"Meneer Beer wint een geldprijs"
|
|
"En het winnende lotnummer is deze maal
één-zeven-negen-zes-twee-één." zei de stem op de televisie. Meneer
Beer, die halfslaperig op de bank hing schrok ineens wakker.
"Wat
zij die stem op de televisie, mevrouw Beer?" vroeg meneer Beer aan zijn
echtgenote. Mevrouw Beer was echter druk bezig met een ingewikkeld
vingerhaakwerkje en lette dus ook niet echt op wat de stem op de
televisie zei. Meneer Beer besloot om nu beter op te letten bij het
herhalen van het nummer en het nummer kwam meneer Beer wel erg bekend
voor.
"Nogmaals, dames en heren, het winnende lotnummer is één-zeven-negen-zes-twee-één."
Meneer
Beer schreef dit vluchtig op een vrij hoekje van een bladzijde in zijn
televisiegids en rende de hal in, alwaar zijn jas aan de kapstok hing.
"Wat bent u toch aan het doen, meneer Beer?" vroeg een nieuwsgierige mevrouw Beer.
"Ik
zoek mijn staatslot, mevrouw Beer. Als ik mij niet vergis hebben wij
namelijk een aardig geldbedrag in de wacht gesleept." antwoordde meneer
Beer terwijl hij nerveus is zijn jaszakken aan het zoeken was naar zijn
staatslot. Omdat ze dacht dat dit misschien wel een goed idee was, deed
mevrouw Beer het licht in de hal aan, zodat meneer Beer kon zien dat
hij zijn staatslot niet te pakken kon krijgen. Meneer Beer keerde zijn
jaszakken binnenstebuiten en onder andere het staatslot viel op de
grond. Meneer Beer pakte het op en liep naar de televisiegids toe.
"En, meneer Beer?" vroeg een nerveuze Mevrouw Beer.
"Verdraaid,
Mevrouw Beer. Wij hebben lotnummer één-zeven-negen-zes-één-twee terwijl
het winnende lotnummer één-zeven-negen-zes-twee-één is."
"Op de volgende nummers is trouwens ook nog een aardig bedrag gevallen." sprak de stem op de televisie plotseling.
"Één-zeven-negen-zes-één-twee,
één-zeven-negen-zes-twee-twee..." Meneer en mevrouw Beer keken elkaar
aan en begonnen te springen van geluk.
"Zevenhonderdvijftig euro, mevrouw Beer! Wat een meevaller."
"Inderdaad, meneer Beer! Wat gaan wij met dat geld doen?"
"Mevrouw Beer, het lijkt mij een eer om u eens gezellig mee uit eten te nemen."
"Maar dan toch wel wat luxer dan een saucijzenbroodje in de bakkerij van meneer Papegaai mag ik toch hopen, meneer Beer?"
"Absoluut,
mevrouw Beer! Ik zal morgen de prijs in ontvangst nemen, een deel op de
bank zetten en de rest mee naar huis nemen zodat wij morgenavond in het
restaurant van meneer Fluitbekzeenaald een heerlijke maaltijd weg
kunnen werken."
De volgende ochtend liep meneer Beer naar de
bank toe om daar zijn geldprijs in ontvangst te nemen. Mevrouw Beer
ging niet mee, die claimde er te 'verneus' voor te zijn.
"Nerveus bedoelt u toch,
mevrouw Beer?" vroeg meneer Beer nog. Mevrouw Beer was zelfs zo nerveus
dat ze het woord niet goed meer kon uitspreken. Meneer Beer straalde
harder dan de zon, zag meneer Axolotl.
"Dag meneer Beer, bent u met het goede been uit bed gestapt deze ochtend?"
"Zeer zeker, meneer Axolotl!"
"Dat is mooi, meneer Beer, maar u straalt zo erg dat ik haast denk dat u radioactief bent. Heeft u soms de jackpot gewonnen?"
"Helaas
niet, meneer Axolotl, maar gelukkig ben ik momenteel zeker!" antwoordde
meneer Beer die stevig doorliep in de richting van de bank. Meneer
Axolotl kon het met zijn korte beentjes en zijn wandelstok nauwelijks
bijbenen.
"Meneer Beer, wat loopt u hard!" zei meneer Axolotl nog hijgend en puffend.
"Dat
klopt, meneer Axolotl. Ik moet nog naar de bank!" zei meneer Beer.
