Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Overige
Geplaatst:
4 januari 2007, om 16:37 uur
Bekeken:
1177 keer
Aantal reacties:
2
Aantal downloads:
203 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Chez René en Victoire."


   
" Allez René, hebde gij da nog niet gehoord?"
" Wat dan, madam Christoffelen?"
" Awel, van dingens!"
" Van dingens?.... Welke dingens?"
" Van... euh... allez het ligt op het puntje van mijn tong..."
" Speekt het uit, madammeke, dan zal ‘k het puzzelen!"
" Och, gij zot! Geeft me liever een half pond vijgen en ne kilo patatten inplaats van een serieuze mens op stoopkes te trekken!"
........
" Nog iets, madam?"
" Is zien.... tweehonderdvijftig grammen...Ah! Ik weet het! Van't peerd van Jan de koetsier!"
" Da verkoop ik nie, madam. Daar moet ge bij de beenhouwer voor zijn!"
" Neeje, neeje! Ik bedoel hebt ge nog nie gehoord dat het ziek is?"
" Allez, 't is geen waar hé?"
" Toch wel, hij gaat er straks mee naar de veterinair ..."
" Amai, met dees weer?"
" Ge weet hé, de Jan en zijn beesten! Daar doet ‘m alles voor, hé!"
" Maar het sneeuwt gedurig-aan! En dan zo ver naar de stad!"
" Het is zijn broodwinning, hé"
" Dáár hebt ge gelijk in, madam! Moest het verder nog iets zijn?"
" Tweehondervijftig gram rozijnen, René...."
Welks verzoek René gezwind inwilligt en daarna stillekens in zijn eigen mompelend de rekening maakt.
" Hm..ne kilo patatten... een half pond vijgen..en...rozijnen????"
" Victoire!! ...... Victoire!!!"
" Ja??"
" Hoevel kosten de rozijnen ook weer?"
" Twee cent vijfenzeventig de kilo!"
" Hm..dan is dat vijfentwintig cent, naar beneden afgerond! Omdat gij zo ne goeie klant zijt, madam Christoffelen!"
" Allez, mercie. Dan ga ik maar gauw naar huis want mijne Jef wacht niet graag op zijn eten."
" Dag madam!"
 
" Wie was dat, René?" komt Victoire uit de keuken piepen.
" Da was madam Christoffelen, van Jef de schoenmaker."
" Ah, die! Waarom geeft gij die zomaar nen halve cent cadeau?"
" Da rekent gemakkelijker!"
" Ah ja? Of is het omdat het nog een oud lief van U is?" grommelt Victoire.
" Dat heeft er niks mee te maken, meiske!"
" Laat ons het hopen! Want als gij aan al uw ex-lieven korting gaat geven zijn we binnen een maand failliet!" kijft Victoire driftig met de grote houten lepel zwaaiend waarmee ze de appelconfituur voor aanbranden behoedt.
René haalt stilzwijgend de schouders op. Om deze tijd van de maand is zijn Victoire altijd wat moeilijk in de omgang en dus haast hij zich terug naar de winkel als het belletje van de voordeur een nieuwe klant aankondigt.
 
