"Meneer Beer en kornuiten kwartetten"
|
|
Meneer Beer liep een keer over straat. Hij was op weg
naar de garage van meneer Octopus. Bij de garage van meneer Octopus
hadden meneer Beer, meneer Das, meneer Spin en meneer Octopus
afgesproken op een potje te gaan kwartetten in het kantoortje van
meneer Octopus. Zo hadden ze immers geen last van vervelende mevrouwen
of andere pottenkijkers. Onderweg naar de garage van meneer Octopus
kwam meneer Beer meneer Das tegen.
"Goedenavond, meneer Beer." groette meneer Das.
"Goedenavond, meneer Das." groette meneer Beer terug.
"Heeft u het al gehoord, meneer Beer?" vroeg meneer Das aan meneer Beer. Meneer Beer keek verbaasd naar meneer Das.
"Heb ik wat al gehoord, meneer Das?" vroeg een nieuwsgierige meneer Beer.
"Meneer Spin heeft zijn been verbrijzeld!" antwoordde meneer Das.
"Dat wist ik al, meneer Das. Daar was ik zelf bij. Het zag er erg naar uit."
"Oei,
dat wist ik niet, meneer Beer. Maar waarom heeft u dat niet aan meneer
Octopus en mij laten weten? Dan hadden we tijdig een vervanger voor
meneer Spin kunnen vinden."
"Verhip!" riep meneer Beer. "Daar had ik
nog helemaal niet bij stil gestaan, meneer Das! Het spijt mij zeer.
Maar u was ondertussen al wel op de hoogte? Weet meneer Octopus het ook
al? En is er nu wel een vervanger?"
"Meneer Octopus had het in de
krant gelezen en toen ik hem vanmorgen tegenkwam bij de bakkerij van
meneer Okapi had hij het erover dat hij al een vervanger had gevraagd
voor vanavond." antwoordde meneer Das.
"Heeft meneer Octopus ook gezegd wie die zogenaamde vervanger dan is, meneer Das?"
"Neen,
meneer Beer. En eerlijk gezegd heb ik er ook niet naar gevraagd." Plots
viel het oog van meneer Beer op een mevrouw die aan de overkant van de
straat stond te zitten in een rolstoel.
"Dag meneer Beer! Dag meneer Das!" riep ze tegen de passerende heren.
"Dag!" riepen de meneren in koor terug terwijl ze doorliepen.
"Wie was dat eigenlijk, meneer Das?"
"Dat was mevrouw Antiloop, meneer Beer."
"O
ja, dat is waar ook! Kwam zij vorig jaar niet met haar been onder een
zware bankdeur terecht?" vroeg meneer Beer aan meneer Das. Meneer Das
keek meneer Beer vreemd aan.
"Onder een zware bankdeur, meneer Beer? Hoe komt u daar zo bij?"
"Och, excuses, meneer Das! Dat gebeurde er met meneer Spin. Ik ben een beetje in de war vandaag."
"Ik merk het, meneer Beer."
Intussen
waren meneer Beer en meneer Das bij de garage van meneer Octopus
aangekomen. Meneer Beer en meneer Das belden aan en zagen een lampje
aanspringen. Daar kwam meneer Octopus aangelopen, met een pak
kwartetkaarten in zijn tengels en een thermoskan onder zijn arm.
"Goedenavond, meneer Beer. Goedenavond, meneer Das." groette meneer Octopus.
"Goedenavond, meneer Octopus. Wie heeft u geregeld als vervanger voor meneer Spin?"
"Mijn vader. Hij heeft ook twee vrienden meegenomen, dus nu zijn we met z'n zessen."
"Gezellig!"
riep meneer Das enthousiast. De drie meneren liepen vervolgens richting
het ruime kantoor van meneer Octopus. Eenmaal aangekomen zagen meneer
Beer en meneer Das drie oude mannetjes zitten. Meneer Octopus senior,
meneer Konijn de oudere en meneer Reuzenalk.
"Heren." groette meneer
Reuzenalk met een knik. Meneer Konijn de oudere keek meneer Beer aan,
zette zijn bril recht op zijn neus en keek hem nogmaals aan.
