|
"Juan, welkom bij de groep, maar weet je nou wel of niet
waar het hoofdkwartier is?" Juan de boer krabde op zijn gebruinde hoofd
en antwoordde vervolgens negatief.
"Maar ik kan wel goed vechten!"
"Dat is ook handig..." zei Tiivokka. Mitrovs kreeg vervolgens een idee.
"Weet
je toevallig wel of er iemand is die weet waar dat hoofdkwartier
staat?" De boer begon flink te peinzen en te zweten, je hoorde het
zowat kraken in zijn hoofd, en hij kwam met een antwoord.
"Ja! Dhr.
J. Losquez, filosoof. Dat is één van de meest intelligentste mannen van
dit land en weet alles wel te vinden. En zo niet, dan weet hij wel
iemand die het wel weet." Tiivokka en Mitrovs werden hoopvol.
"Weet je ook waar hij woont?"
"Nee." Mitrovs sloeg met zijn hand tegen zijn hoofd, maar Juan de boer was nog niet klaar met praten.
"Maar
ik ken wel iemand die iemand kent die iemand kent die wel weet waar hij
woont. En ik weet waar diegene woont die diegene kent die iemand kent
die weet waar hij woont."
"Goed, breng ons dan maar naar die man die
iemand kent die iemand kent die weet waar die filosoof woont." beval
Mitrovs en de drie mannen gingen op pad.
De tocht door de jungle
zou geen gewone tocht worden. Vroeger, op de basisschool, sprak men al
van de gevaarlijke gifslangen, vogelspinnen die geiten konden
verschalken, reuzensalamanders die halve dorpen opvraten, panters,
jaguars, ferrari's, maserati's, kevers zo groot als basketballen,
prehistorische olifanten, kannibalen met puntige tanden, kannibalen met
brandend maagzuur, kannibalen die kannibaal zijn omdat ze dat moesten
van hun ouders, kannibalen die kannibaal zijn omdat ze aangetrouwd zijn
en dus ook kannibaal moesten worden, moesson, vleesetende vissen,
filmsets, gevluchte nazi's, wrakken van neergestorte vliegtuigen,
bomen, struiken, planten, bloemen, ruïnes, spoken, geesten,
voodoopoppetjes, harige spinnen, wilde honden en guerillastrijders. In
dit geval dus van de FART. Ondanks deze verwachtingen ging het er
verdraaid rustig aan toe in de o zo wilde jungle van Anaguay. Er was
zelfs een weggetje naar de kennis van Juan de boer.
"Ola Juan!" schreeuwde Juan de boer.
"Ola Juan!" riep de inwoner van een niet bijzonder grote hut naar Juan de boer.
"Como estas? Ik heb hier twee mannen die is tegen de FART willen doen!"
"De
FART?! Aye caramba, ik wil mee, Juan!" Juan de boer keek naar Juan
nummer twee en vervolgens naar Mitrovs en Tiivokka die het gesprek niet
meer konden volgen.
"Mag Juan mee?" vroeg Juan de boer aan de Lietvatiniërs.
"Euh...
oké. Zolang hij ons maar naar die ene slimme man kan brengen die weet
waar het hoofdkwartier is van de FART." gaf Mitrovs met grote twijfel
toe.
"Geen gemekker..." schreeuwde Juan de boer.
"Bier is
lekker!" tetterde Juan Dos. De tweede Juan haalde wat spulletjes uit
zijn hut, trok zijn schoenen aan en ging samen met Juan de boer,
Mitrovs en Tiivokka naar de volgende toe.
Na een korte tocht
langs een flinke rivier kwamen ze bij een T-splitsing aan. Daar stond
een tolhuisje met twee slagbomen en voor het huisje zat een mannetje op
een stoeltje met een krant op zijn gezicht te slapen.
"Ola Juan!" riepen de Juans naar het mannetje.
"Ola!" riep het wakker geworden mannetje terug. Hij stond op en liep naar Juan Dos toe en gaf hem een dikke knuffel.
"Como estas?" vroeg Juan Dos aan het mannetje.
"Ah, je weet hoe het gaat he. Die verrekte FART-lui die geen tol willen betalen en zo."
"Juan, die dagen zijn voorbij!" schreeuwde Juan Dos enthousiast terwijl hij naar de Lietvatiniërs wees.
"Die mannen gaan iets tegen de FART doen!" De derde Juan sprong wild op en neer en schreeuwde van vreugde.
"Dan wil ik mee!" riep hij. Juan Dos keek naar Juan de boer die weer naar Mitrovs keek.
"Prima,", zei Mitrovs, "maar dan moeten we wel naar die slimme kerel toe."
"Geen
probleem!" zei oude Juan. "Ik weet wel iemand die weet waar hij woont."
En zo gingen de drie Juans en de twee Lietvatiniërs op weg naar de
waarschijnlijk volgende Juan.
© april 2009, Timmeeh, BasicPublishing.nl
|