Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Spanning/Thriller
Geplaatst:
24 december 2006, om 11:15 uur
Bekeken:
1186 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
549 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"De jaarmarkt"


   
 
De jaarmarkt.
 
"Alléé mannen! Zijt ge klaar?........... ? ? ?"
" MIEL!!!"
" Ehhh.....watte?"
" Ik vraag of ge klaar zijt!!!!"
" Maar natuurlijk meester. Nog efkens diep ademhalen en ik blaas hier de pannen van het dak!" lacht Miel.
" Ha ja ? En met wat gaat ge dat doen ? "
" Eh ? "
" Waar is uw instrument ?"
Miel blikt verwonderd in de rondte.
" Wel verdorie! Daarjuist had ik het nog!" en terwijl Miel verwoed in alle hoeken en kanten begint te zoeken kan Peer, die als plaatslager in de fabriek van de burgemeester  van jongsaf gewoon is een mokerhamer te zwaaien en daardoor de ideale man  om de groskes onder handen te nemen, het niet nalaten. 
" Hebt ge al in uw zakken gekeken, Miel ?"
" Daar zitten alleen ne zakdoek en wa stekskens."
" Maar, allee Miel!" sputtert de schoolmeester verontwaardigd om zoveel idioterie.
" Een bombardon dat is nu toch zo klein niet!"
Maar nog voor Miel hierop kan antwoorden klinkt er vanuit de gang naar de toiletten een groot geraas, direct gevolgd door een serie stevige vloeken. Waarna Gaston, de tubaïst, die nog gauw even wat overtollig vocht kwijt wilde, verwoed een scheen masserend, de binnenplaats komt opgehuppeld.
" Zeg, Miel ik denk dat de Gaston uw instrument gevonden heeft!" grinnikt de Peer met zijn duim in de richting van het kabaal wijzend.
Maar zijn sarcasme is niet aan Miel besteed. Zo bezorgd als een kloek om haar laatste kuiken, verdwijnt hij richting lavatoire om even later te voorschijn te komen met zijn geliefde instrument stevig tegen zich aangedrukt.
" Oef,  t' is nog heel!!" zucht hij opgelucht.
" Neemt rap uw plaats in, dan kunnen we eindelijk vertrekken!" grommelt de schoolmeester kwaad. Hij zal pas gerust zijn als de korpsleden eindelijk opstappen.
Na nog wat trekken en duwen vanwege de alsmaar zenuwachtiger wordende schoolmeester geeft Peer, bij wijze van vertreksein, een enorme dreun op zijn instrument.
" Eén...twee...drie!!!!" Daar barst het voltallige korps los. Het is een lawaai dat horen en zien doet vergaan in het kleine steegje waar de poort van de repetitiezaal op uit geeft. Zodanig zelfs dat een per toeval voorbijkomend kwezeltje gauw een kruis slaat en een 'onze vader' prevelt omdat ze denkt dat het laatste oordeel is aangebroken.
Maar van zodra de groep de straat bereikt verglijdt de kakafonie tot een alleraardige, zij het wat forse versie van het nationale volkslied.
Het volk loopt te hoop en trots als een pauw steekt Fons de koster het vaandel in de hoogte, waarop Sint Cecilia, de schutsheilige van het korps, met een verheerlijkte uitdrukking op het gelaat naar haar beschermelingen luistert. De diepe indruk die deze prachtige afbeelding maakt wordt slechts lichtjes, maar dan ook slechts héél lichtjes, bedorven door de geruite lap die de plaats waar een mottenfamillie tot voor kort onder de rokken van Sint Cecilia gekampeerd heeft, zedig bedekt. Boven haar hoofd blikkeren, netjes op een rij gespeld, de medailles van de korpsleden om aan te geven dat deze muzikanten niet zomaar de eerste de besten zijn, maar veteranen uit de gelukkig reeds lang voorbije laatste oorlog.
Achter de koster bewerkt Peer zijn grote trom met zulk danig geweld dat het gevaarte hevig van links naar rechts schommelt en Peer, die ondanks zijn beroep nogal fragiel gebouwd is, noopt een route te volgen alsof hij nù reeds veel te diep in het glas gekeken heeft. Gelukkig wordt hij geflankeerd door twee, speciaal voor dit doel aangetrokken bengels die tot voornaamste taak hebben om Peer, telkens hij al te veel uit koers raakt, terug in het juiste spoor te helpen. Verder torsen deze jongste, maar onontbeerlijke leden, in hun jaszakken grote groene flessen waarmee de oudere fanfareleden onderweg hun kelen plegen te smeren.
En, al hebben zij aan deze verplichtingen hun handen vol, toch slagen zij erin om gedurig, naar het voorbeeld van Peer, uit alle macht een roffel te slaan op de op hun buiken hangende speelgoedtrommels.
Achter Peer en helemaal alleen op de derde rij van de stoet loopt Gaston, nog een beetje hinkend, geklemd tussen Peers overdonderend geweld en Miel's krachtige stoten op de bombardon, met bolle wangen de longen uit zijn lijf te blazen in een moedige maar tevergeefse poging om enige hoorbare bijdrage te leveren aan het gespeelde muziekstuk.
Naast Miel, ietwat afgescheiden van de andere leden van de vereniging, stapt de schoolmeester. Zich volledig bewust van het feit dat hij de drijvende kracht is achter dit vertoon. In zijn kielzog drentelt Mientje, zijn jongste spruit, met zichtbare tegenzin een overvolle mand proviand torsend.
Daarna komt de rest van de fanfare in een min of meer ordelijke troep en helemaal achteraan lopen de famillieleden en sympatisanten gezellig keuvelend, af en toe een kennis joviaal groetend en in het algemeen genietend van de aandacht van de rest van de gemeente.
De ommegangck eindigt op het dorpsplein waar, zoals elk jaar rond deze tijd, de jaarmarkt al in volle gang is.
Het is er een drukte van belang. Boeren die hun levende have reeds voor dag en dauw naar de marktplaats gedreven hebben en nu luidruchtig met mogelijke kopers onderhandelen. Marktkramers die hun waren met luide stemmen aanprijzen en natuurlijk een grote menigte koop- en kijklustigen.
Nadat de fanfare zich, niet zonder de hulp van de toegesnelde wetsdienaars, een weg geblazen heeft door de dicht opeengepakte marktgangers rept de meester zich naar voor en brengt de rest van de vereniging met een gebiedend gebaar tot stilstand voor de 'Barmhartige Samaritaan '. De herberg van Jozef Bulleman die, zoals elk jaar, samen met zijn Marie in het deurgat staat te wachten om de traditionele serenade van de dorstige muzikanten in ontvangst te nemen. En, ook zoals elk jaar, pinkt Marie na afloop een traan weg met de woorden:
" 'T is toch schoon, hé ! " waarop Jozef Bulleman, ook al volgens traditie, alle fanfareleden met een breed gebaar naar binnen wenkt met de memorabele woorden:
" Alléé, de eerste is voor mij !"
 