"U ken ik wel, als ik het mij net vergis." zei meneer Konijn de oudere tegen meneer Beer.
"Is
dat zo?" vroeg meneer Beer aan meneer Konijn de oudere, terwijl meneer
Das, meneer Octopus en meneer Beer aan de tafel bij de oude mannetjes
gingen zitten.
"Ja, ik meen mij te herinneren dat u bij mij dochter in de buurt woont."
"Bedoelt u soms mevrouw Konijn?"
"Inderdaad! Mevrouw Konijn! Dat is mijn dochter, ziet u."
"Dat had ik wel verwacht ja, meneer Konijn de oudere."
"Hoe heette u ook alweer?" vroeg meneer Konijn de oudere aan meneer Beer.
"Ik ben meneer Beer." antwoordde meneer Beer en meneer Konijn de oudere plaatste zijn hand voor zijn mond.
"Uiteraard," sprak hij zachtjes "dus ú bent dé meneer Beer?"
"Hoe bedoelt u dat, meneer Konijn de oudere?"
"Nou, meneer Beer, mijn dochter heeft het dikwijls over u."
"Is dat zo, meneer Konijn de oudere?"
"Zeer
zeker, meneer Beer. Ze heeft het altijd over uw mooie vacht en uw
voorliefde voor appeltaarten. En het bakken van appeltaarten is haar
specialiteit! Heeft u al eens een hapje geproefd?"
"Van mevrouw
Konijn of van haar appeltaart?" vroeg meneer Beer aan meneer Konijn de
oudere. Meneer Konijn de oudere keek meneer Beer raar aan, maar besloot
om toch een serieus antwoord te geven.
"Van haar appeltaart uiteraard, meneer Beer."
"Nee,
meneer Konijn de oudere, die heb ik nog niet geproefd. Telkens als uw
dochter met het aanbod komt heeft mevrouw Beer vaak net zelf een
appeltaart gebakken. En ik probeer u en uw dochter niet te beledigen,
maar tegen de appeltaarten van mevrouw Beer kan niemand op."
"Ik begrijp het, meneer Beer. Laten we beginnen met het spel!" riep meneer Konijn de oudere tegen de overige aanwezigen.
"Weet
u het nog, meneer Reuzenalk? Die keren dat wij in onze jeugd met onze
vaders gingen kwartetten?" vroeg meneer Octopus senior aan meneer
Reuzenalk.
"Zeer zeker, meneer Octopus senior! Helemaal als die van mij het verloor."
"Waarom kunt u zich dat nog specifiek herinneren, meneer Reuzenalk?" vroeg een nieuwsgierige meneer Das.
"Omdat
mijn vader dan ontzettend boos werd. Hij had er een hele werkdag in de
fabriek opzitten, kwam dan thuis, legde ons over de knie en sloeg ons
dan met een leren riem zodat we een week lang niet konden zitten. En
dat elke werkdag!" overdreef meneer Reuzenalk. Meneer Das keek meneer
Beer met een ongelovige blik aan. Meneer Beer wist precies wat meneer
Das bedoelde.
"Dat is nog niks!" zei meneer Konijn de oudere, "Als
mijn vader vroeger thuiskwam na een lange, zware werkdag op de
suikerplantage gingen wij één voor één over de knie om billenkoek te
ontvangen met een stuk hout met daaraan vast een roestige spijker welke
hij vervolgens tot diep in ons achterste vastsloeg! We liepen altijd
vreselijke infecties op aan onze derrières, omdat alles zo snel ging
ontsteken. En als hij daarmee klaar was stak hij een sigaar op en blies
hij die vieze rook in onze muiltjes."
"Luxe." bromde meneer Octopus senior.
"Mijn
vader, meneer Octopus senior senior, kwam acht dagen in de week
chagrijnig thuis van zijn achtentwintigurige werkdag en dan legde hij
ons stuk voor stuk over de knie om ons te brandmerken, te tatoeëren met
een roestig stuk ijzerdraad, te slaan met een fietsketting, te
onthoofden met een plasticmesje, onze rug te breken met een stuk
brandhout en daarna stuurde hij ons naar de fabriek toe, zodat wij als
peuters van slechts drie jaar oud, de grote en uiterst gevaarlijke
machines mochten repareren met een rolletje plakband en een
hamkaastosti. En dat was dan alleen op zijn goede dagen! En nee, ik heb
geen hartentwee. Go fish!"
