""Spannend he, meneer Beer?""
|
|
Meneer Beer liep een keer naar dokter Blobvis toe. Na
enkele dagen begon mevrouw Beer meneer Beer wat te plagen over zijn
ongeval van enkele tijden geleden en de wond genas prima, dus leek het
meneer Beer die keer een goed idee om om het oordeel van dokter Blobvis
te vragen. Dokter Blobvis had immers papieren die hem bevoegd maakten
tot het vellen van medische oordelen. Sportief als meneer Beer is ging
hij net als de vorige keer met de benenwagen naar dokter Blobvis toe.
Dat is wel zo gezond en wie weet kwam meneer Beer nog wat gezellige
personages tegen. Wat dat betreft zat het meneer Beer niet echt mee,
want onderweg naar dokter Blobvis kwam hij alleen meneer Slak tegen.
Gezien meneer Slak net zo snel praat als dat hij loopt leek het meneer
Beer bijzonder onverstandig om een conversatie met meneer Slak aan te
gaan. Meneer Beer had namelijk niet de hele dag de tijd.
Na een
kort bezoek stond meneer Beer alweer buiten de praktijk van dokter
Blobvis. De tijd dat meneer Beer in de kamer van dokter Blobvis
doorbracht was korter dan de loopafstand van de praktijk naar de kroeg,
en dat terwijl de kroeg precies tegenover de praktijk gesitueerd lag.
Meneer Beer had meer tijd voor zijn doktersbezoek uitgetrokken dan de
uiteindelijke tijd, dus leek het meneer Beer wel een leuk idee om eens
even in de kroeg van meneer Leeuw te loeren om te zien of daar nog
bekenden van hem zaten. Normaal gesproken zat er altijd wel iemand, en
anders kon meneer Beer altijd nog even gedag zeggen tegen meneer Leeuw
zelf. Meneer Beer liep naar de ingang van de kroeg en keek om het
hoekje de kroeg in. Aan de bar zag hij meneer Das zitten praten, maar
meneer Das zat met zijn rug naar de ingang toe, dus kon meneer Beer
niet aanschouwen wie de gesprekspartner van meneer Das was. Het moest
in ieder geval iemand zijn die kleiner was dan meneer Das, dat was wel
duidelijk. Meneer Beer vreesde al voor de gekke verhalen van meneer
Axolotl en zijn avonturen met de verschrikkelijke sneeuwman, maar toen
meneer Beer de kroeg binnenstapte hoorde meneer Beer al aan de stem dat
het meneer Axolotl niet was.
"Goedemiddag, meneer Beer." zei meneer Das.
"Goedemiddag, meneer Das." antwoordde meneer Beer.
"Ik zat net een discussie te voeren." zei meneer Das, terwijl hij zich weer tot zijn gesprekspartner wendde.
"Maar legt u nu eens uit, filosoof Vis, waar die beweringen op slaan?"
"Welke uitdrukking bedoelt u uitdrukkelijk, meneer Das?"
"Die
ene die u net uitkraamde, filosoof Vis." antwoordde een licht
geïrriteerde meneer Das. Meneer Beer voelde een gespannen sfeer en
bestelde een ranja bij meneer Leeuw.
"Komteraan." bromde de
laatstgenoemde zachtjes. Meneer Beer posteerde zich naar meneer Das en
volgde de discussie tussen meneer Das en filosoof Vis aandachtig.
"Dat de hele kunst van het spreken is begrepen te worden?" vroeg filosoof Vis aan meneer Das.
"Inderdaad,
filosoof Vis, want dat is toch maar bijzonder weinig relevant aan de
vraag waarom borrelnootjes er in verschillende kleuren zijn."
"Bij
nader inzien heeft u helemaal gelijk, meneer Das. Misschien kan deze
edele heer, die net is aan komen schuiven, duidelijkheid verschaffen
met betrekking tot dit euvel. De edele man beseft immers wat deugdzaam
is, terwijl de normale man alleen het winstgevende ziet." zei filosoof
Vis, al kijkende naar een steeds harder brommende meneer Leeuw. Meneer
Beer was echter flink verbaasd door het afschuiven van de vraag van
meneer Das en wist zo even geen antwoord te geven.
