Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Humor
Geplaatst:
9 januari 2009, om 13:59 uur
Bekeken:
1311 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
183 [ download ]

Score: 1

(1 stem)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Michel"


" Dat zijn nogal schoon tekeningskes, hé Marieke?"
" Precies echt!" zucht het kind, diep onder de indruk, zonder op te kijken naar meneer Fideel die vanuit het deurgat van zijn boeken- en prentenwinkel een oogske op de marchandise houdt.
" Jaja..." lacht Fideel genoeglijk. " 't Zijn stuk voor stuk kleine kunstwerkskes! Nie waar meneer de schepen?" richt hij zich tot een klant in een lichtblauwe overjas met een chapeau buse op het hoofd die onder zijn ene arm een grote bruine boekentas klemt en aan de andere een stevige paraplu heeft hangen.
" Bedoelt ge die etsen van Karel Van Genechten?" antwoordt de aangesprokene ietwat verstrooid.
" Juist!"
" Ja, die vent die kan er wat van!" geeft meneer Valies toe terwijl hij alweer met lichtjes bijziende blik naar de bladzijden van een foliant tuurt dat zijn interesse heeft weten op te wekken.
" Hé meinherr! Was moet das hier kosten?" roept de mannelijke helft van een koppel dat al geruime tijd door een map met oude stafkaarten aan het bladeren is.
" Mag ‘k eens zien?" stevent Fideel, zijn bril rechtzettend, op het koppel af.
" Die komt op vijf frank vijfenzeventig, meneer!"
" So?..." wenkbrauwt de man, blijkbaar onaangenaam verrast door de gestelde prijs.
" De laatste nieuwe uitgave!" licht Fideel kwiek toe.
" 1903?.." leest de de heer hardop.
" Alla! Tien jaar oud! Maar de wereld verandert toch niet elk jaar?" gaat de boeken- en prentenverkoper, zonder ook maar een stukske van zijn tong te bijten, gezwind verder terwijl het koppel op fluistertoon over de aankoop debatteert.
Fideel laat hen maar even en wendt zich terug tot meneer Valies.
" Buitenlanders!" wijst hij ter verduidelijking met zijn duim over de schouder.
" Ja?..."
" Tegenwoordig loopt het er hier vol van!"
" De moderne wereld wordt alsmaar kleiner..." mompelt meneer Valies, niet erg toeschietelijk. Maar Fideel heeft zin in een praatje en laat zich niet zomaar één, twee, drie afschepen.
" Hebt ge het al gelezen van dat lijk op de dijk langs de Schelde?"
" Ja, dat zijn nogal lappen!"
" Ik vraag mij af: hoe komt zo'n vent zonder kop daar nu terecht?"
" Nie uit zijn eigen! Da's nogal wiedes! Tenzij hij daar ter plaatse het hoekje is omgeholpen, natuurlijk."
" Volgens de gazet lag er amper bloed!"
" Dan is die kerel waarschijnlijk op een ander zijn hoofd kwijt geraakt!" concludeert meneer Valies lakoniek.
Fideel glimlacht eens fijntjes om het morbide grapje van meneer Valies.
 
" 't Is voorzeker ne maniak! Let op mijn woorden! Daar gaan we nog van horen!"
" Ne... wát voor iets?" galmt Jan de koetsier met open mond van verbazing omdat Prosper Verniet, zijn beste vriend, zulke moeilijke woorden gebruikt.
" Kent gij dat niet?" vraagt Jozef Bulleman vanaf de andere kant van zijn tapkast. Want ook in de ‘Barmhartige Samaritaan' wordt het geval druk besproken.
" Leest gij dan geen gazet?"
" Euh... neeje.." bekent Jan schoorvoetend. " Die letters, daar kan ik maar moeilijk mee overweg! Van in 't school al niet!"
" Ja, dat rappeleer ik mij nog!" mengt meester Schellekens, die wat verder aan een tafeltje zijn dagelijkse krant zit uit te pluizen, zich in de conversatie. " Beesten! Daar kondt gij nu eens mee doen wat ge wilde! Maar letters in 't gareel krijgen, nee da lukte U maar nie!"
 " Weten ze al wie het is?" informeert de Pros in de richting van het dagblad knikkend.
" Het enige dat ze zeker weten is dat hij geen simpele boer was. De kleren die hij droeg wijzen op ne stadsmens!"
" Is dat alles?"
" Hm... eens kijken..." buigt meester Schellekens zich over het artikel. " ...ze vragen aan iedereen die een afgehouwen hoofd vindt, dat sito presto naar het dichtsbijgelegen politiebureel te brengen."
" Amai, als da maar gene overhoop wordt!" besluit Jan.
 
" Awel, madammeke, leg eens uit wat er scheelt!"
" Oh! Meneer de police! Ik ben in de zak gezet!"
" Ah ja?"
" ‘k Zit in de misérie dat ‘t nie meer schoon is!"
" Als ge 't zelf zegt zal 't wel waar zijn, zeker?.... Maar geeft ‘ns wa meer uitleg, als 't kan?" informeert Louis Vermeesh, planton van dienst, geduldig.
" Ik ben bestolen!" gaat het vrouwtje aan het loket voort.
" Aha! Ge komt een diefstal aangeven? Momentje! Ik roep een bevoegde persoon! Zet U eigen maar efkes neer op die stoel daar!" wijst Louis, waarna hij met een stem die de kalk van het plafond in wolkjes naar beneden doet dwarrelen, " Marcel!!! Maaarcel! Een diefstal!!!" keelt.
" Er zal direct iemand komen, zulle!" verzekert hij het arme vrouwmens dat zichzelf met tuitende oren zit af te vragen of haar trommelvliezen nog intact zijn.
 
" Nog iets nieuws? Neen, meneer Verhulst! Het onderzoek is volop lopende!" verzekert commissaris Van Everen de verslaggever die ijverig zijn woorden neerpent in een beduimeld notaboekje.
" Misschien een paar details?" bedelt de man.
" Ge weet er onderhand zoveel van als ik!" lacht Van Everen.
" Is die vent zijne kop al gevonden?"
" We kammen de polder achter de dijk helemaal uit en dreggen in de Schelde! Maar of we succes gaan hebben? Dat is maar de vraag!"
" Politie houdt klopjacht! Commissaris twijfelt aan succes!" registreert de heer Verhulst in een kortschrift van eigen vinding, onderwijl bij zichzelf wanhopig prakkiserend hoe hij uit die paar zinnen 1500 woorden copij gaat puren.
 
" Naam?"
" Van wie?"
" Die van U, natuurlijk!" zucht Marcel terwijl hij even opkijkt van het aangifteformulier.
" Ah! Melanie!"
" Melanie! ... en hoe nog?"
" Soms zeggen de mensen ook wel ne keer Melleke!" antwoordt het menske, ter bevestiging van haar eigen woorden driftig ja-knikkend.
" Dat moet ik allemaal niet weten, madam! Uw achternaam, alstublieft!"
" Ah! Ooo! Zeg dat dan ineens, hé!" snibt Melanie, die nogal lange tenen heeft en daarom goed voelt wanneer zij niet met het nodige respect bejegend wordt. " Boeikens!"
" Hm, en waar woont gij?"
" In de Klaversteeg!"
" Nummer?"
" Nummer?"
" Wel ja, uw huisnummer!" valt Marcel ongeduldig uit.
" Wij hebben daar geen huisnummer! Maar als ge er iets mee zijt, ik drijf het logement naast de ‘Zilveren Pollepel'." bijt madam Boeikens, die stilaan spijt begint te krijgen van het feit dat ze naar hier gekomen is met haar problemen.
" Die weet ik zijn!" beaamt Marcel, voorzichtig voelend of zijn neus er nog aanhangt.
" Bon!" gaat hij voort. " Vertel me nu maar eens wat er allemaal op uwe lever ligt!"
 