" Drei Koningen...♫♫..Drei Koningen...ô..geeft mij nen nieuwen hoed...."
" Ha, dag Fons!!!"
" Mijnen ouwe is versleten..♫ ons moeder mag het nie weten .. ô..."
" .... en den Tist!..."
" Ons vader heeft het geld!!! ♫♫....op de rooster geteld.. ô.... !!!!"
" ..en als da de Wies nie is onder al dien schoensmeer dan eet ik stante-pede mijn muts op!" lacht René terwijl hij de deur naar de keuken opentrekt en roept.
" Victoire! Victoire kom ‘s gauw!" waarop Victoire, handen aan haar schort afvegend, mopperend tevoorschijn komt.
" Ja, wat is't na weer?"
" De drie Koningen zijn op bezoek!" grinnikt René. Het is dan ook geen zicht zoals Fons de koster daar, met een oud deken om zijn schouders en een papieren kroon op zijn hoed, een zilveren ster aan het uiteinde van een bezemsteel door middel van een kletskoordeke laat ronddraaien. Zijn gezellen zijn al evenzeer het aankijken waard.
Tistje Hinkepoot, de bugelblazer die in de laatste oorlog een been verloren heeft en sindsdien zijn kostje door een geblutste trompet langs de straat bijeen blaast, heeft voor de gelegenheid zijn oude legerjas versierd met grote gouden sterren. Draagt net als de koster een papieren kroon rond zijn hooddeksel en heeft ter vervollediging van zijn toilet een paar afgedankte kerstboomslingers rond zijn krukken gedraaid.
De derde koning, in het echte leven beter bekend als Zotte Wies van de kolenboer, heeft zijn gezicht helemaal zwart gemaakt en sleurt een grote oude juten zak mee waarin de milde gaven van de dorpelingen terechtkomen. Dat hij nog zo zot niet is als hij er uit ziet blijkt uit het feit dat hij ook nog een oude stallantaarn meezeult. Want de drie zullen tot 's avonds laat langs 's heren wegen trekken op hun jaarlijkse bedeltocht voor het kaske van de armen.
Als zij even later min of meer tegelijkertijd een einde aan hun serenade maken neemt Fons de koster het woord.
" Hebde gijlie misschien nog iets voor d'armen, madam Victoire?" en Zotte Wies houdt al direct de juten zak wagenwijd open.
" Natuurlijk Fons!"
En tegen René: " Pakt eens ne peperkoek van 't schap!"
Er verdwijnt ook nog een pak koffie in de zak, gevolgd door een paar potten confituur die over zijn van vorig jaar. En alsof het nog niet genoeg is doet Victoire de geldschuif open en geeft de koster een bankbriefke van twintig frank.
" Hier Fons, steek dat weg en geef het straks aan meneer pastoor! Dat ‘m er maar iets goed mee doet!"
" Mercie madam! Mercie! Het zal niet mankeren, madam!" betuigt de koster zijn dankbaarheid. Buiten, terwijl Victoire en René in het deurgat staan, blaast Tist als toegift voor hun gulheid nog een haarzuiver en ingetogen ‘Stille Nacht' alvorens naar het volgende adres te strompelen.
 
" Awel, da was schoon,zie!" veegt Victoire met een punt van haar schort een traan weg.
" Dat mag ook wel, ge hebt verdorie onze verdienste van dezen dag in de koster zijn pollen gestopt!" knort René " .. en dan zaagt gij als ik een half centje aan een goede klant cadeau geef!"
" Dat is helemaal wat anders!"
" Ah ja? Het is pertang ook geld!"
" Maar dees is voor een goed doel!" valt Victoire vinnig uit.
Waarop René nog wel het één en ander zou willen zeggen maar de discussie naar een later tijdstip moet verdagen omdat de bel boven de winkeldeur andermaal van zich laat horen.
" Ha! De facteur! Slecht weer hé?"
" Tegen wie zegt ge't! Er hangt sneeuw in de lucht!"
" Dat gebeurt wel meer rond deze tijd van het jaar!"
" Voor mij moet dat niet, zulle. Mijn vingers staan stijf van de kou en mijn tenen zijn gevoelloos tot aan mijn knieën!"
" Ja, 't is erg hé, jong." stemt René luidop in, om dan stillekens voort te gaan.
" Psst.... Ambrosius komt eens langs hier, dat Victoire U niet kan zien!"
Ambrosius laat zich dat geen twee keer vragen. Hij weet wat er nu gaat komen.
" Voila!" fluistert René, samenzweerderig een koppel neutjes inschenkend.
" Santé!" gniffelt Ambrosius.
" Dat w'r nog veel mogen mogen!" toost René op zijn beurt zachtekens. Waarop beide complotteurs de tractatie zonder verdere plichtpleging steels achterover slaan.
" Hmm... dat doet deugd..." smakt Ambrosius nagenietend.
" Sttt!" sist René, geschrokken de fles met de ene hand onder de toog stoppend en de glaasjes met de andere wegritsend in een geroutineerd gebaar. Waarna hij op normale gesprekstoon verdergaat.
" Hebt gij iets voor ons, of komt ge U alleen maar wat warmen?"
" Aha..." lacht Ambrosius en duikt in zijn postzak om even later triomfantelijk met een envelop te zwaaien.
" Nen brief van uw broer uit de Congo!"
" 'T is geen waar hé?" fleurt René blij-verbaasd op.
" Toch wel, hier zie op de achterkant! Louis Suls, Congo Brazzaville!"
" Victoire!....Victoire!!! Nen brief van Louis!!" roept René glunderend naar achter. Zodat Victoire ondanks het feit dat zij de appelconfituur moeilijk in de steek kan laten toch nog tijd vindt om terug te roepen.
" Allez, laten we hopen dat het goed nieuws is!"
 