"Ik weet het zo even niet, filosoof Vis." antwoordde meneer Beer dan ook.
"Als men ziet wat juist is, en het nalaat, is dat een gebrek aan moed." antwoordde filosoof Vis dan weer.
"Inderdaad!" bromde een boze meneer Leeuw, terwijl hij filosoof Vis bij zijn kladden greep en de kroeg uitsmeet.
"Hoepelopmeddatgezever!" bromde meneer Leeuw hem nog na.
Intussen kwam meneer Orang-Oetan ook de kroeg binnenwandelen.
"Zeg, meneer Leeuw, wat was dat?"
"Hmpfgrbml..."
was het enige dat meneer Orang-Oetan uit meneer Leeuw kon krijgen, dus
ging meneer Orang-Oetan maar duidelijkheid vragen aan meneer Das en
meneer Beer.
"Oh, filosoof Vis was meneer Leeuw zorgvuldig aan het beledigen, meneer Orang-Oetan." antwoordde meneer Das.
"U moet daar maar niet naar luisteren, meneer Leeuw. U runt uw kroeg uitstekend."
"Hij heeft gelijk, meneer Leeuw." beaamde meneer Orang-Oetan. "Weg met dat gezever, doe mij maar een jenever."
Meneer
Leeuw begon door de lofzang van meneer Das en meneer Orang-Oetan weer
wat te kalmeren en schonk de gewenste jenever in voor meneer
Orang-Oetan. Meneer Das wist echter nog steeds het antwoord op zijn
prangende vraag niet.
"Zegt u eens, meneer Orang-Oetan, weet u misschien hoe het komt dat borrelnootjes verschillende kleuren hebben?"
"Meneer
Das, werkelijk, hoe komt u erop? Wat een aparte vraag. Maar eerlijk
gezegd weet ook ik daar geen antwoord op. Maar heeft u zich misschien
al eens afgevraagd of er een reden is waarom ze wel in dezelfde kleur
zouden moeten zijn?"
"Eigenlijk niet, meneer Orang-Oetan..."
antwoordde meneer Das, terwijl hij zijn vinger op zijn onderlip legde
en zich binnensmonds afvroeg of hij daar wel iets op kon bedenken.
"Meneer Orang-Oetan, ik weet misschien wel het antwoord op uw tegenvraag." zei meneer Beer plotseling.
"Werkelijk, meneer Beer? En wat is dat antwoord dan?"
"Dat
zal ik u eens haarfijn uitleggen, meneer Orang-Oetan. Als ze alle
borrelnootjes eenzelfde uiterlijk geven dan scheelt dat aanzienlijk in
de productiekosten in vergelijking met het produceren van borrelnootjes
in verschillende kleuren. Pinda's zijn immers ook vrijwel gelijk in
uiterlijk."
"Daar heeft u een goed punt, meneer Beer." beaamde meneer Das.
"Misschien
hebben de borrelnootjesfabrikanten een hoger budget om te spenderen,
meneren Beer en Das." zei meneer Orang-Oetan. Meneer Leeuw, die aan de
bar stond en vocht wegveegde mompelde ook nog iets.
"Misschien variëren ze gewoon graag."
"Variëren,
meneer Leeuw? Waarom zouden ze dat doen?" vroeg meneer Orang-Oetan zich
dan weer af. Meneer Leeuw haalde zijn schouders op en ging door met
zijn taak.
"Meneer Orang-Oetan, misschien heb ik nog een ideetje
voor dat euvel. Zou het niet kunnen zijn dat er een vrouw aan het roer
van dat bedrijf staat?"
"Dat zou goed kunnen, meneer Beer, maar ik zie vrouwen nauwelijks borrelnootjes eten."
"Dat
is ook weer zo, meneer Orang-Oetan. Meneer Axolotl had vast de
verschrikkelijke sneeuwman de schuld gegeven." grapte meneer Das.
"Als
er witte plukjes haar in de zakjes zaten en ze twee euro kostten wel,
meneer Das." grapte meneer Beer mee terwijl hij zijn laatste bodempje
ranja achterover sloeg.
"Meneer Orang-Oetan, meneer Das, ik ga maar weer eens op huis aan."