" Alla, mannen, ik ben er mee weg!"
" Amai Jan! Zo vroeg?"
" Ja, Pros, ik moet nog naar Antwerpen. Michel, mijne kozijn, komt vandaag aan."
" Is dat die op de wilde vaart zit?"
" G' hebt  ‘m!" knikt Jan bevestigend.
" Hoelang is hij eigenlijk al weg?"
" Twee jaar en drie maand is ‘m al op zee!"
" Pff... dat zou niks voor mij zijn!" zucht Jozef Bulleman.
" Voor mij ook nie!" beaamt Jan. " Maar het betaalt vreselijk goed!"
" Wat hebt ge nu aan geld, als ge het niet kunt opdoen?" schokschoudert Jef.
" Wel..." grinnikt Jan schalks. " Ge kunt er bijvoorbeeld eens ferm de bloemekens mee buiten zetten als ge aan wal komt!"
" Enne..." grijnst Pros " ... dat is precies wat gijlie vanavond gaat doen?"
" Hoe kunt ge dat toch zo raden?" lacht Jan terwijl hij de deur van de staminee achter zich dicht trekt.
 
" Awel, meneer, ik heb nen logé!"
" Jaaaa...?" noteert Marcel ijverig.
" Of eigenlijk moet ik zeggen, ik had ne logé..."
" Jamaar, madam, wa is 't nu...."
" Heu.. schrijf maar had." beslist Melanie na efkens te hebben nagedacht over de kwestie.
" Goed! En die kerel is er met met uwe portemonnaie vandoor, zeker?"
" Neeje, da nie!"
" Uwe spaarpot?"
" Neeje!"
" Uw tafelzilver dan?"
" Tafelzilver? Gij denkt da'k miljonaire ben zeker?"
" Bon! Wat heeft die vent dan gepikt? Toch de lakens nie?"
" Maar, meneer de police! Er is bij mij niks gestolen!"
" Hoe?" roept Marcel uit. " Waarom zit ik hier dan deze paperassen in te vullen?"
" Tja, meneer..." kijkt Melanie spijtig. " ... da weet ‘k ook nie!"
" Madam!!!" stuift Marcel op.
" Ja, meneer?"
" Madam, ge zijt toch niet met mijn voeten aan 't spelen, hé?"
" Maar, meneer de politieagent! Ik zou niet durven!" schrikt het menske.
" Ah... dan is 't goed!" zinkt Marcel terug op zijn bureelstoel. " Vertelt dan eens wat ge hier in feite komt doen!"
" Awel, meneer Maurice, diene kostganger van mij is nu al een heel week niet thuis gekomen!"
" En.. is dat zo erg?"
" Hij betaalt per week, meneer!"
" Misschien is ‘m op vakantie?"
" Al zijn gerief staat nog op de kamer!"
" Hm..." krabt Marcel aan zijn baard. " Dan kan ik beter maar eens ter plaatse mijn licht komen opsteken!"
 
" Michel!!! Miiiiiicheeeellll!!!" galmt Jan uit volle borst verwoed zwaaiend naar een stevige jonge kerel die met een grote plunjezak op zijn schouder nonchalant de loopplank afdrentelt.
" Jan!!!" grijnst Michel op zijn beurt als ze mekaar de hand drukken! " G' hebt mijn brief dan toch gekregen!"
" Van eigens!" bevestigt Jan.
" Hebt gij goesting om mee een stapke in de wereld te zetten?"
" Daar ben ik speciaal voor gekomen!" lacht Jan. " Wie zal er U anders straks recht houden, denkt ge?"
" Pfoeh! Als 't maar niet andersom is!" ginnegapt Michel. Waarop de twee vrienden schouder aan schouder de stad intrekken op zoek naar wat mannelijk vertier en een beetje vrouwelijk gezelschap.
 
" Tja, madam Boeikens...." wriemelt Marcel met de hand door zijn reeds geruime tijd schraler wordende hoofdbedekking terwijl hij de kamer van de verdwenen logé in ogenschouw neemt.
" ... het ziet er naar uit dat de vogel is gevlogen! Geen papieren, geen geld! Alleen nog wat kleren en die oude valies!"
" Zo is het, meneer!" handenwringt het menske.
" Vertelt eens wat voor nen tiep het was!"
" Ne kunstenaar, meneer! Alle dagen ging hij op pad om landschappekes of portretten te schilderen! Hier zie! Hier staat zijn gerief nog en daar... daar staan nog een stuk of tien doekskes!" wijst Melanie.
" Hm... niet slecht!" oordeelt Marcel. " Dat is precies nen hoge officier van 't leger! En dees! Dat is het fort van Berchem, verdorie!"
" Ah ja?"
" Wel ja! Kijkt maar!" licht Marcel zijn mening toe. " Die toren daar! Boven de poort! Met die schietgaten! Ik ken die maar al te goed! Ik heb er twee jaar van mijn jong leven versleten!"
" Dat is allemaal goed en wel, maar wat moet ik nu doen?" keert Melanie terug naar de kern van de zaak.
" Awel madam,...." oppert Marcel bedachtzaam. " .... een nieuwe huurder zoeken zou geen slecht gedacht zijn, denk ik...."
 
" Mmm.. mm... Michel! Vr.. vriend!"
" Ja...aa?"
" Ik b..ben er nie... gerust in, jong!"
" Nie gerust?... In watte??"
" Ik denk... da'k platkes meegekregen heb daar... hik... in de Burggracht!!!"
" Platkes?"
" Welja! Ik heb algelijks zoveel jeuk!"
" Waar....?"
" Awel.. hier vanonder!" wijst Jan naar zijn schaamstreek.
" Bij wie zijt ge geweest?" mengt Charel, de waard van de ‘Zilveren Pollepel' zich in het dronkemansgesprek.
" Jos... Josphine! Nogal een stevig mokkel!" doet Jan teken met beide handen ter hoogte van zijn borst.
" Die met dat rood haar?"
" Ja!"
" Dan hebt g' het zitten ook! Ge zijt de eerste niet die met gekriebel in zijn broek van haar terugkomt!"
" Anders wel een ferm wijf, zulle!" droomt Jan terugblikkend op zijn wederwaardigheden met de dame in kwestie.
 
" Haha! De Marcel! Zijt ge een luchtje gaan scheppen?"
" Neeje patron, d'r is ne kunstenaar verdwenen in de Klaversteeg!"
" Aléé jong, in de Klaversteeg? Da's straffe toebak! 't Is daar amper ne voorschoot groot! Daar kunt ge met moeite een naald verstoppen!" lacht Van Everen.
" Waarschijnlijk kon dien tiep zijne kost nie meer betalen en is ‘em er stillekes vanonder gemuisd! Ge weet hoe zo'n artiesten zijn, hé!"
" Ja, den enen dag smijten ze 't geld langs alle kanten buiten en den anderen dag hebben ze geen nagel om aan hun gat te krabben!"
" Maar ik heb een persoonsbeschrijving en een fotoke! Het zal nie lang duren of we hebben hem bij zijne kraag!" besluit Marcel terwijl hij zijn meerdere het kiekje onder de neus duwt.
" Hm.. is dat al lang geleden gemaakt?" vraagt Van Everen terwijl hij de afdruk door zijn pince-nez bestudeert.
" Vorige maand of zo dacht madam Boeikens!"
" Wel Marcel, ik weet wel dat het al laat is, maar gaat nog eens langs dat lijkenhuis waar die kerel zonder kop ligt."
" Waarom, chef?"
" Omdat die frak en die broek, op dat prentje hier, mij wreed bekend voorkomen!"
 
" Zeg mannekes! Ik ga stillekensaan toe doen!" begint Charel tegen Jan die nog altijd zit na te dromen van zijn half-uurtje met Josphine eerder op de avond.
" Heu?... Watte?"
" Ik ga mijn affaire sluiten!"
" Is 't al zo laat?"
" Tegen twaalven..."
" Oeioeioei!" schrikt Jan, op slag een pak nuchterder.
" Wa' ist? Bang dat moeder de vrouw met de deegrol gaat klaar staan?" grapt Charel.
" Neeje, da' nie! Ik ben nie getrouwd!"
" Gelukzak! Wat scheelt er dan?"
" Bles!"
" Bles???"
" Mijn paard! Dat staat hier in de stadsstallen en die sluiten om acht uur!" panikeert Jan.
" Tja, dan zal het met de voettrein worden, hé jong!" concludeert Charel.
" Neeje, da 's geen optie! 't Is verdorie al bijkanst twee uur rijden met de koets!" schudt Jan verslagen het hoofd.
" Zeg, waard!"  probeert hij na wat stil gepeins. "Mogen wij hier nie blijven?".
" Hier? Neeje, geen denken aan!" schudt Charel. " Mijn madam wil geen vreemden in huis als ze slaapt!"
" Miljard!" vloekt Jan spijtig.
" Maar weet ge watte?" gaat de brave man voort.
" Nee?"
" Melanie van hierneven heeft misschien wel een bed voor jullie!"
" Gaat die nog zo laat open doen?" twijfelt Jan.
" Ik zal 's over het muurke loeren...." stelt Charel voor. " ... en als er nog licht brandt dan klop ik op de muur! Da's zo afgesproken tussen ons! Dan weet ze da'k ne klant voor heur heb!"
 