"Dat stelt nog niks voor vergeleken bij mijn oude legercommandant." sprak meneer Reuzenalk.
"Hij
stuurde ons weken op pad en we mochten niet terugkeren voordat al onze
tenen waren afgestorven aan de kou of enge jungleziektes. Ook moesten
we elke ochtend rond vijf uur verplicht aan ochtendgymnastiek doen, ook
al stonden we heel de dag tussen het vervuilde water en de
overblijfselen van onze maten in de loopgraven."
"Dat lijkt mij een
dooie boel." zei meneer Octopus junior. Met slechte grapjes probeerde
hij de sterke verhalen van de oude mannetjes af te kappen om zo de
aandacht te vestigen op het kaartspel, maar het mocht niet baten.
"Alsof
u wat deed in de oorlog, meneer Reuzenalk! Wij waren degenen die
honderden kilometers achter de vijandige linies werden gedropt met
slechts de kleding die we droegen, een geweer, een slaapzakje, áls we
geluk hadden, en een hamkaastosti. En dan moesten we zelf maar zien hoe
we weer bij de basis terechtkwamen." zei meneer Konijn de oudere,
refererend aan meneer Octopus senior en hemzelf. Gelukkig voor de
overige mannen ging toen de telefoon. Het was de beheerder van het
plaatselijke bejaardentehuis met de mededeling dat een busje de oude
mannen op kwam halen, omdat het bijna tijd was voor hun medicijnen en
om te gaan slapen. Nadat de oudjes weg waren besloot meneer Beer ook
maar om naar huis te gaan.
"Het was mij het potje kwartetten wel weer, heren. Tot de volgende keer."
"Tot de volgende keer, meneer Beer." antwoordden meneer Octopus en meneer Das in koor.
Meneer
Beer stapte uit de garage van meneer Octopus en ging op huis aan. Toen
meneer Beer zijn straat inliep zag hij mevrouw Konijn staan.
"Dag meneer Beer! Hoe was het kaarten?"
"Wel leuk, mevrouw Konijn. Hoe wist u dat?"
"Mijn vader, meneer Konijn de oudere, vertelde dat u er ook was. Heeft u zin om even naar binnen te komen."
"Nou, mevrouw Konijn, het is al laat en..."
"Ah
toe nou, meneer Beer! U heeft nu toch wel even tijd? De appeltaart
staat al klaar." probeerde mevrouw Konijn meneer Beer te overtuigen.
Meneer Beer keek bij zijn huis naar binnen en zag dat de lichten
gedoofd waren.
"Mevrouw Beer is vast al gaan slapen." zei mevrouw Konijn nog.
"Vooruit dan maar, mevrouw Konijn. Maar niet te lang hoor."
"Komt
u verder meneer Beer." zei mevrouw Konijn terwijl ze meneer Beer naar
binnen hielp. Eenmaal binnengekomen kon meneer Beer het parfum van
mevrouw Konijn vrij duidelijk ruiken. Het had haast een verdovende
werking op meneer Beer. Mevrouw Konijn hielp meneer Beer in een stoel
en liep naar de keuken toe. Meneer Beer keek omhoog en het plafond
begon een beetje te draaien.
"Gaat alles wel goed, meneer Beer?" vroeg mevrouw Konijn vanuit de keuken.
"Jawel,
mevrouw Konijn. Hoort het plafond zo te draaien?" Mevrouw Konijn kwam
weer haar huiskamer in en ging voor meneer Beer zitten. Ze praatte
tegen hem, maar meneer Beer kon er niks van maken. Alleen haar lage
topje zag hij nog duidelijk.
"Meneer Beer?" hoort hij mevrouw Konijn in de verte vragen.
© februari 2010, Timmeeh, BasicPublishing.nl
|