"Wilt u soms een lift, meneer Beer? Ik moest toch die kant op." bood meneer Das aan.
"Dat
is wel goed, meneer Das." Meneer Das dronk zijn drankje ook op en samen
met meneer Beer liep meneer Das naar buiten toe, nadat ze meneer
Orang-Oetan en meneer Leeuw nog een prettige dag toewensten.
Terwijl
meneer Beer en meneer Das in de richting van het vehikel van meneer Das
liepen hoorden zij plots een stem vanachter een muurtje vandaan komen.
"Als
je een waardig mens ontmoet, tracht hem dan na te volgen. Als je een
onwaardig mens tegenkomt, beproef dan jezelf!" riep de stem.
"En u,
meneer Beer, bent een waardig mens, dus ik volg u." vervolgde de stem.
Meneer Beer en meneer Das keken om en zagen dat het filosoof Vis was
die vanachter het muurtje opdook. Meneer Beer maande meneer Das aan om
maar snel de deuren van zijn wagen te openen, zodat ze zich veilig in
de bolide van meneer Das konden vluchten voor de vreemde filosoof Vis.
Dit leek meneer Das ook een goed idee, dus hij haalde snel de deuren
van het slot, zodat zowel hij als meneer Beer vlug in konden stappen.
Eenmaal ingestapt haalde meneer Beer opgelucht adem.
"Was dat even
schrikken, meneer Beer." zei meneer Das die in zijn spiegels keek om te
zien waar filosoof Vis zich bevond, maar de vogel leek gevlogen.
"Gelukkig is hij weg, meneer Das. En ik vond meneer Axolotl nog wel zo curieus."
Meneer Das reed meneer Beer naar huis, maar onderweg leek meneer Beer filosoof Vis telkens te zien staan.
"Meneer Das, is dat nou filosoof Vis daar bij dat gebouw?"
"Waar
dan, meneer Beer?" maar toen zag meneer Beer hem ook niet meer. Elke
keer leek meneer Beer een glimp van filosoof Vis te zien in zijn
ooghoek, en als hij aan meneer Das vroeg of hij filosoof Vis ook zag
dan was de laatstgenoemde telkens weer verdwenen. Meneer Beer kreeg er
koude rillingen van.
"Vindt u dit ook zo eng, meneer Das?"
"Nou, meneer Beer, ik voel mij momenteel zeker niet op mijn gemak en zal vannacht waarschijnlijk ook met één oog open slapen."
"Maar meneer Das, hij zit toch achter mij aan? U hoeft zich geen zorgen te maken hoor."
"Dat kunt u nu wel zeggen, meneer Beer, maar wie weet wat die gekke vis gaat doen als hij klaar is met u."
"Hoe bedoelt u dat, meneer Das?"
"Nou, meneer Beer, u weet wel..."
"Legt u dat eens uit, meneer Das."
"Ach, u kent het wel van televisie, meneer Beer."
"Wat ken ik wel van televisie, meneer Das?"
"Nou ja, meneer Beer. Van die moordzaken en zo."
"Moordzaken, meneer Das?! Ik hoop het toch niet!"
"Ik
ook niet, meneer Beer, maar zeker weten doe ik het ook niet. Misschien
moeten wij maar naar agent Bromvlieg gaan om bescherming te vragen."
"Meneer
Das, ik denk toch echt niet dat het zover zal komen. Zo goed ken ik
filosoof Vis niet, maar hij is toch zeker geen moordenaar, meneer Das?
Hij spreekt zelfs erg positief over mij, waarom zou filosoof Vis dan
zoiets engs doen?"
"Misschien heeft u wel gelijk, meneer Beer. Ik ben bang dat ik wat overdreef." zei meneer Das, lichtjes blozend.
Meneer
Das en meneer Beer waren nauwelijks bijgekomen van de enge gedachten
van meneer Das of ze waren bij het huis van meneer Beer aangekomen.
"Bedankt
voor de lift, meneer Das. En kijkt u vanavond maar geen enge
programma's." zei meneer Beer met een licht spottende glimlach op zijn
gezicht.