" Ze weten nog altijd niet van wie dat lijk zonder kop is!"
" Goed! Dan konst du vanavond der marchandise halen!"
" Heu.. zou ik niet nog een paar dagen wachten?"
" Kein uitstel! Der tijd vliegt!"
" Maar, herr Gussmann! Toch vind ik dat..." begint Dieter.
" Du hast niks te vinden!!!" gromt de heer Gussmann terwijl hij naar de muur slentert.
" Als du der kerl niet naar pierenland geholpen had, zolten wij nur nicht in vieze papieren zitsen!"
" Spijt me, chef! Hij wilde absoluut niet meewerken!"
" Dat ist nog kein reden om him dood te maken!"
Waarna de conversatie stokt omdat, na een ruk aan een schellekoord door herr Gussmann, twee bomen van venten in een overduidelijk slecht humeur de kamer binnengewaggeld komen.
 
" Eén nachtje?" monstert Melanie kritisch de beide companen.
" Met morgendeten..." vult Jan aan terwijl hij Michel efkens tegen de muur van de gang parkeert.
" Zit ge er iets mee in om in één bed te slapen?"
" Al moest ik op een matke op de vloer liggen!" schokschoudert Jan en Michel valt hem met een luide snurk bij.
" Da 's dan drie frank de man! Vooruit te betalen!" houdt Melanie haar hand op.
" Bon!" schiet Jan in zijn zakken. " Maar voor zo 'n prijs wil ik morgenvroeg spek met eieren op mijn telloor vinden, zulle madammeke!"
" Ja?.. Ge zult eten wat de pot schaft, maatje! Ge denkt toch niet dat het hier een vijfsterren-hotel is zeker?" kaatst Melanie terug terwijl ze, petroleumlamp in de hand, haar nieuwe onderhuurders wat kramakkelijk voorgaat naar de mansarde.
 
" G' hebt gelijk, chef!" stormt Marcel het bureel van commissaris Van Everen binnen juist op het moment dat deze aanstalte maakt om huiswaarts te keren.
" Ik dacht het wel!" grimast zijn baas.
" Weeral een zaak opgelost!"
" Bon! Gaat gij morgenvroeg langs dat menske Boeikens met die kleren. Als zij ze herkent zijn we zeker van onze zaak!"
" Goed chef!" gaapt Marcel.
 
" Amai, ma! Hebt gij die twee zatlappen in huis genomen?" vraagt Sophie ongerust aan haar moeder als die, na Jan en Michel naar hun kamer gebracht te hebben, terug in de keuken komt.
" Och kind, het zijn maar twee boerkens van den buiten die een stapke in de wereld gezet hebben!" lacht Melanie.
" Dien ene is pertang ne reus van ne vent!" griezelt Sophie.
" Ja, klein is 't em nie!" geeft Melanie toe. " Maar als gij morgenvroeg efkens rap om spek en eieren bij de kruidenier op den hoek loopt, dan houden we die geweldenaar wel te vriend!"
 
" Komaan Michel! Werkt eens wat mee!" foetert Jan, zijn vriends slappe figuur van links naar rechts manoeuvrerend in een manhaftige poging om deze van zijn bovenbekleding te ontdoen.
" L.... laat m..maar zo, Jan..." mummelt Michel. " A... al dat ge..wemel.. doet mijn m... aag geen goed!" waarop hij een boer produceert die Jan met de hand voor de neus haastig naar de andere kant van de kamer doet terugdeinzen.
" Amaai Michel! Het huizeke is er niks tegen!" vloekt hij, maar zijn kompaan antwoordt al niet meer. Die is parmantig opzij in dronkenmansdromenland gekanteld. Zodat er voor Jan, na zich tot op de lange onderbroek uitgepeld te hebben, niets anders overschiet dan hem daar te gaan vervoegen.
 
Een uurtje nadat Jan en Michel zich ter ruste begeven hebben, zo rond de tijd dat zelfs onze immer waakzame gardevilles ergens in een gezellig donkerdiepe portiek een oogske toeknijpen, sluipen vier sinistere figuren de Klaversteeg in.
" Ist das hier?" fluistert herr Gussmann tegen Dieter, die nogal ongemakkelijk tussen Frans de Voorhamer en Pol de Stier, de twee slecht gehumeurde, ferm uit de kluiten gewassen dommekrachten van herr Gussmann, ingeklemd zit.
" J... ja!"
" Goet! Haal mich der marchandise!"
" Nu???..." slikt Dieter, maar ziet wijselijk van verder commentaar af wanneer Frans of mogelijk ook Pol even vervaarlijk uit zijn mondhoek gromt.
Haalt, na wat zenuwachtig gefriemel, uit één van zijn zakken een sleutel. Opent, na wat prutsen, geruisloos de voordeur van Melanie Boeikens' pension en glibbert zachtjes de gang op terwijl de andere drie zich in de overvloedig voorradig zijnde schaduwen van het smalle straatje afwachtend terugtrekken.
Stap voor voorzichtige stap, trede voor trede bestijgt Dieter de trap en slaagt erin zonder ongelukken de overloop voor de mansarde te bereiken. Tovert nogmaals een sleutel tevoorschijn. Opent alweer zonder het minste gerucht de deur, duikt met twee snelle stappen opgelucht de duistere kamer in en struikelt over de op de grond rondslingerende kledingstukken van de lustig sluimerende drinkebroers.
Waarbij hij, na met een sierlijke boog het zwerk doorkliefd te hebben, bovenop de nietsvermoedende Michel terechtkomt.
Heel even gebeurt er tot Dieters immense verbazing niets. Maar dan, juist op het ogenblik dat hij zijn engelbewaarder aan het bedanken is voor het puike stukje werk, opent Michel de ogen. Staart verbouwereerd naar de tronie die vlak voor zijn neus zweeft. Verwerpt na wat verbijsterend snel denkwerk de hypothese dat het om een visite van het huisspook gaat en stoot, in een meer dan begrijpelijke reflex, Dieter forsig van zich af. Zodat deze, hotsend en botsend, over Jan's nog immer duttende gestalte tuimelt om, luttele ogenblikken later, met een bonk van jewelste op het voetmatje naast het bed te belanden.
" Wat? Wat? Wat???" stamelt Jan, gebelgd over het ruwe ontwaken.
" Nen dief!!!" krijt Michel, de dekens van zich afwerpend.
" Waar?"
" Daar!" vingert Michel naar de op de grond spartelende indringer intussen ijlings, doch nog ietwat onzeker vanwege het overmatige alkoholgehalte in zijn bloed, rondom de bedstee sukkelend teneinde de schavuit bij zijn lurven te vatten. Een nutteloze inspanning, want van zodra Jan enigszins door heeft waar al deze heisa om draait, grijpt hij, zonder zelfs maar de moeite te nemen uit bed te stappen, de ongelukkige bandiet bij zijn kraag. Heft deze, alsof het niets is, hoog boven zijn hoofd en kiepert de nu danig van angst en vrezen vervulde, zacht jammerende, Dieter zonder pardon door het gerieflijk openstaande raam.
 
" Aaaaahhhhh!!!!!"
 