Meneer Axolotl groette meneer Beer dan maar en staakte zijn
achtervolging. Meneer Beer liep gestaag door en zag in de verte het
bankgebouw van meneer Spin al staan. Toen meneer Beer dichterbij kwam
zag hij ook meneer Spin zelf staan naast de ingang van zijn bank. Hij
droeg een bolhoed, een monocle en een zwart pak met een wit overhemd.
Onder zijn neus had hij bovendien een mooie krulsnor staan.
"Goedemorgen, meneer Beer!" riep meneer Spin met zijn bekende zachte G.
"Goedemorgen, meneer Spin. Ik kwam mijn prijs innen."
"Ah wel, 'eeft u soms de 'oofdprijs gewonnen, meneer Beer?" fluisterde meneer Spin.
"Helaas niet, meneer Spin, maar met 750 euro ben ik ook dik tevreden." fluisterde meneer Beer terug.
"Waarom fluisteren we eigenlijk, meneer Spin?"
"Omdat het mij beter lijkt voor uw gerief om uw gewonnen geldbedrag niet direct wereldkundig te maken hé!"
"Daar heeft u groot gelijk in, meneer Spin."
"Ah wel, komt u gerust naar binnen, meneer Beer." zei meneer Spin en hij en meneer Beer betraden het bankgebouw.
Eenmaal binnen aangekomen verzocht meneer Spin meneer Beer om plaats te nemen aan zijn bureau.
"Weet u al wat u met uw geld gaat doen, meneer Beer?"
"Ik
denk dat het een goed idee is om het grootste gedeelte gewoon op mijn
rekening te laten storten, meneer Spin. Ik zou graag een kleine honderd
euro cash willen hebben. Ik heb mevrouw Beer namelijk beloofd om haar
vanavond mee uit eten te nemen naar het restaurant van meneer
Fluitbekzeenaald, ziet u?"
"Dat kan er ook wel van af, meneer Beer.
Geen probleem!" zei een vrolijke meneer Spin. Hij gaf meneer Beer twee
formulieren waarop hij bepaalde dingen in moest vullen zodat zijn geld
op de juiste plek terecht zou komen. Omdat meneer Spin toch al wist dat
meneer Beer honderd euro contant mee wilde hebben liep hij alvast de
kluis in om een biljet van honderd euro te pakken. Bij het uitlopen van
de kluis ging het echter ernstig mis.
"Ahhhh, miljaar!" hoorde meneer Beer plotseling vanuit de richting van de kluis.
"Nondeju,
mijne vessem steekt naar boven! Meneer Beer, belt u dokter Blobvis toch
snel!" schreeuwde meneer Spin uit. Meneer Beer aarzelde geen moment en
greep naar de telefoon. Ondertussen zorgde één van meneer Spin zijn
hulpspinnen dat meneer Spin bij bewustzijn bleef. Niet veel later
kwamen dokter Blobvis en een aantal ambulancebroeders het bankgebouw
binnenlopen.
"Zo, meneer Spin, zodra wij uw been onder die deur weg
hebben gekregen zullen wij u weldra naar het ziekenhuis afvoeren."
sprak dokter Blobvis uitermate rustig. Het probleem was alleen dat de
ambulancebroeders de deur niet van het been van meneer Spin af konden
krijgen. Dokter Blobvis had daar gelukkig wat op gevonden.
"Meneer Beer, wilt u misschien een poging wagen?" vroeg dokter Blobvis.
"Vooruit
dan maar, dokter Blobvis." sprak een verbouwereerde meneer Beer.
Vervolgens tilde meneer Beer de deur een stukje op en trokken de
ambulancebroeders meneer Spin en zijn in de kreukels liggende been er
onder vandaan.
"Auw zeg jong, dat doet wel pijn hé!" mopperde meneer Spin toen de ambulancebroeders hem voorzichtig op de brancard tilde.
"Oh, meneer Beer! 'ier is uw geld nog. Een prettige dag nog."
"Dank
u, meneer Spin. En sterkte met uw been!" zei meneer Beer toen hij samen
met de ambulancebroeders, meneer Spin en dokter Blobvis het pand
verliet. Buiten had zich een menigte gevormd en werd er al luidkeels
gesuggereerd wat er gebeurd was.
"Het was vast de verschrikkelijke sneeuwman!" beweerde meneer Axolotl al.
"Tenzij
de verschrikkelijke sneeuwman een kluisdeur van een paar honderd
kilogram is, is dat niet het geval, meneer Axolotl." stelde meneer Beer
het publiek gerust.