Als Ambrosius zijn hielen gelicht heeft gaat René met de brief naar de keuken. Haalt het broodmes uit de tafelschuif en snijdt de briefomslag zorgvuldig open terwijl Victoire haar brouwsel van de stoof pakt zodat het niet kan aanbranden.
" Awel, wat staat er in?" vraagt zij nieuwsgierig aan haar echtgenoot.
" Wacht efkens, wacht efkens! Laat mij eerst mijnen bril opzetten!"
" Zal ik hem voorlezen?" stelt Victoire voor.
" Neeje, het is mijn broer!" reageert René bezitterig.
" 'T is al goed! ‘T is al goed, zeveraar!" sust Victoire want zij kent haar halve trouwboek door en door en dus verbijt ze haar nieuwgierigheid tot hij uitroept.
" Louis komt naar huis!"
" Watte?" verschiet Victoire.
" Hier zie! Hier staat het! Zwart op wit!" wijst René met een dikke, van emotie bibberende, wijsvinger.
" Awel ja, ik zie het ook! En voor wanneer is het?"
" Momentje! Zw...zwzw.. den boot komt aan op de vierentwintigste!"
" Januari?"
" Januari? Maar nee, kind. December!"
" Ma...maa...maar...." Bazelt Victoire ontsteld.
" Wat is er nu weer? Is het niet goed dat mijn broer overkomt? Moest het uw moeder zijn die komt logeren, dan was het direct in orde!" begint René te sputteren over een oud zeer in hun huwelijk.
" Maar nee, jong! Begin nu niet te zagen!"
" Wat scheelt er dan?" vraagt René een beetje inbindend.
" De vierentwintigste december! Da's vandaag!"
" Och God, och Here! Zijt ge zeker?"
" Natuurlijk ben ‘k zeker! Wie vergist zich nu met kerstmis?"
" Ja... ja.. maar dan staat die sukkelaar straks ginder met pak en zak op mij te wachten!" panikeert René.
  In de ‘ Barmhartige Samaritaan' het café van Jozef Bulleman en zijn vrouw Marie veegt Jan de koetsier met een stuk brood de laatste restjes spek en eieren van zijn teljoor. Laat een ferme boer ten teken dat het gesmaakt heeft en verklaart.
" Alla, ik ben er mee weg."
" Ja Jan, goei reis, hé!" antwoordt Marie die glazen staat te spoelen.
" Da zal wel lukken!" belooft Jan al lachend en trekt de deur achter zich dicht.
Hij wil juist op de bok van zijn koets klauteren als daar René in zeven haasten komt aangelopen.
" Jan! Jan!!!"
" Ja? Wat is er?"
" Gaat gij naar de stad?" piept René, buiten adem van het danig rap zijn.
" Ja.."
" Kan ik mee?"
" Euh.... ik ga met ons Bles naar den veterinair!"
" Dan kunt ge wat extra verdienste goed gebruiken!"
" Da's waar!"
" Wat denkt ge van twee frank?"
" Maakt er drie van en ik marcheer!"
" Amai, gij vraagt er nog niet neven!"
" Ja, beestendoktoors zijn duur, hé!"
 