Wat zowat het laatste geluid is dat twee van de drie verdachte figuren in de schaduw onderaan het venster opvangen, want een fractie van een seconde later dondert de door Jan gelanceerde insluiper met de impact van een ton steenkool bovenop hun, in een professioneel snelle maar helaas ook catastrofale reactie, omhooggeheven hoofden.
Nog voordat Frans de Voorhamer's mond van verbazing kan openvallen boort zich Dieters puntige elleboog met alles versplinterend geweld tussen zijn twee ogen. Alzo de daarachter karig aanwezige hersenen tot pulp reducerend. Terwijl, haast tegelijkertijd Pol's stierennek achterovergedrukt en als een luciferhoutje geknakt wordt door de rest van Dieters corpus. Zodoende hoogst onverwacht doch onherroepelijk de vlam van hun respectievelijke levenskaarsen voor eeuwig en drie dagen dovend.
Vervolgens bezorgt hij, op weg naar zijn rendez-vous met moeder aarde, de kleiner uitgevallen herr Gussmann tesamen met een wekenlange stijve nek ook nog een uurtje vergetelheid.
Na tenslotte met een smak, die de ruiten van de omstaande huizen doet rinkelen in hun sponningen, de grond gekust te hebben waarbij hij behalve ontelbare schaafwonden en een drietal gebroken ribben ook nog een bloedneus oploopt, kreunt en steunt hij zijn stoffelijke overschot zo goed en zo kwaad als het gaat bij elkaar.
Inspecteert de door hem aangerichte ravage. Begrijpt dat hij, in verband met wat er nog over is van zijn gezondheid, op het ogenblik beter elders kan vertoeven. Sukkelt met veel moeite recht en verdwijnt strompelend en struikelend in het holst van de nacht.
 
" Morgen Louis!"
" Goeiemorgen, meneer de commissaris!" groet Louis beleefd terug.
" Alles rustig?"
" Boh!!! Bwah! Wat zal ik zeggen?...." schokschoudert Louis die zojuist de wacht van de nachtploeg heeft overgenomen.
" Toch weer geen lijk op den dijk zeker?" lacht de commissaris terwijl hij zichzelf een kop donkerzwarte troost inschenkt.
" Neeje, nie op den dijk...  meer op de kaai!"
" Watte?!!!" proest de commissaris die juist een ferme slok naar binnen aan het werken is. " 't Is geen waar, hé? Alweer een dooie? ‘t Wordt verdorie stilaan een epidemie!"
" Heu... ja da zal wel..." stemt Louis schoorvoetend in. Niet zeker wat dat ‘epidemie' eigenlijk wil zeggen, al vermoedt hij dat het iets met de mazelen te maken moet hebben.
" Hm.. heu .. en da's nog nie alles, meneer..." bereidt Louis zijn overste zachtjes voor.
" Om preciezer te zijn... heu.. zijn het er twee!"
" Twee?.. En???.."
" En watte, patron?"
" Awel, hebben ze hunne kop nog?"
" Ha! Datte! Ja! Alletwee! We weten zelfs al wie de slachtoffers zijn!"
" Alla, dan valt het nogal mee!" zucht de commissaris.
" Den enen heette Franciskus Debrave..."
" Tiens, nooit van gehoord!"
" In de volksmond beter bekend als Frans de Voorhamer!"
" Die? Maar dat is zowat een éénpersoonstank! Hoe is die aan zijn eind gekomen?"
" Ingeslagen schedel!"
" Verbaast me niks! En die andere?"
" Da ‘s Pol de Stier! Die had een gebroken nek!"
" Amai! Twee zware jongens op één nacht minder! We zullen moeten oppassen want als dat zo voortgaat zitten wij binnenkort zonder werk!"
 
Terwijl de conversatie op het politiebureau rustig verder kabbelt trekt Jan de koetsier in het pension van Melanie Boeikens behoedzaam één oog open. Voelt voorzichtig of zijn hoofd nog op zijn plaats zit. Probeert tamelijk roekeloos rechtop te komen. Merkt dat dit in de huidige omstandigheden wat te veel verlangd is en besluit dan maar om uit bed te rollen.
Het " Argggg..."dat plots door het vertrek galmt terwijl Jan op handen en knieën zijn her en der op de vloer verspreide bullen bij elkaar zoekt blijkt Michels begroeting van de nieuwe dag te zijn. Waarna een minutenlange stilte in de kamer heerst omdat Jan op het vloermatje, moe van de geleverde inspanningen, terug is ingedut en Michel wijselijk wacht tot de barsten in zijn hoofd willen dichtgroeien.
 
" Sophie!" roept Melanie naar de keuken als zij het gestommel in de bovenkamer hoort.
" Ja ma?"
" Het is zover, kind! Zet maar al een grote pot straffe koffie! Ons logées zijn zich hun stapke in de wereld van gisteren aan 't beklagen."
" Zal ik dat spek en die eieren ook maar al bakken?" biedt Sophie gedienstig aan.
" Neeje! Wacht daar nog maar wat mee! Want ge weet, waar den brouwer zit kan den bakker niet zijn!"
 
" Gaat het al een beetje, meneer Gussmann?" informeert Dieter beleefd als hij met nauwverholen knikkende knieen zijn opwachting bij laatstgenoemde maakt.
" Ha! Waar hast du, donnerwetter, gezeten?"
" Meestentijds in ‘t hospitaal..."
" Du hast Frans en Pol gemold!"
" Nie expres, chef! Hoe kon ik, in godsnaam, weten dat die kamer al terug bezet zou zijn!"
" So?"
" Ge denkt toch niet dat ik voor mijn plezier van drie hoog uit dat venster gesprongen ben, zeker?"
" Hm... goed! Aber ich hab gans allein der Frans und der Pol moeten wegslepen!"
" Sorry, chef!"
" Und met das alles haben wij nog immer die marchandise niet!"
 
" Phoe, Michel jongen! Wat heb ik lelijk gedroomd van de nacht!" begint Jan als hij met een handdoek zijn kletsnatte hoofd, dat hij in een manmoedige poging om de levensgrote kater van vorige avond te verdrijven in de lampetkan heeft gestoken, staat droog te wrijven.
" Gij ook al?" kaatst Michel terug die nog met zijn verstand in beide handen op de rand van het bed traineert.
" Ja! Ik droomde dat ik een inbreker met zijn vijf geboden door het raam kieperde!" lacht Jan.
" Tiens! Da' straf!"
" Hoezo?"
" Dat heb ik ook gedroomd!" verbaast Michel zich.
" Dat gij een inbreker door 't raam gemanoeuvreerd hebt?"
" Neeje! Dat gij dat hebt gedaan!"
" ...."
" Zeg Jan!"
" Ja?"
" Misschien... is het wel echt gebeurd?!"
" Neeje! Ge moogt gerust zijn! Ik heb daarjuist voor alle zekerheid al eens door het venster gekeken! Geen inbreker, of iets dat er op trekt, in velden of wegen te bekennen!" stelt Jan zijn makker gerust.
" Toch raar dat we hetzelfde gedroomd hebben!" houdt Michel vol.
 
" Dag madam!" groet Marcel, aan zijn kepie tikkend.
" Meneer de police!" verwondert Melanie zich, achteruit deinzend om de onverwachte bezoeker binnen te laten.
" Ik heb nog een vraagske!" gaat de inspecteur voort als hij in de gang staat.
" Ah? Komt dan maar efkens in de salon!"
" Kende gij misschien deze frak en die broek?" begint Marcel, de kledingstukken ophoudend.
" Tja! Wa zal'k zeggen! Da's precies de frak van meneer Maurice oftewel trekt ‘m er hard op!"
" En de broek?"
" Zou kunnen! Maar van die grijze visgraten zijn er zoveel, hé!"
" Dus..." vat Marcel wat verslagen samen " ...ge weet het nie zeker?"
" 't Is te zeggen...." aarzelt Melanie " ... ik zal ons Sophie 'ns roepen! Die doet de was en de strijk gewoonlijk!"
 