En terwijl de fanfareleden zich haastig van hun instrumenten ontdoen en deze naast de ingang tegen de muur stapelen, alvorens grif op de uitnodiging van Jozef Bulleman in te gaan, argumenteert Prosper Verniet, tot groot jolijt van de omstanders, aan de ander kant van het marktplein, wanhopig met zijn armen in de lucht gebarend, met de nogal eigenzinnig uitgevallen Fernand.
" Alléé, Fernand, zet U recht jong! Wat moeten de mensen nu van U denken?"
Maar Fernand doet of hij doof is en blijft parmantig midden op de rijweg zitten. Meer nog, hij grijnst al zijn tanden bloot en gunt Prosper en het toenenemend aantal kijklustigen de aanblik van een jarenlang verwaasloosde, geel en bruin uitgeslagen, eetkamer.
" Ge moest U schamen! Zo'n fratsen uithalen op uwen ouderdom! Gij koppige ezel!!" probeert Prosper nogmaals, helaas zonder resultaat.
" IiiAaaaahh...... IiiiAaaaahh !!!!!" balkt Fernand doodleuk, wat Prosper zo mogelijk nog woedender maakt dan hij al is.
Teneinde raad grabbelt Prosper de onwillige Fernand bij het niet onaanzienlijke zitvlak en begint uit alle macht te trekken. Totdat ten langen leste het zweet hem, van pure vermoeienis en terechte verbolgenheid, vanonder de blauwlakense pet in stralen langs het gelaat loopt en hij uitgeput naast Fernand, ezel zijnde in hart en nieren en lastdier van professie, op de stenen neerploft.
 
" Trekt dien ezel aan zijn oren!" roept één van de toeschouwers.
" Over welke hebt ge het? Die grote grijze met zijn lange oren of die met zijn lakense klak?" grapt Jan de koetsier vanop zijn hoge zitplaats, terwijl de arme Prosper zich de transpiratie met een rode bollekeszakdoek van het voorhoofd wrijft en het publiek ten volle geniet van het geboden spektakel.
Dat lachen is de druppel die de emmer bij Prosper, altijd al een heet gebakerd manneke, doet overlopen.
" Ha, gij wilt niet meewerken!" mompelt hij tussen zijn opeengeklemde tanden.
Met van toorn bliksemende ogen schiet hij zijn vest uit en stroopt vervolgens de hemdsmouwen op.
" Wacht maar kerelke!" tiert hij en wenkt één van de straatbengels die zich, dankzij stevig ellebogenwerk en ten koste van een groot aantal zere tenen onder de grote mensen, op de eerste rij  gedrongen hebben.
" Wilt gij een frankske verdienen, snotaap?"
De jongen knikt gretig van ja, voor een frank kan hij bij Mientje Drop een zak vol snoep kopen.
Prosper gaat naar zijn wagen, die volgestouwd is met allerhande rommel die hij hier op de markt hoopt te verkopen, en haalt een stevige stok tevoorschijn.
" Hier, geeft gij dien lastverkoper een paar ferme tikken op zijn achterste terwijl ik aan z'n oren trek.
Prosper zet zich aan de voorkant in positie en de bengel brengt zijn stok in de aanslag.
Het publiek houdt de adem in.
" Eén, twee...drie!" roept Prosper ten teken dat het offensief kan beginnen.
" Iiiiiiihh....Aaaaah!!!" protesteert de langoor.
" Hoeraaaa!!!" juicht de menigte als Fernand uiteindelijk zijn achterkant verheft terwijl hij wild met zijn achterpoten uithaalt om aan die venijnige stokslagen te ontkomen.
" Oeffff!!!" zucht Prosper opgelaten.
" Mijne frank !!!" eist de kwajongen terwijl hij demonstratief een niet al te propere hand uitsteekt.
Prosper schiet in zijn broekzak.
" Tien centiemen zal ook wel goed zijn zeker ?" zegt hij, het ventje een muntstuk in de hand drukkend en hem tegelijkertijd, met een flinke por, wandelen sturend.
Beteuterd staart het kereltje naar zijn armzalige beloning.
"Gij hadt een frank beloofd! Dat is niet eerlijk!" brult hij revolterend tegen het hem aangedane onrecht.
" Eerlijk ? Eerlijk ? " lacht Prosper bruut, ondertussen Fernand en aanhangende kar terug op gang brengend.
" Eerlijk duurt het langst om rijk te worden!"
De bengel, door zoveel onrechtvaardigheid tot in het diepst van zijn jonge zieltje getroffen, knijpt één oog dicht, zwaait de stok die hij nog steeds in de vuist geklemd houdt en slingert hem met grote expertise precies tegen het zich langzaam verwijderende achterhoofd van Prosper.
" Arrè! Dat zal U leren!" grijnst de deugniet voldaan waarna hij, zoals Napoleon na de slag van Austerlitz, zich triomfantelijk van zijn slachtoffer afwendt om kalmpjes naar zijn kameraden te slenteren.
Wat een kapitale fout blijkt in zijn strategie!
Prosper is, nadat hij de sterren die hem plotklaps om het hoofd draaien zorgvuldig geteld heeft, met één sprong bij zijn belager en grijpt de nietsvermoedende vandaal wraakzuchtig bij de lurven.
" Hier gij ettertje! Ik zal U leren grote mensen met stokken te bekogelen!" grauwt Prosper waarbij hij tegelijkertijd en niet te zuinig de ongelukkige bengel op een paar muilperen trakteert.
Maar de rakker, veteraan van tientallen schermutselingen laat zich niet onbetuigd en trapt Prosper, nog voor deze echt op dreef kan komen, venijnig tegen de schenen waardoor deze genoodzaakt is zijn prooi te laten schieten om, met beide handen zijn gehavende poot omvattend, rond zijn kar te huppelen.
Waarna de kwajongen het werk afmaakt door, op het ogenblik dat Prosper voor de tweede maal langs hem heen stuitert, met zijn volle gewicht en beide voeten bovenop de tenen van Prosper's enige nog ongehavende been te springen.
" Oeiioei!!! Aaw!.. Aiiai!"  foetert Prosper door het dolle heen terwijl hij, ondanks of misschien dankzij de hem folterende pijn, terug met beide voeten op de grond komt en het straatjong nogmaals vastgrabbelt om hem de pandoering van zijn leven te geven.
 