 Een uurke later en nog een kwartierke karren van hun bestemming klimt René naast Jan op de bok teneinde een luchtje te scheppen.
" Wat gaat ge in de stad doen?" opent Jan het gesprek.
" Mijn broer afhalen!"
" Uw broer?"
" Ja, hij komt vandaag aan uit de Congo!"
" Amai, dat is ook niet bij de deur!"
" Neeje, dat is helemaal in Afrika! Tussen de negers!"
" Ge moet maar goesting hebben!" geeft Jan als commentaar.
" Dat heb ik hem toen hij vertrok ook gezegd. Maar ja, onze Louis is altijd al een beetje een avonturier geweest. Al van in't school toen we les kregen over de kolonie droomde hij ervan daar naartoe te gaan!"
" 'T is ne rare!"
" Tegen wie zegt ge't! Maar ik ben toch blij hem nog eens terug te zien, zulle!"
" Da kan'k geloven! Hoelang is het geleden dat hij vertrokken is?"
" Heu... laat eens zien..." peinst René hardop.
" Ik was toen pas één jaar met Victoire getrouwd en dat is nu al zes jaar geleden!"
Jan rekent efkens rap mee.
" Vijf jaar!!!"
" Zoiets hé!"
" Da's lang, ge gaat hem amper terugkennen."
Een poosje later springt René, vlak voor de pier waar de Congoboot onder oorverdovend getoeter bezig is aan te meren, op de grond.
" Zeg Jan... gaat dat lang duren bij de veterinair?"
" Een uurke of daaromtrent peins'k ..."
" Kunt ge ons dan straks hier komen halen?"
" Joak!... Zelfde tarief?"
Die propositie moet René eens overwegen. Hij heeft nu geen haast meer om thuis te komen.
" Dan kan ik evengoed de trein nemen en dan zit ik nog warm op de koop toe!"
" Maar dan wordt ge niet voor de deur afgezet!"
" Neeje, da's waar." geeft René toe.
" En uw broer zal wel nen hoop valiezen bij hebben!" argumenteert Jan verder.
" Allé, 't is goed! Tot binnen een uurke of zo dan!" geeft René toe, met in het achterhoofd de gedachte dat als hij Jan het komende jaar een centje hier en een souke daar teveel rekent de dure rit er gemakkelijk uitkomt.
 
Het is een drukte van jewelste op de kade van de CMB-line, de rederij die de verbinding met de kolonieën verzekert. Van alle kanten wordt er door de thuisblijvers getrokken en geduwd om toch maar een betere standplaats te bekomen en zo mogelijk een glimp van de aankomenden op te vangen. Zowel vanop het schip als vanop het vasteland zwaait alleman naar iedereen en meent elkeen zijn dierbaren aan de reling te zien staan. Ook René wuift tot zijn arm er bijna afvalt naar een figuur waarin hij Louis denkt te herkennen.
Als de enorme oceaanstomer eindelijk, met behulp van polsdikke kabels veilig tegen de kade gemeerd is wordt de loopbrug neergelaten en komen de eerste passagiers aan wal. Het is maar goed dat de gendarmerie in grote getale haar opwachting heeft gemaakt, zodat het opdringende volk, hier en daar met een zachte tik van de matrak, in toom gehouden kan worden en er, buiten een paar blauwe tenen of een gekneusde rib, geen ongelukken te betreuren vallen.
Als de passagiers, ten langen leste, één voor één in de douaneloods verdwijnen bedaart de opgewonden meute en slaagt René erin zich uit het gewoel los te maken om zo goed en zo kwaad als het gaat de kreuken uit zijn zondagse frak te strijken. De bolhoed die hij uit voorzorg tussen zijn jas geborgen had terug uit te deuken en zijn door menige voet vertrapte schoenen met een zakdoek te fatsoeneren.
Daar is hij nog maar amper mee klaar als er, wanneer de eerste schepelingen het douanegebouw verlaten, opnieuw commotie ontstaat.
Deze keer is René slimmer. Hij klimt, ondanks de eerste neerdwarrelende sneeuwvlokken, op een lege natiewagen en heeft alzo een prachtig overzicht op het gebeuren. Lang moet hij niet wachten vooraleer hij Louis, nadat hij met een snoeksprong op de begane grond is geland, aan zijn borst kan drukken.
" Louis!!!"
" René!!!"
" Wat ben'k blij da'k U terugzie!"
" Ik ook, René! Ik ook!" praten beide broers ontroerd tot in de toppekens van hun tenen door elkaar.
" Is Victoire er niet bij?" vraagt Louis als de eerste emoties wat gekalmeerd zijn.
" Neeje, we konden zo gauw niemand vinden om de winkel open te houden!"
" Hoezo?"
" Wij hebben uw brief pas deze morgen gekregen!" verklaart René.
" En ik heb hem verleden maand op de post gedaan! Ik zie het al, er is hier in dees landeke nog niks veranderd!"
" Allez kom, waar staan uw valiezen? Ik heb Jan de koetsier gevraagd ons een beetje verder op te pikken."
" Heu, René... is dat een grote koets?"
" Ik kan't geloven! Daar kan gemakkelijk vier man in!"
" Da's goed! Ik ben namelijk niet alleen!" legt Louis uit terwijl hij René meetroont naar zijn bagage.
" Ah???..."
" Mag ik je voorstellen aan..." gaat Louis voort " ... Amalia, mijn teerbeminde echtgenote?" en in het Frans..." Ceci, ma chère, c'est mon frère René!"
" Enchantez, m'sieu!" zegt de stevig tegen de kou ingepakte dame beleefd glimlachend terwijl zij haar ebbenhoutdonkere hand in René's knuist legt.
 