" Hoe heette gij schoon kind?" fleemt Jan als ze na hun toilet gemaakt te hebben, in de keuken aan tafel neerstrijken.
" Sophie, meneer!" antwoordt het meisje verlegen terwijl ze de verse koffie in de grote ronde kommen schenkt.
" Schone naam!" vindt Jan. " Nie waar, Michel?" Maar Michel hoort niets. Die heeft het veel te druk met Sophie aan te gapen.
" Zal ik de eieren met spek bakken, meneer?"
" Nikske meneer, Sophie! Mijne naam is Jan! En die van dat wassen beeld aan de andere kant van de tafel is Michel!" schampert Jan terwijl Sophie de tot achter zijn oren donkerrood kleurende Michel begroetend toeknikt.
" Eieren met spek! Doe maar kindje! Met een ferme korst brood als 't kan!" wrijft Jan in zijn handen. " Hebt ge soms ook nog een potke goei boter?"
" Sophieeeee!!!"
" Oei, da 's ons ma! Ik ga rap efkens zien!" verontschuldigt Sophie zich.
" Daarna begin ik direct aan de eieren!" belooft ze nog, alvorens de kamer uit te glippen.
 
" Wat denkt gij daarvan, mammezelleke? Zijn dees wel of nie de kleren van die meneer Maurice?"
" Die vest, dat kan ‘k zo nie zeggen. Maar als de linkerzak van die broek gerepareerd is met blauw garen, dan is die zeker en vast van meneer Maurice!" verkondigt Sophie met van opwinding blozende kaken.
" Bon! We zullen eens zien!" antwoordt Marcel, het desbetreffende kledingstuk binnenstebuiten draaiend.
" Bingo!" juicht hij een paar tellen later. " Blauw garen! De zaak is in de sacoche!"
" Oeioei!!" kreunt Melanie. " Dat wilt zeggen da meneer Maurice dood is!" snottert het mens in haar zakdoek.
" O, pardon, madam! Ik dacht efkens nie na!" bindt Marcel rap in.
" Maar ma toch! Ik wist nie dat gij zo aan meneer Maurice gehecht waart!" troost Sophie haar.
" Da is 't nie kindje! Maar zonder het kostgeld van meneer Maurice zie ‘k nie hoe we aan het einde van de maand gaan geraken!"
 
" Wat scheelt er, Sophie?" vraagt Jan als het meisje ietwat bleek afgetrokken terug aan de slag gaat met haar pannen.
" Och meneer..."
" Jan!!" verbetert Jan haar streng.
" ... onze vaste logé is naar 't pierenland!"
" 't Is nie waar?"
" Toch wel! Hebt ge niet gehoord van dat lijk op den dijk?"
" Dat zonder hoofd? Natuurlijk, heel 't dorp klapt ervan!"
" Awel! Da.. da was meneer Maurice!"
" Da's straffe toebak!" roept Jan uit. " Wat gaat de Pros daar van zeggen als ik hem vertel dat wij in hetzelfde huis hebben geslapen als die pipo zonder kop!"
" Heu..." gaat Sophie een beetje gegeneerd verder. " Heu.. nie alleen in hetzelfde huis ... in dezelfde kamer..."
" Watte?.. Wilt ge zeggen dat wij...?" verschiet Jan. Zelfs Michel schrikt hard genoeg om uit zijn verstarring bij te komen.
" Bedoelt ge... dat wij van de nacht...?" stamelt hij.
" Ja... ziet ge, lakens verversen doe ik maar eens in de veertien dagen..."
 
" IDENTITEIT VAN LIJK ZONDER HOOFD BEKEND! Leest er alles van in de gazet!"
" Hier fiston!"
" D'as tien cent, meneer!"
" Bon! Voila! Houdt het wisselgeld maar!"
" Dank U meneer! Dank U!... IDENTITEIT...." vervolgt de krantenjongen al roepend zijn weg terwijl de man het desbetreffende artikel snel en met stijgende opwinding doorneemt. Om dan, met gezwinde pas en een binnensmondse vloek, zijn weg haastig te vervolgen.
 
" Alléé, ik ben er mee weg!" geeft Jan, later op de dag, te kennen terwijl hij Michel stevig de hand schudt.
" Ja! Goed thuis, hé maat!"
" Zijt ge zeker dat ge niet meekomt?"
" Heel zeker!" knikt Michel. " Zo'n dorp da's veel te stil voor mij! Ik moet leven om mij heen hebben!"
" Jaja! Vooral in de vorm van een zekere jongedame!" grinnikt Jan.
" Sttt!!! Niet zo hard stommerik! Straks hoort z' U nog!" waarschuwt Michel met een blik over zijn schouder naar moeder en dochter.
" Pff!! Alsof het niet opvalt dat gij tot over uw oren verliefd zijt! Alleen een stokdove blinde zou er niks van merken!" grapt Jan schouderophalend terwijl hij op de bok van zijn karos kruipt. " Zie maar dat ge niet in zeven sloten tegelijk sukkelt!" waarschuwt hij zijn vriend nog alvorens de zweep te laten knallen.
" Dag madam Boeikens! Dag Sophie!" zwaait hij naar de twee vrouwen die hem in het deurgat van het pension zijn komen uitzwaaien.
 
" Chef! Chef!"
" Ja? Wat is er Emiel? Staat het gebouw in brand dat ge zo komt binnengestoven?"
" Hebt ge de krant al gelezen?"
" Waarom?"
" Hier! Identieit...."
Even is het stil in het kantoor van de chef terwijl deze het artikel met zijn gewone grondigheid overloopt.
" Denkt ge?" vraagt hij aan zijn ondergeschikte die zo lang ongedurig van het ene op het andere been heeft staan wippen.
" Maurice Beaulinoir! Het kan niet missen! Hoeveel Beaulinoirs kunnen er zijn?"
" Geen enkele! Dat hebben we vooraf nageplozen!"
" Alles is om zeep!"
 
" Telegram, commissaris!" kondigt Louis aan als hij, na een beleefd klopje op de deur, het kantoor van zijn overste betreedt.
" Tiens?"
" Van het hoofdbureau in Brussel, chef!"
" Goed, geef maar hier!" gromt de heer Van Everen, met tegenzin zijn kruiswoordraadsel opzijschuivend. Waarna hij het vodje papier openscheurt en de inhoud aandachtig in zich opneemt.
" Slecht nieuws, patron?" polst Louis nieuwsgierig.
" Wat?..."
" Ik vroeg of het slecht nieuws is, chef!" wijst Louis naar het formulier.
" Ha! Heu... eigenlijk moet ik dat niet aan uw neus hangen, hé Louis! Maar nu ge hier toch nog rondhangt..."
" Ja chef?"
" Het hoofdkwartier wenst een volledig rapport over die zaak van dat lijk op den dijk!..."
" Bon, patron!..." salueert Louis onberispelijk in de houding wippend. " Ik vraag Marcel er zo rap mogelijk aan te beginnen!"
 
" Zo! Meneer Michel, het beddegoed is ververst! De kast en de commode zijn uitgekuist! De vloer gedweild! Het tapijt geklopt!"
" Danke, madam Boeikens! Dat ziet er wreed proper uit!
" Alleen nog de spullen van meneer Maurice zaliger naar de zolder brengen!"
" Is dat wel de moeite? Komen de nabestaanden dat niet ophalen?"
" Meneer Maurice had kind noch kraai, meneer!"
" En de politie? Hebben die diene bazaar niet van doen? Als bewijsmateriaal of zo?"
" Neeje, den inspecteur zegt dat er op het commissariaat al rommel genoeg staat!" verklaart Melanie, de kamer uitschuifelend.
" SOPHIE!"
" Ja, ma?" antwoordt haar dochter vanuit de keuken.
" Draag het gerief van meneer Maurice zaliger eens naar de zolder!"
" Direct ma!"
 
" Ik help wel een handje!" glundert Michel als Sophie een paar minuutjes later haar opwachting maakt.
" Dat is vriendelijk, meneer Michel!" accepteert de dochter des huizes het aanbod.
" Bon!" wrijft Michel zich in de handen. Wreed kontent dat hij nu de kans krijgt om met dat schoon meiske alleen te zijn. " Zal ‘k beginnen met die valies daar?"
" Zoals ge wilt, meneer Michel!" antwoordt Sophie zelf bukkend om een paar van meneer Maurice's schilderijtjes bijeen te scharrelen.
" Langs hier..." wijst ze de weg.
 