" AWEL !!!??? " klinkt het plotsklaps zo gestreng, zo dwingend dat Prosper tot geluk van de reeds in elkaar krimpende schavuit, de hand nog steeds hoog in de lucht geheven, verstijft.
" Alléé, alléé circulé !!" waarna de menigte uiteen wijkt om ruim baan te maken voor Flor Dekoninck, die zoals een veldwachter in functie betaamt, doodgemoedereerd, beide handen aan de koppel van zijn riem, langs het voor hem geopende pad struint. Om vervolgens, met priemend oog en opgetrokken wenkbrauwen uiterlijk kalm maar vol onbestemde dreiging, het tafereel in zich op te nemen.
" Wat gebeurt hier?"
" Dat snotjong, heeft het bestaan om een stok tegen mijn achterhoofd te keilen!" gromt Prosper en laat zijn knuist opnieuw richting bengel flitsen.
Teneinde alleen maar lucht te raken want de jongen heeft handig gebruik gemaakt van het ogenblik van onopletendheid om de plaat te poetsen.
" Ik krijg U nog wel, gierige pin!" roept hij, vuistschuddend, vanop veilige afstand alvorens tussen de benen van de omstanders te duiken en uit het gezicht te verdwijnen.
Prosper sprakeloos vol opgekropte woede achterlatend.
" Allà, dat is weeral opgelost! " besluit Flor voldaan.
Prosper bekijkt de man der wet eens vies en haalt diep adem om hem zijn gedacht te zeggen.
Maar Flor laat zich door zoiets niet uit het lood slaan en sist imminent vanuit zijn mondhoek, nog voor Prosper de kans krijgt om stommiteiten uit te halen:
" Pakt uwen ezel onder de arm en maakt dat ge weg zijt voor ik U een proces verbaal aan uw been lap!"
En er blijft Prosper niets anders over dan dit bevel braafjes op te volgen, want dit verhaal speelt zich af in de tijd dat zelfs een gewone dagdagelijkse gendarm nog respect afdwong bij de modale burger.
 
" Wat ben ik toch een goeie gendarm!" mompelt Flor zelfgenoegzaam de punten van zijn snor opdraaiend terwijl hij, nog steeds midden op de straat staand, de afdruipende Prosper nastaart.
" Hé, Zilverknopke! Uit de weg!" klinkt eensklaps de zware stem van Jan de koetsier die, nu het spektakel voorbij is, ongeduldig wordt.
" Wat ? Wat ?" stamelt Flor verbouwereerd.
"HU!!!"
Flor, terug op zijn positieven na de eerste schrik, draait zich majesteitelijk om.
" Uit de weg !" roept Jan de koetsier nog eens en spoort de paarden van zijn diligence met een klap van de zweep aan.
Flor wipt vanonder zijn kepie naar de kant van de weg om het vege lijf in veiligheid te brengen.
" Stop! Halt! HALT zeg ik!" roept hij de voorbijdonderende postkoets na.
Maar de Jan luistert niet.
Vol koleire raapt Flor zijn hoofddeksel, dat door de met ijzer beslagen wielen volledig is geruïneerd , op en zet met een sukkeldrafje de achtervolging in.
 
Onbewust van al deze gebeurtenissen zit Boer Coene wat verderop breeduit, meerschuimen pijp krampachtig tussen de tanden geklemd, met zijn zondagse donkerblauwe jas open over een geel geruite vest kompleet met zware gouden horlogeketting, van puur ongemak overdadig te zweten onder zijn hoge zwartzijden hoed naast Bertha, ook al op haar paasbest maar met haar onafscheidelijke witlinnen schort nog om de aanzienlijke lendenen en een roodgeblokte omslagdoek over de schouders, op een smal en wankel bankje in het kraam van Victor, de reizende kunstschilder, die op dit eigenste ogenblik bezig is het echtpaar voor het nageslacht te vereeuwigen.
Rond dit drietal heeft zich een aantal belangstellenden verzameld, waaronder een orgeldraaier en zijn aap die op weg naar een betere standplaats eventjes pauzeert, een man met een mand stoofappels waar een straatbengel, gebruik makend van 's mans onoplettendheid zich rijkelijk uit bedient. Een paar huisvrouwen in openlijke adoratie voor de kunstenaar en een groepje slampampers die toch niets anders te doen hebben.
" Hela, kladschilder, gaat dat hier nog lang duren?" roept boer Coene naar de portrettist terwijl hij ongedurig op zijn uurwerk kijkt.
" Stil, Tuur. " swauwt Bertha en stoot, ter ondersteuning van haar bevel, venijnig een elleboog tussen zijn ribben.
" Aw! "
" Tot dat het klaar is, hé boer!" antwoordt Victor onverstoorbaar. Hij knijpt één oog toe en tuurt met het andere langs een omhooggehouden penseel naar zijn modellen.
 
Mientje, de jongste spruit van de schoolmeester en aangesteld om een oogje te houden op de tegen de gevel gestapelde instrumenten van de fanfare, likt het laatste restje aardbeienjam van haar plakkerig geworden vingers. Schuift het glas, waarin de lekkernij zich bevond, met een zucht spijtig van zich af en kijkt om zich heen naar het vrolijke gewoel op de markt. Daar aan de overzijde van het plein staat het grote draaiorgel, helemaal versierd met gouden krullen en geschilderde bloemen. Een gordijntje schuift opzij. Een houten orkestmeester, in het uniform van een sergeant-majoor, onthullend die parmantig de maat van de melodie slaat terwijl twee trompetters, al eveneens kleurig uitgedost, geregeld het instrument naar de lippen heffen.Voor een klein meisje van amper tien lentes een onweerstaanbare aanblik en dus drentelt Mientje naar het verlokkende pierement waar ze vol bewondering, mond open van verbazing, niets merkt van het geratel van de postkoets die vlak voor de Barmhartige Samaritaan halt houdt.
Jan de koetsier springt van de bok en helpt, hand klaar om de verhoopte fooi in ontvangst te nemen, zijn passagiers met uitstappen. Kruipt daarna op het bagagerek en geeft pak en zak door naar de wachtende eigenaars.
Daar is hij nog maar pas mee klaar of Flor Dekoninck, rood aangelopen van inspanning, trekt hem aan de mouw.
" Daar heb ik U!" hijgt de vermoeide veldwachter triomfantelijk. Maar Jan schudt eens met zijn arm en gaat, zonder zelfs de pakkeman een blik te gunnen op weg naar de Barmhartige Samaritaan.
" Wel....hebt ge van uw leven...???" mompelt onze pakkeman hogelijk verbaasd over deze gang van zaken.
Maar dan grijpt hij vastbesloten naar zijn politiefluitje. Van alle kanten duiken plots uniformen op die onder leiding van Flor eensgezind op Jan aanvallen en hem dwingen zijn voortgang te staken.
Twee dienders houden Jan bij de armen vast en een derde klimt steels langs zijn rug naar zijn schouders terwijl Flor zich, op zijn breedst, vóór de koetsier plaatst.
" Awel, manneke, gij beledigt de openbare macht!" begint hij tegen de koetsier die nu wel genoodzaakt is om antwoord te geven.
" Ah ja ?" probeert Jan, die uitdrukkingen als 'openbare macht' niet in zijn vocabulaire heeft staan.
" Zo is het!" bevestigt Flor, kontent dat hij toch nog het laatste woord blijkt te hebben.
" Ik ga er ene pakken!" wijst Jan naar de ingang van de Barmhartige Samaritaan, de aan zijn arm hangende gendarm  zonder erg een halve meter van de grond heffend.
" Nee ! IK ga er ene pakken!" grimlacht Flor bij 'IK' zichzelf en daarna bij 'ene'  Jan op de borst wijzend.
Jan, aan wie de woordspeling volkomen verspild is, vervolgt zijn weg. Waardoor Flor, om te verhinderen dat hij onder de platvoeten van de koetsier terecht komt, schielijk verplicht is zich aan Jan's gilet vast te grijpen.
" Halt! Halt, zeg ik U!" tiert hij, zich langs buik en borst van de koetsier moeizaam een weg omhoog klauwend.
Ook Flor's collega's laten zich niet onbetuigd. De twee die aan Jan's armen bengelen, bengelen plots met verdubbelde inzet en die ene, die Jan langs achter beklom, heeft nu een komfortabel zitje gevonden op 's mans schouders waar hij aanstalten maakt om, matrak losjes in de hand, doorslaande argumenten te bezigen.
Vooraleer het echter tot baldadigheden kan komen, stapt Jan, het hoofd lichtjes buigend, door de deur van de Barmhartige Samaritaan. De twee aan zijn zij letterlijk tegen de deurposten van zijn armen stropend onderwijl de derde, het vege lijf voor erger  behoedend, van lieverlee het uithangbord van de herberg vastgrijpt. Flor is de enige die op zijn post weet te blijven tussen Jan's borstkas en de rand van de toog.
" Voor mij een pintje!" bestelt Jan.
" Heu...rheu..err....!!!."
" En geeft de Flor er ook ene." Gaat hij voort, want Jan is in de grond een brave vent.
 