" En dokter?" vraagt Jan ongerust als de geleerde man eindelijk zijn onderzoek staakt.
" Is't erg?"
" Voor het beest niet, neen!" antwoordt de medicus terwijl hij zijn handen wast.
" Oef! Dat is een pak van mijn hart!"
" Maar voor U zal het wel een slag zijn!"
" Ha ja??" doet Jan.
" Uw Bles zal binnenkort geen kar meer kunnen trekken!"
" Allez! En ge zegt juist dat ze niets mankeert! Verschoning da'k het zeg, maar daar is mijn koetsiersverstand te klein voor!"
" Het is pertang simpel, Jan!" begint de dierenarts  met een flauw lachje om de mond uit te leggen. " Uw Bles... verkeert in een gezegende toestand!"
" Watte??? Hoe heeft ze dat klaargespeeld?"
" Ja, dat moet ge niet aan mij vragen! Ik kan alleen zeggen dat het zo is!" lacht de dokter nu voluit tewijl de onthutste Jan van alteratie efkens moet gaan zitten.
 
Het is al stevig aan het sneeuwen als Jan eindelijk de koets voorrijd.
" Amai Jan, bij U duurt een uur lang zulle!" reklameert René als zij samen de bagage van Louis in het rek bovenop stouwen.
" Ik moest efkens wachten..."
" Dringend weggeroepen zeker? Ik ken dat! 't Gebeurt mij ook altijd als ik naar de dokter ga!"
" Neeje, tot ‘k terug wa bekomen was!"
" Toch geen slecht nieuws hoop ik?"
" Ja en nee... Nee en ja...allez 't is zoals ge 't beziet!" begint Jan uit te leggen. " Ziet ge, ons Bles is zwanger!"
" Als dat alles is!" lacht René.
" Alleen mag ze dan binnenkort nie meer voor de kar!"
" Ahja...en dan hebt gij een paard tekort!"
" Zo is't!" beaamt Jan terwijl hij de leidsels vastpakt en Bles aanzet om te vertrekken.
 