" Luistert, Dieter! Ich moet die marchandise haben!"
Maar, chef! Daar woont nu een reus van een vent! Ik wil niet opnieuw langs het venster buitengesmeten worden!"
" Die manskerel is afgereisd!"
" Ha ja?"
" Einen van mijn mannen houdt het pension in de gaten! Er zaagt dat nur einen kleinen kerel daar gebleven is!"
" Mjha..." twijfelt Dieter.
" Ich stuur nog drei anderen mit ihr mee!"
" Toch ben ik er niks gerust in..!"
" Luister, jongmens! Heute avond brengt du mich die marchandise! Kein uitstel meer!"
 
" Eigenlijk, feitelijk toch wel schoon landschappekes!" oordeelt Sophie de doeken één voor één op armlengte van zich af houdend in het licht van het zoldervenster.
" Da vind ik ook!" stemt Michel in.
" Spijtig dat ik geen kaderke heb, anders zou ‘k dees wel aan de muur van mijn kamer willen hebben!" wijst Sophie op het werkje waar de kazerne van Berchem in haar volle glorie op prijkt.
" Meent ge dat?"
" Natuurlijk!" lacht Sophie. " Anders zou ik het toch niet zeggen?"
" Dan... dan krijgt ge van mij een kaderke!" belooft Michel. Helemaal buiten adem van Sophie's dankbare glimlach en het plotse besef dat hij haar voor eeuwig en drie dagen zou willen zien lachen.
 
" Mercie, Charel!" bedankt Melanie Boeikens haar gebuur, de waard van de ‘Zilveren Pollepel' als ze mekaar aan de voordeur treffen.
" Door U heb ik terug een vaste logé!"
" Och, 't is niks kind!" grapt Charel. " Ik doe er mijn eigen ook een plezier mee!"
" Hoe dat?" wil Melanie weten.
" Wel, als hij goesting moest krijgen om een pintje te drinken, is mijn staminee het dichtste bij hé!"
" Ik zal ‘t hem voor alle zekerheid straks nog ‘ns zeggen!" belooft Melanie.
" Bedankt, Melleke. Maar dat van meneer Maurice! Dat zijn toch nogal lappen..." gaat Charel, het grote nieuws van de dag aansnijdend, verder.
" God, gottegot!" jeremieert Melanie. " Ik heb al twee keer police over de vloer gehad!"
" Ja, zoiets brengt niks als last!" is Charel het met haar eens.
" Van de morgen nog stond die recher..heu.. dinges op den dorpel met een pakske kleren!"
" Een pakske kleren?" echoot Charel die zoveel mogelijk stof tot conversatie tracht te verzamelen teneinde vanavond de klanten met zijn expertise terzake aan zijn tapkast te kluisteren.
" Om te vragen of ik ze herkende!"
" En???..."
" Ik kon er nikske van zeggen..." schudt Melanie haar hoofd.
" Da's spijtig..."
" ... maar ons Sophie die de was en de strijk voor meneer Maurice deed. Die wist het zekers!"
" Hoe dat?.."
 
" Erg aardig van U, meneer Michel, om mijn commissies te dragen!" voegt Sophie haar begeleider toe terwijl ze over de markt slenteren.
" Zeg toch gewoon, Michel, juffrouw Sophie! Alstublieft!"
" Mmm..." aarzelt Sophie koket. " ...toch wel toevallig dat ik U hier tegen het lijf loop, menee.. heu.. Michel!"
" Nie echt, juffrouw Sophie!" bloost Michel die heel de markt heeft afgestroopt in de hoop haar tegen het lijf te lopen.
" Ah nee?"
" Ziet ge,... ik ben dat schilderijtje naar de kadermaker gaan brengen en toen... heu... bedacht ik dat ik dringend wat nieuwe kleren en dergelijke nodig had!" fantaseert de jongeman uit de losse pols.
" Kleren? Hebt gij dan zo weinig om aan te trekken?" schatert Sophie die uit Michels manier van doen zonder moeite de ware toedracht kan ontcijferen terwijl voor haar geestesoog het beeld van haar gesprekspartner opduikt met niet meer dan een vijgeblad om het lijf. Een beeld dat ze tot haar verwondering verrassend fascinerend vindt.
" Tja, juffrouw Sophie, als ge meer dan twee jaar over de zeven wereldzeeën gezworven hebt dan is alles zo doortrokken van de pekel dat het alleen nog goed genoeg is om vodden van te maken." gaat Michel op de ingeslagen weg voort.
" Weet ge wat?" stelt Sophie voor. " Laten we vanmiddag samen gaan winkelen!" Want eigenlijk wil ze best wat meer in Michels gezelschap verkeren. Het is trouwens al lang geleden, houdt ze zichzelf voor, dat ze nog eens een verzetje heeft gehad.
" Wauw!" roept Michel blij verrast. Om dan direct daarop te stamelen. " Ik.. heu..ik..."
" .. vindt het een fantastisch voorstel!?" vult Sophie aan.
" Euh.. ja... JA!!!" straalt Michel, met een hoofd dat qua kleur veel overeenkomst met een rijpe tomaat vertoont.
 
" Marcel!!!"
" Ja chef?"
" Hoe zit het met dat rapport voor Brussel?"
" Nog justekens herlezen en mijne krabbel eronder zetten, baas!"
" Bon! Stuur het dan sito presto per koerier door!"
" Zal nie mankeren, patron!"
 
" Maar meneer... heu.. Michel wil ik zeggen, hier op de Meir is alles veel te duur!" protesteert Sophie als Michel op zoek naar een nieuwe uitmonstering de grootste winkelstraat van de stad instruint.
" Vindt ge?"
" Da's hier niks gedaan voor ons soort mensen!" gaat Sophie voort.
" Ik heb anders centen genoeg, zulle!" stoeft Michel.
" En wilt dat zeggen dat ge ze door deuren en vensters moet smijten?"
Daar weet Michel geen antwoord op en dus staat hij maar wat beteuterd te kijken.
" Weet ge wat hier wel zijn geld waard is?"
" Neeje?.."
" Zo'n creemglacé!" wijst Sophie naar een ijsventer die, met zijn in vrolijke kleuren geschilderde triporteur, langs de kant van de straat nering doet.
" Lekker hé?" glundert het meisje een paar minuten later, hun ijskreem zij aan zij opslurpend, voor één van de prachtig opgesmukte vitrines.
" Goh! Dat is minstens tien jaar geleden da'k nog zoiets geproefd heb!" smakt Michel tussen twee likken door.
" Plezant! Zo een hele namiddag niks doen!"
" Als ik met U samen ben, juffrouw Sophie, dan is het altijd en overal plezant!"
" Nu nie overdrijven!" waarschuwt Sophie een speels belerende vinger naar haar partner opheffend. Maar diep vanbinnen is ze in haar sas met het compliment.
" Trouwens, dat juffrouw moogt ge gerust weglaten!"
" Heu... da zou ik nie kunnen, juffrouw Sophie!"
" Ge zult wel moeten!" dreigt Sophie. " Anders bezie ik U nie meer!"
" Ma... maa..."
" Niks te maren! Alleen Sophie of het is uit met de liefde!"
" L... liefde????" stottert Michel. " Bedoelt ge...?" bloost hij. De creemglacé vergeten in de hand.
" Komaan! We trekken naar de Carnotstraat! Daar kunt ge broeken en vesten krijgen die meer bij ons soort van mensen passen!" verandert Sophie bruusk van onderwerp.
 
" Het rapport uit Antwerpen, chef!"
" Da's ook niks te vroeg!"
" ‘k Ben benieuwd wat er in staat!"
" We zullen het rap gaan weten!"
" Wel?"
" Zw..zw..zw... verdomme!!"
" Slecht nieuws?.."
" Zw..zw..zw! Ha! Hier! Schoenmaat 45!"
" 45?.. Maar dat wil zeggen...."
" Dat het onze man niet is!!"
" Dat alles nog volgens plan verloopt!"
" Hm.. min of meer! Die dooie duidt op onvoorziene problemen!"
" Misschien is het beter dat ik ter plaatse mijn licht eens opsteek?" stelt Emiel voor.
" Goed idee! Maar diskreet! De zaak is van te groot belang om ze door een ondoordachte handeling in gevaar te brengen!" waarschuwt de chef bezorgd.
 