Als Mientje eindelijk genoeg heeft van het draaiorgel en zij in schuldig plichtsbesef terugkeert naar haar post bij de instrumenten van de fanfare bezorgt de uithangbordgendarm met een zachte plof zijn twee juist rechtkrabbelende confraters een stevige hoofdpijn.
 
"Voilà!!!" met een breed gebaar steekt kunstenaar Victor zijn penselen in de pot met terpentijn.
" 'T is gereed!" kondigt hij aan.
" Hoe schoon!" zucht een huisvrouw vol admiratie.
" Nie slecht, nie slecht!" geeft één van de slampampers, als een echte kenner, toe.
" Alleé, madam! Boer Coene! Wilt gij uw portret niet zien?" roept Victor naar zijn modellen die nog steeds zonder een vin te verroeren op het bankje zitten.
" Is 't af?" vraagt vrouw Coene gretig.
" Snurk...?"
" A ja, dat zeg ik toch!" antwoord Victor een beetje ongeduldig.
" Mag ik dan eindelijk bewegen?" vraagt Bertha voor alle zekerheid, want ze wil absoluut niets doen waardoor het portret zou kunnen mislukken.
" Snurk...."
" Tuur!....Tuur!!" stoot Bertha haar ingedommelde echtgenoot aan.
" Snu...Euh?..euh..wat is er?"
" 'T is klaar! Het portret is klaar!" juicht Bertha.
Eindelijk, na vijfentwintig jaar van gestaag pleiten en zagen, soms zelfs bidden en smeken, gaat haar wensdroom in vervulling. Een schilderij van haar en haar echtgenoot om boven de schouw te hangen!
Licht als een deerne van amper twintig lentes springt zij op!
Om dan, met een veschrikt: "Aai!!" en één hand aan haar pijnlijke rug, terug op het in al zijn voegen krakend bankje te vallen zodat Tuur, die nog een beetje slaperig zijn positieven aan het bijeenzoeken is, van de weeromstuit rechtop gekatapulteert wordt.
" Wat is er? Wat is er?" vraagt hij ongerust aan zijn wederhelft, die nog steeds zit te kreunen.
" Oeioei, er is iets in mijne rug geschoten!" jerimiëert Bertha.
" 'T is toch geen waar hé!"
" Scheelt er iets?" mengt Victor zich bezorgd in het drama.
"Miljaar, miljaar! En juist met de jaarmarkt! Hoe moeten we nu thuis geraken?" vloekt boer Coene ridderlijk, tewijl hij radeloos om zich heen kijkt en even later, zonder Victor's meesterstuk een blik waardig te gunnen, tussen het gewoel op de markt verdwijnt.
" Alleé, waar gaat die naartoe?" vraagt Victor verbouwereerd aan de slampamper-kunstkenner die toevallig naast hem staat.
" Als hij maar terugkomt!" antwoordt de kerel twijfelend .
" Waarom?"
" Omdat gij anders met uw schilderij én zijn vrouw blijft zitten...." Grijnst de vent vol leedvermaak.
 
Prosper Verniet trekt de klak van zijn hoofd, haalt zijn bollekeszakdoek tevoorschijn en veegt het eerlijke zweet van zijn aanschijn.
Hij hangt Fernand de voederzak om de hals en blokkeert de wielen van zijn kar zodat de nog altijd ingespannen ezel geen stapje in de wereld kan zetten zonder zijn uitdrukkelijke toestemming.
" Alla, zover zijn we weeral! " mompelt hij zachtjes voor zich uit.
Voldaan bekijkt hij het resultaat van zijn arbeid. Bovenop een oud versleten tapijt staat zijn hele handel uitgestald. De grote koopwaar, zoals de dekenkist en het hobbelpaard, staan achteraan. Het borstbeeld van Julius Cesar, het portret van Napoleon, de bombardon en de paraplubak bezetten het midden en de prutsen, van een botte schaar via een stel nogal sjofele boeken tot het kruisbeeld, de trompet en de olielamp prijken helemaal vooraan. Een vergulde kader en een grammofoon, Prosper's pronkstukken, houdt hij vlak bij zijn zitplaats onder de wat scheefstaande vissersparaplu. Als hij voor één van die twee dingen een koper kan vinden, is zijn dag goed!
" Hoeveel voor die kist?"
" Vijftien frank, meneer. Een koopje!"
" En dat hobbelpaard?" Prosper voelt het aankomen. Deze klant gaat niks kopen. Daarom slaat hij er maar een slag naar.
" Da's duurder! Daar heeft de zoon van de zuster van de meid van onze koning nog op gezeten. Zo 'n stuk moet minstens...." Prosper tuurt even schattend naar de vraagsteller. " Zestien frank opbrengen!"
" Zestien frank? Gij zijt zot zeker? Een nieuw kost nog niet de helft!"
" Ah ja, maar dat is dan ook geen antiek, hé!"
" En ook nog niet vol leven zoals dat vermemeld ding daar!" schimpt de man terwijl hij naar het volgend kraam slentert.
Prosper Verniet haalt meesmuilend zijn schouders op.
De tijd verstrijkt. Van tijd tot tijd slaagt Prosper erin het één en ander te slijten. Zo is hij toch nog van zijn hobbelpaard af geraakt aan een trotse, nog feestvierende en ietwat aangeschoten, kersverse vader op zoek naar het ideale geschenk voor zijn pasgeboren eerste spruit.
" Hoeveel voor die kar?"
" Heu...watte?" vraagt Prosper die nog nageniet van de manier waarop hij de nieuwe papa overtuigd heeft om het schommelpaard te kopen.
" Hoeveel voor die kar en die ezel daar!" verduidelijkt boer Coene ongeduldig.
" Die zijn niet te koop, meneer!" antwoordt Prosper naar waarheid.
" Alles is te koop! Noem een prijs of ik ga op een ander!" sneert Tuur kortaf. Prosper van zijn kant riekt een zaakje.
" Hondervijftig frank? " waagt hij.
" Honderd!" biedt boer Coene. Hij mag dan al haast hebben, maar toch ook weer niet zoveel dat hij vrijgevig wordt.
" Honderveertig! Lager ga ik niet!" replikeert Prosper.
" Honderdentien!"
" Honderdvijftien en we doen zaken." Besluit Prosper. Boer Coene weifelt nog even, maar dan valt zijn oog op de vergulde kader. Ideaal om het zopas gekonterfijte portret van Bertha en hemzelf in onder te brengen.
" Hondervijftien voor de kar, de ezel en die kader daar!" wijst hij.
" Ha nee! Die alleen is al vijftig frank waard." Protesteert Verniet, gebelgd dat boer Coene zoiets ook maar durft voorstellen.
"Honderdvijfentwintig voor alle drie, handje kontantje!"
Prosper bekijkt de boer. Loert naar Fernand die al niet meer van de jongste is. Schat dat de kar eigenlijk toch aan vervanging toe is en weet dat hij die kader maar vijf frank betaald heeft.
" Top!" zegt hij en bezegelt de koop met een handslag.
" Zal ik de koopwaar opzij zetten of is het om direct mee te nemen?"
" Gelijk meepakken!" zegt boer Coene en voegt de daad bij het woord.
 