" Ca va prendre encore longtemps, mon amour?" vraagt Amalia aan Louis die naar de sneeuwjacht om hen heen staart.
" Wat zegt ze?" vraagt René wiens kennis van de Franse taal beperkt is tot ‘Oui me'sjeu' en ‘Non madame'.
" Of de reis nog lang gaat duren."
" We zijn ongeveer iets over halverwege schat ik." antwoordt René. " Nogal moeilijk te zeggen met zo'n weer!"
" Encore une petite demi-heure!" vertaalt Louis met een geruststellend gebaar naar zijn eega.
" Bon! Je serai bien content d'arriver!" lacht zijn vrouwtje met een ongemakkelijke grimas.
" Is er iets, Louis?" vraagt René een beetje verontrust door de expressie op Amalia's gelaat.
" Niks ergs! Wat pijn in de rug van al dat hotsen en botsen in deze kar!"
" Ja, dat is hier in ons landeke onvermijdelijk hé!"
" Als we maar zonder ongelukken thuis geraken!" wijst Louis naar buiten waar de sneeuwbui is ontaard in een regelrechte storm en het zicht tot nul gereduceerd.
" Daar moet ge niet bang voor zijn. De Jan kent deze weg als zijn eigen broekzak!" verzekert René.
Het is alsof de duivel er mee gemoeid is want juist op dit ogenblik slipt de koets met één wiel van de weg en de dissel, ondanks het gevloek van Jan en het wanhopige getrappel van Bles, door de extra belasting met een knal versplintert zodat Bles als een pijl uit een boog wegschiet en de karos, bevrijdt van het tegengewicht, onvermijdelijk van de berm kantelt. De inzittenden als dobbelstenen in een beker onzacht door elkaar hutselend en Jan de koetsier met een fraaie boog een eind verder in het veld tegen moeder aarde kwakkend.
Eventjes is het stil. Zelfs de storm lijkt te bedaren, maar dan klinkt uit het verhakkelde voertuig.
" Au secours! Au secours!!!" waardoor René, wiens rechteroor zich vlakbij de mond van zijn broers echtgenote bevindt, terug in het land der levenden wordt geblazen.
" René!!! Louis!!!... Madam!!!" Jan klimt, ondanks dat zijn lijf aanvoelt alsof er geen bot heel meer is, bezorgd op de zijkant van de koets.
" Hier Jan!" roept René.
" Help mij eens!" voegt hij er aan toe terwijl hij de nog steeds, nu in haar eigen taal, jammerende Amalia rechttrekt. Het is niet makkelijk, maar uiteindelijk slagen Jan en René erin om de arme vrouw uit de wrakstukken te hijsen en, min of meer comfortabel, tegen een boom te parkeren.
" Wa zegt ze?" vraagt Jan fronsend.
" Ik weet nie! Ik versta geen Frans!" antwoordt René vertwijfeld. Want hij merkt wel dat de arme Amalia kronkelt van de pijn. Er blijft hem niets anders over dan haar hand te strelen en sussende geluidjes te maken.
Onderwijl is Jan de koetsier terug naar de karos gestrompeld.
" Louis! Hei Louis!! Wordt eens wakker jong! Uw vrouw heeft U nodig!!" schreeuwt hij, met het zitvlak in de hoogte, in de deur van het wrak balancerend. Hard genoeg om Louis uit zijn versuffing te halen zodat deze eventjes later met bange voorgevoelens op zijn eega afstormt.
" Qu'est-ce que c'est? Qu'est ce qu' il-y-a?"
" C'est le moment! Je le sens!!!!" kreunt Amalia met een van pijn verwrongen gelaat.
" Wa zegt ze? Wa zegt ze?" vraagt Jan.
" Is't erg?" doet René ongerust een duit in het zakje.
Louis bijt van ambetantigheid op zijn onderlip.
" We moeten zo rap mogelijk onder dak!" zegt hij.
" Amai, da zal nie meevallen!" geeft Jan te kennen. " Er is hier een kwartier in de rondte geen enkel huis!"
" Watte?" schrikt Louis.
" Alleen een schaapstal hier verderop!"
" Dan wordt het die schaapstal!" beslist Louis.
" Maar waarom is het zo dringend om onderdak te geraken?" weet René er eindelijk tussen krijgen.
" Omdat..... Amalia een kindje gaat krijgen!"
 