Meneer Spin werd in de ambulance geladen
en het publiek vervolgde hun weg weer. Ondanks deze ernstige
gebeurtenis vond meneer Beer het nog steeds een mooie dag en vervolgde
hij zijn weg weer in de richting van het restaurant van meneer
Fluitbekzeenaald om alvast een tafel voor de aankomende avond te
reserveren. Onderweg naar het restaurant stelde meneer Beer zich al
voor wat hij de komende avond allemaal op zou eten. Afbeeldingen van de
grootste hompen vlees, in lekkere kruiden gebakken aardappeltjes en
gehaktballetjes in tomatensaus als voorgerecht.
"Meneer Beer, past u
toch eens op!" riep een bekende stem van onderen. Meneer Beer ontwaakte
uit zijn dagdroom en zag een doorweekte meneer Muis onder zich staan.
"Het
spijt mij zeer, meneer Muis!" verontschuldigde meneer Beer zich meteen.
Meneer Beer haalde een zakdoek uit zijn jaszak en maakte meneer Muis
weer droog.
"Meneer Beer, het is al goed zo! Stop maar!" zei een
spartelende meneer Muis. Hij ontdeed zich met veel moeite van de
zakdoek van meneer Beer.
"Nogmaals mijn excuses, meneer Muis."
"Wat bezielde u toch, meneer Beer?"
"Nou,
meneer Muis, ik was op weg naar het restaurant van meneer
Fluitbekzeenaald voor een reservering voor vanavond en dacht mijzelf
alvast in wat ik vanavond te eten zou nemen."
"Vandaar! Maar hebben u en mevrouw Beer dan iets te vieren, meneer Beer?"
"Laten
we zeggen dat we deze maand een financiële meevaller hadden en we even
van deze gelegenheid gebruik maken om zo van fantastisch eten te
genieten, meneer Muis."
"Dat klinkt goed, meneer Beer. Dan wens u alvast een smakelijk eten toe. Tot ziens, meneer Beer."
"Tot
ziens, meneer Muis." zei meneer Beer terwijl hij zijn weg naar het
restaurant van meneer Fluitbekzeenaald vervolgde. Eenmaal aangekomen
kwam meneer Beer tot de ontdekking dat het restaurant gesloten was. De
deur zat op slot en de gordijnen waren ook dicht. Meneer Beer besloot
om een paar een keer op de deur te bonken om te kijken of er toevallig
iemand aanwezig was, maar er werd niet opengedaan. Net op het moment
dat meneer Beer rechtsomkeer wilde maken ging er op de bovenverdieping
een raam open. Het was meneer Fluitbekzeenaald.
"Wie is daar?"
"Meneer Beer is hier."
"Oh, hallo meneer Beer. Wat kan ik voor u doen?"
"Dag meneer Fluitbekzeenaald. Ik wilde graag reserveren voor vanavond."
"Dat zal niet gaan, meneer Beer."
"Waarom niet, meneer Fluitbekzeenaald?"
"Omdat wij op maandagen nooit open zijn, meneer Beer. Wilt u anders voor de dinsdagavond reserveren?"
"Dat is ook goed, meneer Fluitbekzeenaald. Ik wilde graag voor twee personen reserveren om half negen 's avonds."
"Dat noteer ik, meneer Beer. Komt u met mevrouw Konijn?"
"Met mevrouw Konijn, meneer Fluitbekzeenaald? Hoe komt u daar nou weer bij?"
"Oh, dat dacht ik ergens te hebben gehoord..." antwoordde meneer Fluitbekzeenaald, die blijkbaar meer wist dan meneer Beer zelf.
"En
de witte plukken vacht op uw jas lijken die geruchten te ondersteunen."
voegde meneer Fluitbekzeenaald er ook nog aan toe. Meneer Beer speurde
zijn jas af, en zag inderdaad een paar witte plukjes op zijn jas zitten.
"Ik heb geen idee hoe die plukjes daar zijn gekomen, meneer Fluitbekzeenaald."
"Nee, dat dacht ik al, meneer Beer. Maar ik zie u morgen dus om half negen met mevrouw Beer. Tot morgen, meneer Beer."
"Tot morgen, meneer Fluitbekzeenaald." groette een enigszins verwarde meneer Beer terug.
© november 2009, Timmeeh, BasicPublishing.nl
|