" Allee, mannen, allemaal tegelijk!" commandeert boer Coene zijn helpers,Victor en de slampamper-kunstkenner die is blijven rondhangen in de hoop een zakcentje te kunnen bijverdienen.
" Aiai, dat gaat zeer doen!" jammert Bertha vanaf het wankele bankje in Victors kraam.
" Bijlange niet!" sust Tuur haar. Alhoewel zijn gezond verstand hem het tegendeel vertelt.
" Van a één, a twee...." en op "drij" heffen zij, de van schrik bleek weggetrokken sukkel op de gereedstaande kar.
" Auuuww!! Oeioei!!!" krijt de het arme mens uit volle borst en zij blijft luidkeels jeremiëren als boer Coene de kar rammelend over de kinderkopjes van het marktplein voert.
" Stop Tuur! Stop!" het is, aangetrokken door andermans miserie, de pastoor die zich komt moeien.
" Zo kunt gij uw Bertha toch niet vervoeren!"
Tuur bekijkt de moeial alsof  hij het in Keulen hoort donderen.
" Ik kan ze toch ook niet dragen, hé!" wijst Tuur op de omvangrijke Bertha.
" Ge moet eerst haar pijn verlichten!"
" Hoe dan?" vraagt praktische Tuur.
" Tja, dat weet ik ook niet." Geeft de pastoor schoorvoetend toe.
Maar dan ziet boer Coene een mogelijkheid om het nuttige aan het aangename te koppelen.
Hij duikt de Barmhartige Samaritaan binnen en komt even later terug met één fles oude klare in de hand en een andere in zijn jaszak.
" Als ze slaapt voelt ze geen zeer meer, hé?"
" Dat denk ik niet."
" Van jenever valt ze in slaap!" verklaart hij de verbaasd kijkende priester en giet en passant zijn vrouwmens  een ferme geut in het keelgat.
" Maar Tuur toch, daar gaat zij een kater zo groot als een huis aan overhouden!" waarschuwt de zieleherder, vreselijk bezorgd om het welzijn van één van zijn trouwste schaapkes.
" Dat is niet erg!" schokschoudert Tuur.
" Ha, nee?"
" Ze ziet graag beesten."
 
Langzaam verglijdt de dag in de nacht.
De kermisgasten sluiten hun kramen en de marktkramers beginnen hun geld te tellen.
Prosper is tevreden. Al bij al mag hij niet klagen. De dekenkist is hij kwijtgeraakt en van de grammofoon heeft hij een goede prijs gekregen. Alleen op het borstbeeld van Julius Cesar heeft hij geen winst gemaakt.
Prosper staat moeizaam van zijn klapstoeltje op en begint zijn handel in te pakken.
Het portret van Napoleon, de boeken en de trompet draait hij samen met de rest van zijn snuisterijen in het tapijt, waarna hij de beide uiteinden dichtknoopt en de ganse bundel met een stevig touw op zijn rug bindt. De olielamp duwt hij, tesamen met het kruisbeeld en omwikkeld met wat lappen, in de kolenkit.
De vissersparaplu balancerend op zijn schouder, klapstoel in de ene en kolenkan in de andere hand strompelt hij zuchtend en kreunend onder de zware last langs de lage weg naar de hei waar de septembernevels reeds uit de vochtige weilanden langzaam naar omhoog kronkelen zodat Prosper al na enkele meters in de stilaan dichter wordende mist verdwijnt.
 
Boer Coene is op dit eigenste ogenblik al een heel eind de hoge weg op, maar helaas nog lang niet thuis. Dat komt omdat Fernand van tijd tot tijd genoeg krijgt van het zware werk en, naar aloude gewoonte, op eigen houtje een welverdiende rustpauze inlast. Wat boer Coene de eerste keren een verhoogde bloeddruk en Fernand een paar ferme trappen tegen zijn achterste opleverde, maar stillekensaan toch tot een concensus tussen de twee koppigaards verwordt zodat Fernand, uit respect voor zijn pijnlijke bilpartij, minder rust en boer Coene, om zijn bloeddruk op een aanvaardbaar peil te houden, de onvermijdelijke wachttijd kort met een paar deugddoende slokken uit zijn jeneverkruik.
Bertha van haar kant ligt plat achterover, het dierbare meesterwerk stevig in de armen geklemd, haar roes uit te snurken in de laadbak als vanuit de dichte nevels plotsklaps een meer dan levensgrote duisterdreigende gestalte grommend en grauwend  boer Coene de stuipen op het lijf jaagt.
 