" Komaan mannen! Nog efkens doorbijten!" moedigt Jan beide anderen aan die met veel moeite en zorg Amalia tussen hen in dragen.
" Daar!!! Daar is't!" roept even later Jan, die een beetje vooruit gegaan is, opgetogen uit.
Tegen dat René en Louis met Amalia in het deurgat verschijnen heeft Jan al armenvol stro in een oude beddenbak gekieperd met daarover een paardendeken, wijselijk uit de koets meegenomen.
" Voorzichtig! Voorzichtig! Ja! Zo!!" commandeert Louis als zij Amalia, die juist weer een wee te verduren krijgt, op het bed laten zakken.
" Wat nu?" vraagt René.
" We moeten warm water hebben!" zegt Louis die als vanzelf de leiding in handen neemt.
" Hier ligt nog ne pot!" meldt Jan die met de petrollamp in de hand de rest van het gebouwtje verkent.
" En hier brandhout!" voegt hij er een paar seconden later aan toe.
" Goed! René haal zoveel mogelijk sneeuw binnen!" beveelt Louis die niet van zijn echtgenote wil wijken.
" Ca commence! Mon dieu, ça commence!!!" gilt Amalia.
" Euh... wil da zeggen dat?...." vraagt Jan ongerust!
" Ja! Het kindje gaat afkomen!" bevestigt Louis paniekerig.
" Heu... weet gij... hoe het nu verder moet?"
" Nee, geen flauw idee!" bekent Louis verslagen. Ondertussen krijst Amalia zowat heel de geburen bijeen en is René bezig met het vuurtje tot meer spoed aan te zetten.
" Ik... euh...ik heb dat al wel eens meegemaakt...." Stottert Jan gegeneerd.
" Watte? Hebt gij al eens een bevalling gedaan?" roept Louis verheugd.
" Ja, allez het is te zeggen..... bij een paard!"
" Bij een paard?"
" Ja!"
" Beter dan niks natuurlijk!" berust Louis en Jan gaat naar de pot met warm water om daar zijn handen zo goed en zo kwaad mogelijk te wassen terwijl Louis Amalia van de in de weg zittende kledingstukken ontdoet.
 
" Zeg koster! Hoort gij dat ook?"
" Watte?"
" Awel, ik hoor precies een varken villen!"
" Da kan niet, Wies. Daar is het den tijd niet voor!"
" Het zal wel het fluiten van de wind zijn!" besluit Tist Hinkepoot voorzichtig door de opgehoopte sneeuw in de richting van het dorp op zijn krukken balancerend nadat zij bij boer Coene de sneeuwstorm uitgezeten hebben.
............
" Hoort! Zeg ik!" begint Wies opnieuw.
" Wat is het nu weer!"
" Ik hoor een kind schreeuwen!" zegt Wies.
" Amai Wies, da was ne kwaden dronk voor U daar bij boer Coene, zulle!" lacht Tist.
" Wacht eens efkens!" komt Fons tussenbeide.
" Ik hoor precies ook iets!"
" Zeg mannen! Niet te lang treuzelen hé! Seffens begint de nachtmis en ge kent de pastoor als we te laat zijn hé!" dringt Tist Hinkepoot aan terwijl hij behoedzaam verderstrompelt.
" Ik zou toch eens willen gaan kijken!" beslist Fons.
" Het komt van ginder!" wijst Wies die het scherpste gehoor heeft en omdat hij de enige lantaarn bij zich heeft zijn de anderen wel gedwongen hem in de pikdonkere nacht te volgen.
 
" Oef!!!" zucht Jan het eerlijke zweet van zijn aanschijn vegend terwijl hij het blèrende kleintje in de armen van de uitgeputte maar tevreden grijnzende moeder duwt.
" Proficiat, Louis! Het is een ferme jongen!" lacht René nu de penibele en zenuwslopende geboorte achter de rug is. Louis zelf zit verwezen naar het kleine wonder der natuur te staren.
" Tu est content, mon marie?" vraagt Amalia trots haar eerstgeborene ophoudend.
" Content? Content? Je suis l'homme le plus heureux sur terre!" jubelt Louis die eindelijk uit zijn verdoving ontwaakt. Hij wil juist een vreugdedansje rond het vuurtje placeren als de deur van de stal openzwaait en daar zowaar, terwijl een  verre kerkklok zijn middernachtelijke slagen inzet, drie koningen binnentreden.
 


Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.


Reacties:

cliffhanger
(niet registreerd)
Geweldig...jullie taal is zo leuk

Geplaatst op: 2007-01-12 14:04:25 uur


(niet registreerd)
Mooi geschreven, leuk verhaal!

Geplaatst op: 2007-01-05 10:40:45 uur