" Waarom nie?" dringt Michel aan, voorzichtig het fragiele kopje koffie met zijn dikke matrozenvingers boven het tafeltje in de patisserie manipulerend waar de twee genieten van een welverdiende pauze nadat ze zowat de halve stad hebben afgestroopt op zoek naar de voordeligste koopjes.
" Om vanavond naar het theater te gaan?" weifelt Sophie.
" Het zou een schoon einde van een schone dag zijn!" pleit Michel.
" Ons ma gaat dat nooit goed vinden!" schuddebolt Sophie overtuigd van haar gelijk.
" Heu.." bepeinst Michel het probleem. " ..en als we ze meevragen?"
" Zo breed hebben wij het niet zulle! Neeje, dat zal nie gaan!"
" Ook nie als ik vanavond trakteer?"
 
" Awel Belle, da's potdorie lang geleden!"
" Ik weet het, Melanie-kind! Ik weet het! Maar tijd, dat hebt ge altijd te kort als ge zes koters en ne vent moet proper houden!"
" Alla, komt binnen en drinkt een jatke koffie!" nodigt Melanie haar jongere zuster uit.
" Wanneer was ‘t de laatste keer da we mekaar gezien hebben?" peinst Belle hardop terwijl Melanie druk in de weer is met de koffiekan.
" Dat moet geleden zijn van de begrafenis van nonkel Juul!"
" Ja zoiets zal ‘t zijn!" beaamt Belle de kommen en de andere benodigdheden van het koffiekletsservies op de tafel zettend.
" Hoe zou het met die zijn vrouwke zijn?"
" Met Eufrasie? Weet gij dat niet? Die is bij de nonnekes in ‘t klooster gegaan!"
" Daar verschiet ik nie van! Ze is altijd al een fameuze pilaarbijtster geweest!"
" En hoe is het met Sophie? Die is zeker al wel een hele juffra, nu!? Heeft ze al een vrijer?"
" Awel Belle, dat zou wel eens kunnen!" knikt Melanie.
" Hoe, dat zou wel eens kunnen? Ne vrijer dat hebt ge of dat hebt ge nie!"
" 't Zit zo, kind, .." legt Melanie uit. " .. tot voor een paar dagen was er nog geen sprake van ne man in heur leven!"
" En vandaag ineens wel?"
" Ik heb gisteren nen nieuwe logé in huis genomen. Ge weet toch wel van die affaire met mijne vorige onderhuurder?"
" Alleen wat er in de gazet heeft gestaan!"
" Dan zal ik U dat straks eens van naaldje tot draadje uit de doeken doen, zie!" belooft Melanie.
" Da's excellent, kind! Maar vertelt eerst verder over Sophie...."
 
" Meneer de commissaris!"
" Ja Louis?"
" D'r is hier iemand van Brussel!"
" Watte?"
" Nen zekere Bonaventure... Emiel Bonaventure!" spelt Louis het visitekaartje aflezend dat de bezoeker hem ter hand gesteld heeft.
" Tiens? Nooit van gehoord! Het is toch geen handelsreiziger, hé?"
" Van de S.N.B. zegt ‘m!" licht Louis toe.
" Watte? De Sureté Nationale Belge?" schrikt Van Everen, rap rap zijn kruiswoordraadsel nog maar eens in de bureaulade moffelend.
" Bon, laat hem dan maar binnen!" beslist de commissaris.
 
" Ma! Ma!... We zijn thuis!!" galmt Sophie.
" In de keuken, Sophie!" roept Melanie terug. En een paar ogenblikken later doet Sophie met Michel, als een muilezel bepakt en gezakt, op de hielen haar intrede.
" Hé!! Tante Belle!!" krijt zij verheugd, want van alle tantes en nonkels is tante Belle haar favoriete.
" Dag Fieke, mijn kind!" lacht tante Belle, haar nichtje trakterend op een paar stevige klapzoenen.
" Dag madam..." knikt Michel, die zich een beetje een buitenstaander voelt bij deze onvoorziene familiereünie.
" Dag meneer?...."
" Da's meneer Michel, Belle!" legt Melanie uit, om met een veelbetekenende blik naar haar zus verder te gaan. " Onze nieuwe kostganger waar ik U van verteld heb!"
" Niks dan goe, mag ik hopen?" grapt Michel wat ongemakkelijk omdat de pakskes beginnen door te wegen.
" Nie alleen maar goed, jonge man!"
" Maar allee, Belle!" sust Melanie.
" Heu, bedoelt ge dat van gisteravond?" informeert Michel grijnzend. " Dat kunt ge een arme matroos die twee jaar niet aan wal geweest is toch niet aanrekenen!"
" Trek U van tante maar niks aan, Michel-jong!" komt ook Sophie ertussen. " Tante denkt dat alle mannen zoals hare Jef zijn!"
" Bon, heu... als de dames mij even willen verontschuldigen?" maakt Michel een eind aan het wat ongemakkelijke gesprek. "Ik moet nodig mijn inkopen gaan uitpakken."
" Komt ge seffens nog een kop koffie drinken?" vraagt Melanie, bij wijze van zoenoffer, als Michel aanstalten maakt om naar de mansarde te trekken.
" Graag, madam Melanie! En een koekske zou er ook nog wel ingaan!"
 
" Bonjour, monsieur le commissaire!" begroet Emiel Bonaventure, beleefd de hoed lichtend, zijn gastheer.
" Waaraan heb ik de eer, monsieur?"
" Hm, laat ik U eerst mijn geloofsbrieven aanbieden, monsieur, want ik kom een zeer ernstige en delicate zaak met U bespreken."
" In dat geval, zult U er niets op tegen hebben dat ik even uw meerderen in Brussel contacteer?"
" Absolument niet! Zal ik even buiten wachten?"
" Dat zal niet nodig zijn, monsieur! Maar als U mij even wil excuseren?"
Waarna commissaris Van Everen, de geloofsbrieven van mijnheer Bonaventure in de hand, het bureel verlaat.
" Louis!"
" Ja, patron?"
" Ga even dien tiep in mijn kantoor gezelschap houden!"
" Goed, patron!"
" Dan telefoneer ik efkens naar het hoofdkwartier!"
" Amai chef! Dat klinkt wreed serieus!"
" Och, het kan evengoed een scheet in een fles zijn! Met die van Brussel weet ge't nooit!"
 
" Amai Sophie!" glundert tante Belle. " Da's een ferme manskerel die ge daar aan't lijntje hebt!"
" Vindt ge?" giechelt haar nichtje pretogend.
" Als ge hem van de fles en aan de wal kunt houden! Want verkeren met een zeeman dat trekt op niet veel!"
" Sophie! Is het al zover?" wil Melanie wat ongerust weten.
" Bijlange nie, ma! Ik ben ‘kik een serieus meiske, zulle!"
" En die jongeman? Hoe zit het daarmee?" gaat Belle verder.
" Hij wordt al rood als ik nog maar met mijn ogen naar hem knipper!" gniffelt Sophie.
" Dan heeft hij het ferm te pakken!" besluit Melanie.
" .. En gij?" informeert tante Belle, als een echte vrouw van de wereld.
" Ik.. heu... heu... hoe moet ik het zeggen..."
" Ziet g'er wel wat in?" helpt Belle.
" ... ik vindt hem erg lief... en..."
" Watte?..."
" ..ik krijg zo'n raar gevoel in mijn buik als ik in zijn ogen kijk!" bekent Sophie.
" Precies vlinders die op en neer dansen?"
" Ja, daar trekt het wat op!"
" Dan is het in orde, Melanie!" besluit Belle. " Die twee zijn verliefd tot over hun oren!"
 
" Zoals U kunt zien, .." wijst de heer Bonaventure naar de papieren op het bureau tussen hen in, " .. krijg ik van het hoofdkwartier volledige carte blanche!"
" Dat werd mij zojuist ook medegedeeld, ja." knikt de commissaris. " Maar wat kan de S.N.B. aan deze zaak toch zo interesseren?"
" Dat, monsieur Van Everen, kan ik U helaas niet zeggen!" schudt Emiel Bonaventure het hoofd. " Laat het U genoeg zijn dat deze affaire tot in de hoogste echelons van ons kleine landje met de grootst mogelijke belangstelling gevolgd wordt!"
" De moord op een kunstschilder?" gaapt Van Everen niet begrijpend.
" Inderdaad, monsieur! Daarom vraag ik van U en uw personeel alle mogelijke medewerking!"
" Natuurlijk! Natuurlijk! Daar kunt U van op aan! Is er op het ogenblik iets dat ik voor U doen kan?"
" Inderdaad!"
" U zegt het maar..."
" Kunt U mij een goed hotel aanbevelen?"
 