De tijd verglijdt.
Van de jaarmarkt blijft niet veel meer over dan wat rondslingerende rommel en hier en daar een koeievlaai.
Stilaan doven één voor één de lampen achter de ramen van de huizen rond het marktplein. Vleermuizen scheren langs de gevels en maken toevallig passerende muggen en motten het leven zuur. Hier en daar slaat een eenzame waakhond aan.
Een rat met grootheidswaanzin eindigt, na een heroïsch gevecht als hoofdschotel voor één van de straatkatten die stil tussen de vuilnisbakken in de steegjes sluipen.
De klok in de kerktoren slaat één uur, als Jan de koetsier arm in arm met Flor Dekonick de Barmhartige Samaritaan uitwaggelt.
" Verdorie! Het is al donker!... En het mist ook nog!" stelt Jan, met dubbele tong,  hoogstverwonderd vast.
" En dan? " vraagt Flor, evenzeer een tikkeltje onduidelijk in zijn uitspraak.
" Ik ben bb..bang in het donker!" fluistert Jan vertrouwelijk in het oor van zijn kameraad zodat het drie straten verder nog te verstaan is.
Flor is even bezig met zijn trommelvlies voor hij schamper lacht.
" Bang? Gij zoudt een slechte gendarm zijn!"
" Zijt gg..ij dan nooit bb..bang?" vraagt Jan gepikeerd.
" Bang? Dat woord staat niet in onze woordenboek!" stoeft Flor.
Jan betracht een diplomatisch zwijgen maar zijn wenkbrauwen schieten ongelovig de hoogte in.
" Gelooft ge mij soms niet?" stuift Flor op.
" Toch wel, toch wel...."
" Ge gelooft mij niet! Ik zie het aan uw ogen!" sneert Flor en trekt meteen zijn sabel uit de schede aan zijn zijde.
Jan wijkt voorzichtig een paar stappen achteruit.
" Pas op, daar kunt ge U lelijk mee snijden!" maant hij Flor.
Maar Flor luistert niet en plaatst met een wijds gebaar, een circusartiest waardig, het wapen met de punt op zijn neus.
" Amai, dat is straffe toebak!" oordeelt Jan gedegen onder de indruk.
" Da' s nog niet alles!" snoeft Flor en loopt, een weinig wankel, met het wiebelende steekwapen op de punt van zijn reukorgaan in de rondte.
" HELP!" schalt het eensklaps door de mist. Waardoor het vlijmscherpe zwaard van Flor's tomaatneus ritst.
" Wa...wat was dat?" bibbert Jan geschrokken.
Flor zegt niets. Die heeft het te druk met vol ontzetting naar de, op amper een haar naast zijn grote teen rechtop tussen de keien staande, nog natrillende houwdegen te staren.
" Help! Help!" klinkt het alweer en tegelijkertijd duikt de totaal verbouwereerde en grotendeels verfomfaaide boer Coene uit de nevels op.
" Ik...ik..." hijgt boer Coene helemaal buiten adem terwijl hij Flor om de nek valt die hierdoor gevaarlijk naar achter overhelt.
" Awel, wat gebeurt er?" vraagt Flor, ondanks de lichte evenwichtsstoornis, op slag en stoot weer helemaal op en top veldwachter.
" Ik....ik heb een monster gezien!" stottert Tuur.
" Een monster? Zijt ge zeker dat het geen roze olifant was?" vraagt Flor wantrouwend want Tuur stinkt uren in de wind naar jenever.
" Bestaan er dan roze olifanten?" vraagt Jan, maar geen van beide anderen neemt enige notie van deze interpellatie.
" 'T was groot en lelijk... en 't gromde als een beer!"
" Heeft uw Bertha dat gedrocht ook gezien?" informeert Flor nuchter.
Boer Coene slaat zich van pure alteratie met de vlakke hand tegen het voorhoofd.
" Miljaar! Rats vergeten!"
" Wie vergeten? Wat vergeten?"
" Awel, Bertha!!! Bertha ligt nog vanachter in de wagen!"
" Amai, als dat monster dan maar niet verschiet." leeft Jan mee.
 
Alhoewel Jan de koetsier, groot en sterk als hij is, niet echt zit te springen om kennis te maken met een monster en Flor evenmin veel goesting heeft duurt het amper tien minuten voor zij besluiten om samen met boer Coene een reddingsexpeditie op touw te zetten.
" Maar, " overweegt Jan. " We zijn maar met ons drieën! Is dat niet wat weinig om zo'n gedrocht te belagen?"
Veldwachter Flor en boer Coene zien de waarheid van deze overweging in.
" Jozef!" bedenkt Flor glunderend.
" We vragen Jozef Bulleman mee, die is gewoon om met lastige klanten af te rekenen!"
Zo gezegd, zo gedaan en het drietal begeeft zich eensgezind naar de Barmhartige Samaritaan.
" Gesloten!" grommelt Flor als hij aan de deurknop rammelt.
" Wat nu?" vraagt boer Coene.
" Er brandt nog licht!" wijst Jan.
" Ik zal eens kloppen!" en Flor voegt de daad bij het woord.
" We zijn gesloten!" blaft een stem vanachter de deur.
" 't Is een noodgeval!" roept Flor terug.
" Ga maar tegen de muur van de pastorij!"
" Da' is 't nie!" keelt Flor terug.
" Wat is 't dan wel?"
" Awel, een noodgeval! Milledju!!"
" Ah, dat is wat anders!" waarna de deur van de Barmhartige Samaritaan openzwaait en Jozef Bulleman breeduit, met de handen in de zij, de drie smekelingen verstoort aanstaart.
 
We vinden de vier moedigaards, na veel uitleg, terug op de hoge weg een eindje buiten het dorp terwijl ze voetje voor voetje voortsukkelen door een dikke erwtensoepachtige nevel, enkel bijgelicht door het bleke licht van een halfwassen maan en een amechtige stallamp.
" Aaahh!!" Jan de koetsier laat pardoes de lantaarn uit zijn pollen vallen.
" Wat is er ?"
" Daar..  daar bb..beweegt iets!!" bibbert Jan terwijl hij naar de kant van de weg wijst.
" Ik zie niks!" fluistert Flor.
" L..luister!" en inderdaad een gestaag: "Krs...krk...klop...krsk....klop..." komt hen tegemoet gezweefd.
" Voetstappen!" prevelt Flor.
" Kr...krs..klop...krss..krk...klop..."
" Het...het kkk..komt dichter!!!!" stamelt boer Coene aanstalte makend om het hazenpad te kiezen.
Jozef Bulleman kan hem nog juist bij de panden van zijn jas grijpen.
" Hier blijven gij! Het is ùw vrouw die we zoeken!"
" Klop..Krs..Krss...."
" Z...zeg, mannekes, w..wat nu?"
" We..we moeten gaan kijken!" beslist Flor, zij het niet van harte.
Na wat trekken en duwen schuifelt het viertal, met de koetsier onwillig voorop, dapper een volle meter vooruit.
" Op mijn teken vallen we aan!" kommandeert Flor terwijl hij zijn degen in de aanslag brengt.
" Klaar?"
" Euh...."
" Slik!"
" Als't moet ..."
" En avant!!!" brult Flor en stormt onvervaard de dichte mist in.
Als Jan, Tuur en Jozef Bulleman na verloop van tijd eens stillekens komen kijken of er nog gevaar dreigt likt een vriendelijk koebeest net Flor's kale kop, terwijl die hulpeloos spartelend in de pinnekesdraad zijn zondags uniform ruïneert.
" Haalt mij hier uit!" beveelt Flor met weidse armgebaren om het stuk veestapel van zijn lijf te houden.
Het heeft heel wat voeten in de aarde om Flor uit zijn netelige positie te bevrijden en het verliefde koebeest ondertussen op afstand te houden. Ten langen leste plukt Flor de laatste haak uit zijn tenue terwijl Jan met inzet van al zijn krachten de omheiningsdraad uit elkaar houdt als in de verte plots het geëxhalteerd gebalk van Fernand klinkt op de voet gevolgd door een ijselijke, lang aangehouden, door merg en been snijdende gil.
" God in den hemel...." Mompelt Jozef Bulleman en slaat in de gauwte een kruis of zes.
" Bertha....???!!!!" Snikt boer Coene geschokt.
" Daar zit iemand vreselijk in de piepzak!" concludeert Jan op de hem zo eigen wijze.
" Hier ook!!!" grauwt Flor terwijl hij voor de tweede keer hulpeloos in de prikkeldraad bengelt en zijn aanbidster van de gelegenheid gebruik maakt om hem haar genegenheid opnieuw te betonen.
" We moeten verder!" beveelt Flor uiteindelijk terwijl hij wat er nog van zijn tenue overblijft fatsoeneert, nadat hij met bliksemende ogen en schroeiend verwijtende blikken Jan enige schaamte heeft proberen bij te brengen.
Wat uiteraard nogal lastig is omdat, ondanks de ernst van de situatie, het onderwerp van zijn woede over de grond rolt met een lachstuip.
Flor's nieuwe vriendin loeit nog een laatste " Meuhh!!!" ten afscheid en wuift met haar staart het viertal verdrietig na als zij even later op een drafje door de nevelslierten opgeslokt worden.
 
