt behoedzaam, alsof hij bang is dat Mitchell weer de controle over zichzelf verliest. “Ik geloof niet alles, dat moet ik eerlijk zeggen, maar is wel veel wat lijkt te... te kloppen.”

“Wacht maar tot Stevenson helder bijkomt en begint te vertellen.” Mitchell is al bijna bij de deur. “Dan moet je wel.” Hij werpt nog een korte blik op Martin, die alweer slaapt, en trekt de deur open.

Angst, withete angst schiet vanuit zijn voeten omhoog.

Bliksem. Het onweert achter de bergen, en het zal niet lang duren voor het over de toppen trekt en het kamp bereikt.

Maar dat is niet wat hem bang maakt. De donker wordende avondlucht is vervuld van beweging. Kleine bewegende deeltjes waarvan hij inmiddels weet dat het simpelweg de ether is, maar hoger, bijna tegen de laaghangende bewolking aan, vliegen draken.

Geen draken, dit gaat te ver, hij probeert zichzelf gerust te stellen om de angst te onderdrukken.

Je zit er niet zover naast,” Zoals altijd wordt hij rustiger bij het weten van de aanwezigheid van de wezens. “denk aan de Japanse en Chinese draken, die hebben dezelfde oorsprong. Het zijn de wezens die bij onweer horen. Veel mensen zien ze. De angst is iets waar je doorheen moet, het wordt vanzelf minder naarmate je het vaker meemaakt.”

Nu durft hij de deur los te laten en naar het onweer te kijken. De angst is weggetrokken, al heeft hij wel in de gaten dat de donderwezens heftige dingen zijn, vernietigend.

Achter hem in de barak schreeuw iemand iets. De piloot.

Mitchell bij zijn kaken op elkaar en loopt weg, terwijl de eerste dikke regendruppels in het droge stof vallen.

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.


Reacties:

het lichtje zal zeer binnenkort gaan branden, Henny. ze kunnen er niet meer omheen als er steeds meer komen, toch? :)
dank voor je bemoedigende reacties!!

Geplaatst op: 2011-03-11 00:08:04 uur