"Ik zal het overwegen, meneer Beer." zei meneer Das met een
glimlach terug. Meneer Beer gooide de deur van de bolide van meneer Das
dicht en draaide zich om in de richting van zijn tuinpad toen hij
plotseling weer iets zag bewegen in zijn ooghoek. Meneer Beer moest
weer denken aan de enge woorden van meneer Das, maar besloot toch om zo
moedig te zijn en de kant van de beweging in zijn ooghoek op te kijken.
Er bleek niks te zien te zijn. Toch zag meneer Beer wéér wat in zijn
ooghoek en wéér draaide hij zijn hoofd, maar het leek wel alsof het
object of persoon de hele tijd meedraaide met meneer Beer. Op dat
moment ging de voordeur open bij de buurvrouw van meneer Beer, mevrouw
Konijn. Mevrouw Konijn draaide haar deur met de sleutel op slot en
wilde haar sleutelbos weer in haar handtasje stoppen toen ze plotseling
meneer Beer in zijn voortuin zag staan terwijl hij rondjes aan het
draaien was. Normaal sprak mevrouw Konijn meneer Beer bijzonder graag
aan, maar hier werd ze toch wel even stil van. Na enkele ogenblikken de
bewegingen van meneer Beer aan te hebben gekeken besloot mevrouw Konijn
dan toch om meneer Beer aan te spreken.
"Meneer Beer, wat bent u toch aan het doen?"
"Oh,
goedemiddag mevrouw Konijn. Het lijkt alsof iets mij achtervolgt en ik
zie het de gehele tijd in mijn ooghoek, maar telkens als ik mijn hoofd
die kant op draai dan beweegt het mee." Mevrouw Konijn fronste eens en
had zo haar bedenkingen bij de verklaring van meneer Beer.
"Meneer
Beer, wilt u eens hier komen?" vroeg mevrouw Konijn beleefd. Meneer
Beer zag niet in hoe dit kwaad kon en besloot richting de heg te lopen,
welke een scheidingslijn tussen de tuinen van de familie Beer en
mevrouw Konijn vormde. Meneer Beer ging vlak voor mevrouw Konijn staan
en zag dat mevrouw Konijn haar handtasje op de grond zette en
vervolgens met haar handen naar het gezicht van meneer Beer ging.
Langzaam raakte mevrouw Konijn met haar zachte handjes de wangen en de
jukbeenderen van meneer Beer aan.
"In welke ooghoek ziet u het telkens, meneer Beer?"
"In
de linker, mevrouw Konijn." Mevrouw Konijn speurde, nog steeds
bedenkelijk kijkend, het linkeroog van meneer Beer af. Na even te
hebben gekeken merkte meneer Beer dat de blik van mevrouw Konijn
veranderde in een lacherige blik en mevrouw Konijn ging met haar
rechterhand naar de ooghoek van het linkeroog van meneer Beer toe.
"Ik
zie al wat het probleem is, meneer Beer." wist mevrouw Konijn. Ze
plukte een wimper uit de ooghoek van meneer Beer en liet het aan hem
zien.
"Och, wat suf!" zei meneer Beer al lachend. Meneer Beer moest
zelfs een beetje blozen, omdat hij zich schaamde voor de uitermate
hilarische gebeurtenis die zich zojuist ontvouwde in zijn voortuin,
maar door zijn dikke berenvacht kon mevrouw Konijn dit toch niet zien.
Mevrouw Konijn begon nu ook te giechelen alsof ze een zestienjarig
schoolmeisje was, maar dat was ze al een aantal jaren niet meer.
"Dank u wel voor het oplossen van dit probleempje, mevrouw Konijn."
"Graag gedaan hoor, meneer Beer, maar nu moet u toch echt een keer langskomen voor een appeltaart en wat halfvolle melk."
"U
heeft gelijk, mevrouw Konijn. Ik zal het weldra met mevrouw Beer
overleggen wanneer wij eens op bezoek zullen komen. Een prettige dag
nog, mevrouw Konijn." sloot meneer Beer af, alvorens hij zijn woning
betrad.
"U ook nog een prettige dag, meneer Beer. Tot ziens." zei mevrouw Konijn, terwijl ze haar weg weer vervolgde.
© oktober 2009, Timmeeh, BasicPublishing.nl
|