" DE WAGEN!" krijt Tuur.
" Welke wagen?" vraagt Jan. Want nergens in de dichte mist, waar zij nu al meer dan een uur in rondploeteren, is een spoor van het vermelde vehikel te bekennen.
" Hij is weg!!!"
" Ha, dan is het goed! Ik dacht al dat er iets aan mijn ogen mankeerde!" zucht Jan opgelucht.
" Zijt ge zeker dat gij hem hier hebt achtergelaten?" wijfelt Flor.
" Op 't kruispunt met de lage weg!" wijst Tuur. " Fernand, dien ezel, had juist weer één van zijn kuren en stond te balken dat het niet meer schoon was!"
" Wat nu?" vertolkt Jozef Bulleman hun aller gedachten.
" Zou het monster...?" begint Jan.
" Watte?"
" Awel, ge weet wel..." gaat de koetsier ongemakkelijk verder.
" Ik weet niks!" bijt Tuur kortaf.
" Ze..euh..alla...opgepeuzeld kunnen hebben?" eindigt Jan. Zijn stem niet meer dan een bang gefluister.
" Dan moet dat gedrocht een verschrikkelijke honger gehad hebben!" stelt Flor smalend vast.
" Of ze misschien meegesleurd naar zijn hol!" bedenkt Jan nu.
" Dan moeten er sporen zijn!" Flor begint op handen en knieen de grond te verkennen.
" Hier!" roept hij al na een paar seconden.
" Karresporen!" wijst hij triomfantelijk.
" We moeten ze volgen!" vindt boer Coene.
" Denkt ge?" twijfelt Jan.
" Ik kan niet zonder mijn Bertha!"
Jozef peinst aan zijn eigen Marie en wenste dat hij er ook nog zo over zou kunnen denken.
" Straks moeten de koeien gemolken worden!" verduidelijkt boer Coene terwijl de vier onder leiding van de veldwachter resoluut de achtervolging inzetten.
 
" Spannend hé?"
" Hoe dat?" vraagt Flor over zijn schouder terwijl hij voor de zoveelste keer door zijn knieen zakt om het spoor te inspecteren.
" Precies Winnetou en Old Shatterhand!" zegt Jan die ooit eens een boek van Karl May gelezen heeft.
" Die lieten hun strijdmakkers tenminste niet in de steek!" gromt Flor, het voorval met de koe nog vers in het geheugen.
" Miljaar! Miljaar!"
" Wat is 't" vraagt Tuur geschrokken.
" Dien ezel van u heeft hier iets laten vallen!" vloekt Flor.
" Da's goed!"
" Goed? Ik ben er middenin gaan zitten!"
" Da 's spijtig!" vergoelijkt Tuur. " Maar het betekent dat althans Fernand nog leeft!"
" Al kan die morgen uw koeien niet melken!" riposteert Flor venijnig.
" Zeg, mannen!" komt Jozef Bulleman tussen. "Hier ligt een plasken!"
" Dat zal dan ook wel van Tuurs ezel zijn!"
" Neeje, bloed me dunkt!"
Vol afgrijzen staren de vier trawanten elkaar aan.
" 'T is geen waar hé!??" slikt Flor.
" Bertha!" handenwringt boer Coene.
" Ge gaat uw koeien zelf moeten melken..." peinst Jan hardop.
" De aarde is helemaal omgewoeld!" gaat Flor verder, terug op handen en voeten over het pad kruipend.
" Een halve kruik jenever!" kondigt Flor even later aan.
" Da's de mijne!" roept Tuur.
" Ik kan wel een slok gebruiken!" smakt Jan verlangend.
" In stukken gebroken!" verduidelijkt Flor.
" Zonde!"
" Hier is... precies gevochten!" konkludeert Flor met een bang stemmetje.
" Ik peins het ook!" geeft Jozef Bulleman spijtig toe.
Met een bang hart en lood in de schoenen volgen de vier vrienden het spoor verder in de donkere nacht.
 
" Halt" fluistert Flor en blijft pardoes stokstijf staan waardoor Tuur tegen hem opbotst en Jan, die samen met Jozef Bulleman de achterhoede vormt, over hen beide heen valt.
" Daar!" wijst Flor als hij zich uit de melée bevrijdt heeft. Ze bevinden zich nu midden in het bos,aan de rand van een kleine open plek waar de mist minder prominent aanwezig is en af en toe één enkele verdwaalde manestraal de sinister donkere vorm van een lage scheefgezakte krocht verlicht.
" Dat is Tuurs kar!" fluistert Jozef stillekens.
" Met Fernand !" prevelt Flor.
" En... het monster!!!!" lispelt Tuur, want van schrik heeft hij op het puntje van zijn tong gebeten.
" Amai, wat een gedrocht! Groot en dik, kromme beentjes!"
" En wat een bochel! Ge ziet haast geen hoofd!"
" Wat doet het daar?"
" Het sleurt iets uit de wagen!" Boer Coene's gelaat wordt helemaal wit van afgrijzen als hij zich realiseert wat deze woorden betekenen.
" Bertha! Bertha is alles wat er in de wagen ligt!"
" Blijft van mijn Bertha!" schreeuwt Tuur. Totaal over zijn toeren stormt hij zonder verder nadenken op het monster af.
" Wat nu?" vraagt Jan terwijl hij boer Coene nakijkt.
" We zullen hem moeten helpen!"
" En we moeten ons haasten, want hij is zojuist bovenop die bult gesprongen!" besluit Flor terwijl zij zich willens nillens achter Tuur aan reppen.
Jozef, die als eerste van de hulptroepen arriveert neemt een snoeksprong naar de benen van het misbaksel dat afgeleid door het gekriebel op zijn rug zijn last heeft laten vallen en verstrooid een stapje opzij zet, waardoor Jef, op zijn buik doorschuivend, tussen de aanstormende overzetters van Flor terechtkomt. Zodat de welgemikte openingsslag van Flor's matrak het hoofd van het grote mormel mist maar Tuur, die nog vol overgave op de schoft van het monster bengelt, stevig op het achterhoofd raakt. Gelukkig plukt Jan, die niet zo gauw een vrij plaatsje in het gedrang kan vinden om zijn steentje aan het gevecht bij te dragen, hem uit het wriemelende kluwen.
" Zorgt gij maar voor uw Bertha! Dan help ik Jef en Flor wel om dat beestgeval klein te krijgen!" voegt hij de half verdoofde nog spartelende, bij zijn kraag omhoog gehouden, boer Coene vriendelijk toe. Waarna hij zich in het strijdgewoel waagt en vuisten als voorhamers vakkundig, met een eigenaardig blikkerig lawaai tot gevolg, op de rug van zijn tegenstander doet neerdalen.
 " Miljaar, die heeft een rug van ijzer!" vloekt Jan terwijl hij zijn handen als kolenscheppen rondzwaait in een poging de pijn ietwat te verlichten.
Ondertussen geraakt Jozef Bulleman eindelijk recht om, helaas, terstond weer neer te gaan daar het gedrocht dit hele gedoe niet lijdzaam ondergaat en met degelijk vuist- en voetenwerk de nodige voltreffers weet te plaatsen.
Maar de overmacht is uiteindelijk toch te groot en stilaan zijgt het monster ter aarde waar het rochelend buiten adem blijft liggen.
Jan wrijft zich de zere knuisten en Flor steekt zijn matrak alweer weg als Jozef, pas terug op de been, plotsklaps, als door de bliksem getroffen, zonder ook maar een kik te geven, plat voorover op zijn gezicht valt.
" Arrè! Dat zal U leren!" hoort Jan nog vooraleer hij, op zijn beurt, door een geweldige stoot in de maagstreek dubbel klapt en tijdelijk alle interesse in wat er rond hem heen gebeurt verliest.
" En gij, stukske gendarm! Ge moest U schamen!" kijft de razende furie die met een bezem in de ene hand en een deegrol in de andere de verbouwereerde veldwachter ongenadig op zijn donder geeft zodat de arme man geen andere keuze overblijft dan hals over kop het hazenpad te kiezen.
Boer Coene, bij zijn Bertha gezeten, springt gehaast recht om zijn makkers in het uur van de nood bij te staan. Maar vergeet dat hij, om niet in het tumult verward te raken, met zijn ega onder de kar gekropen is zodat hij, in volle vaart, met zijn schedeldak tegen de onderkant van de wagen botst. Deze eerst een halve meter omhoog tilt alvorens, net als zijn kameraden, door de knieën te gaan.
 
Het wordt stilaan licht, als Flor eindelijk vaart durft minderen en bemerkt dat hij geheel alleen en veilig over de lage weg struint. Buiten adem, piepend als een oude scharnier, voorover gebogen tot stilstand komt en verre van tevreden met zichzelf is.
Terstond, van zo gauw hij terug op adem is, haast zonder spoor van twijfel rechtsomkeer maakt en zich terug naar de plekke des gevaars begeeft. Een moedige daad die vele mindere mannen in zijn situatie niet gesteld zouden hebben.
Een kwartiertje later staat hij aan de rand van de open plek, die in de eerste zonnestralen haar sinistere karakter totaal verloren heeft en eerder een idyllische indruk maakt. Een laag huisje overgroeid met bloeiende kamperfoelie, een pittoreske waterput, een goed onderhouden groententuin en Jan, Jozef en Tuur, broederlijk tegen elkaar aanleunend, snurkend op een bank tegen de muur naast het venster met rood en wit geblokte gordijnen, in het warme zonnetje. Flor knijpt zichzelf een paar pijnlijk blauwe plekken alvorens hij zijn ogen durft te geloven. Zelfs Fernand de ezel staat een eindje verderop tevreden te grazen in een keurig omheinde weide.
Daar gaat de deur van het stulpje open en verschijnt Bertha, gezond en wel, op de drempel.
" Ha, veldwachter! Blij dat ge terug gekomen zijt! We hebben juist koffie gezet! Wilt gij ook een bakske?"
 
Als Flor, opgepord door zijn drie strijdmakkers die bij het horen van Bertha's vriendelijke uitnodiging wakker geworden zijn, de deur van het hutje opendoet komt een aroma van straffe koffie, versgebakken brood, spek en eieren hem tegemoet.
Aan de tafel zit Prosper Verniet een Egyptische mummie te imiteren terwijl Leonie, zijn madam, met een groot mes dikke plakken brood afsnijdt en deze doorgeeft aan Bertha die er een ferme klod boter op uitsmeert.
" Ha, daar is dat stukske gedarm eindelijk terug!" lacht Leonie en Flor krimpt ineen als hij het angswekkende stemgeluid herkent van de razende furie die hem nog maar een uurtje geleden zo ongenadig op zijn donder gegeven heeft.
" Leonie! Waarde't gij dat??" stamelt Flor helemaal van zijn à propos.
" Ik dacht dat gijlie mijne Pros aan het vermoorden waart! Nogal wiedes dat ik die arme sukkel ben komen helpen. Ik stond toch al achter de deur met mijn deegrol in de aanslag om hem zijn vet te geven omdat hij weer veel te laat thuis kwam!"
" Was dat monster Uw Prosper????"
" Mmmmhh.....mmmhh." gestikuleerd de mummie heftig.
" Hij zegt ja." Vertaalt Leonie.
" Mmmmm..mmm...hmmm...mmmm"
" En dat hij u dat pak rammel nog betaald zal zetten."
Het begint Flor zodanig te duizelen dat hij er eventjes moet van gaan zitten.
" Kan...euh....kan er iemand uitleggen wat dit alles te betekenen heeft?"
Het is Jan die begint.
" Ziet ge champetter, het is allemaal een soort misverstand...."
" Ja, eigenlijk een beetje mijn schuld..." bekent Tuur.
" En van die kruik jenever die ge soldaat gemaakt hebt!" beschuldigd Bertha hem.
" Ja, maar...het was koud!"
" Ziet ge, Flor, toen Prosper zijn kar aan boer Coene had verkocht moest hij 's avonds met zijn hele handel te voet naar huis. Hij vond dan niet beter dan het allemaal in zijn tapijt te rollen en de hele zwikzwak op zijn rug te binden." Verduidelijkt Jozef.
" En toevallig kwam hij Tuur op het kruispunt met de lage weg tegen!"
" Daar is dat hazenhart zo van geschrokken dat hij in één trek terug naar het dorp is gelopen!" schokt Leonie lachend.
" En die ijselijke kreet?" herinnert Flor zich.
" Hmm..dat was ik!" valt Bertha in.
" Toen ik dat mons...."
" Mmmmhh..mmmm...mmhhh!" protesteert Prosper heftig.
" Wat wil hij zeggen?" informeert Flor aan Leonie.
" Dat hij helemaal geen monster is. En nog een paar dingen, maar die ga ik hier niet herhalen!" antwoordt Leonie, haar echtgenoot bezwerend aankijkend.
" .. alla Prosper... over mij heen gebogen zag ging ik door de rooie!"
" Maar de kar was weg toen wij er aan kwamen!!???"
" Natuurlijk! Wat kon mijn arme Prosper anders doen? Hij kon Bertha daar toch niet moederziel alleen laten liggen? Het mens lag van hare sus!"
" Ah...ach...zo, ja..."
" Awel, dus toen heeft hij haar naar hier gevoerd!"
" Maar...dat bloed dan?"
" Dat?? Da's van Fernand!" verklaart Jan.
" Van Fernand?"
" Die kapotte kruik? Daar is Fernand bovenop gaan staan."
" Da's alles?"
" Da's alles!"
 


Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.