" Allee, toe ma!" bedelt Sophie.
" Naar 't theater? Ge zijt zeker zot gij?"
" Doe het voor mij, make! Toe!!"
" Nee kindje, daar krijgt ge mij nie naar toe! Zie mij daar in mijne voorschoot tussen al die deftige mensen zitten!"
" Michel trakteert!" voert Sophie aan.
" Dat heeft er niks mee te maken!"
" Mag ik dan alleen gaan?"
" Helemaal nie! Zo laat nog van huis met ne vent die ge nog maar één dag kent? Da ziet ge van hier! Wa gaan de geburen zeggen?"
" Uw ma heeft gelijk, Sophie! Een jong meiske zonder chaperonne naar het toneel, daar kan geen sprake van zijn!" draagt Belle haar steentje bij.
" Ziet ge nu wel! Uw tante zegt het ook!"
" Maar tante! Ma!?" klaagt Sophie terwijl de waterlanders zich stillekens een weg naar buiten banen. " Michel is toch nen brave jongen!"
" Hij mag zo braaf zijn als ‘m wil! Het geeft geen pas en daarmee uit!" besluit Melanie. Waarop Sophie, doodongelukkig, tranen met tuiten begint te blèren.
" Melanie!" doet Belle teken achterlangs de sniksnokkende Sophie.
" Ja?"
" Als er nog iemand bij is, mag ze dan van U naar de variété?"
" Hangt er vanaf wie...."
" Ikke?" stelt Belle voor.
" Gij?"
" Ja, ik ben al jaren nie meer buiten geweest! Een stapke in de wereld zou mij goed doen!"
" Jamaar! Wat gaat Uwe Jef daar van zeggen?"
" Nikske! Hij moest maar eens durven! Tenandere, hij mag ook al eens een avondje op zijne kroost passen inplaats van tot een kot in de nacht te gaan biljarten op 't hoekse!"
 
" Baas! Baas!"
" Jawohl?"
" Goe nieuws, baas!" juicht Floor bijgenaamd De Vos. De nieuw aangeworven handlanger ter vervanging van Frans de Voorhamer en Pol de Stier.
" So?"
" Die van de Klaversteeg zijn alledrie schampavie!"
" Schampavie? Was beduidt das?"
" Weg! Het huis uit!"
" Weg! Waarheen?"
" Da weet ik nie! Maar ze zijn gedrieën in ne karos gestapt! Dat doet ge niet als ge maar achter 't hoekske moet zijn!"
" Du hast gelijk! Fabelhaftig... Dieter!!!"
 
" Amai! Amai mijne amai!" schatert tante Belle. " Lang geleden dat ik nog zo gelachen heb!"
" Hoehoe!... Als ik aan die vent zijn smoelwerk denk toen ‘m die vlaai in zijn gezicht kreeg, moet ik nog lachen!" grinnikt Michel.
" En toen hij onder dat bed zat met zijn madam en haren amant er bovenop!" gibbert Sophie. " Da was pas komisch!!"
" Maar, hm..." wordt Belle terug ernstig. " ... misschien kunnen we aan uw ma beter nie vertellen naar welk stuk we geweest zijn... ."
" Zou ze er... heu.. nie mee kunnen lachen?" proest Michel het uit in de naweeën van de lachkramp die bijna volle twee uur heeft geduurd.
" Tja.. ons ma is nogal... serieus..." bedenkt Sophie terwijl ze haar arm door die van Michel haakt. Simpel gebaar dat Michel op stel en sprong in de zevende hemel doet belanden.
" Heu..." stottert hij in een manhaftige poging om terug met beide voeten op dit ondermaanse terecht te komen. " Zal ik dan nu maar een rijtuig proberen te pakken te krijgen?"
" Bah, neen!" protesteert Sophie, dichter tegen hem aanleunend. " Het is een prachtige avond! Helemaal niet koud! Laat ons naar huis wandelen! Wat denkt gij tanteke?"
Voorstel waarmee Belle, omdat ze vroeger ook jong geweest is en dit nog lang niet vergeten, uit romantisch oogpunt mee instemt ondanks dat haar reumatiek weer dreigt op te spelen.
 
" Vooruit Dieter!" sist herr Gussman. " Voortmaken bitte!"
" Mij nie afjagen, hé!" grommelt de aangesprokene haast geluidloos terug terwijl hij de voordeur van het pension van Melanie Boeikens openprutst.
" Vos!"
" Ja chef?"
" Du gaat mee naar binnen!"
" Is dat wel nodig?" protesteert Dieter die nu in de gang staat.
" Jawhol! Twee zijn immer beter dan één!" wuift herr Gussman zijn bezwaar weg.
" Ge weet waar we naar zoeken?"
" Jaja! G'hebt het al wel honderd keer uitgelegd!" mompelt de Vos ongeduldig.
 
Mama Boeikens ligt, zoals alle ouders die voor de eerste keer hun kroost op eigen vleugels laten uitvliegen, klaarwakker in haar bed naar de afgebladderde zoldering te staren. Ze heeft al wel tienduizend schaapkes geteld, om de halve minuut van haar ene zij op de andere gerold. Juist voor het slapen gaan nog een glas warme melk naar binnen gegoten. Maar niets van dit alles heeft het zandmannetje kunnen vermurwen om bij haar langs te komen. Moest het niet zijn dat de petrol tegenwoordig zo duur was, ze zou geprobeerd hebben zichzelf in slaap te lezen en nu, op dit eigenste ogenblik hoort ze ten langen leste de voordeur opengaan. Het opgeluchte hart maakt een dubbele salto! Haar schattebouteke is eindelijk terug, behouden thuis!
Ze spitst de oren. Want alhoewel ze haar dochter honderd en tien procent vertrouwt zou ze toch niet graag hebben dat deze, of die jonge kerel, zich ‘per abuis' van kamer vergist.
Daar verneemt ze ingehouden gefluister... normaal voor een jong koppel! Dan, een minuutje later, hoort ze de trede juist voor de overloop kraken! Tot zover heeft ze vrede met het verloop der zaken. Stil ligt ze te wachten op het knarsen van de scharnier van Sophie's deur... .
" NIKS!!!! Verdorie!" ontzet houdt ze de adem in, gespitst op elk mogelijk geluid. Dacht ze het niet!!! Dat haast onmerkbaar gepiep! Da's de derde tree van de trap naar de mansarde! Die verd..mmese manskerels! En dat stom kieken van een dochter van haar! Op weg naar de kamer van die... die... afin.. naar haar eigen ongeluk!!
Maar dat zal niet waar zijn! Niet zolang ma Boeikens in huis is! Gelukkig heeft ze haar kleren nog aan en de deegrol binnen handbereik!
 
" Verdomme! Verdomme verdomme!..."
" ... Miljaarde miljaarde miljaarde!!!"
" Vindt ge 't niet?" sist de Vos naar Dieter die verwoed in, onder en bovenop Michels kleerkast aan het zoeken is.
" Neeje! 't Is pertang toch geen klein spul!"
" Wacht ik zal ‘ns wa helpen!" biedt Floor aan, de daad bij het woord voegend door de plunjezak van Michel onder het bed uit te trekken en nonchalant op de vloer uit te kieperen.
" Maar allee Vos! Dat ziet ge toch van hier dat daar de marchandise niet in zit!" jeremieert Michel ongeduldig over zoveel dommigheid. Maar de Vos luistert maar met een half oor. Hij is van mening dat als ze niet vinden waar ze voor gekomen zijn, ze alleszins recht hebben op enige compensatie. Daarom strekt hij zijn grijpgrage vingers uit naar een kleine leren veelbelovende geldbuidel waarvan de sluiting danig onder spanning staat vanwege datgene wat er in zit.
Maar het is Floor niet gegund een blik op de inhoud te werpen want juist als hij aan de sluiting prutst, barst de slaapkamerdeur open om een soort razende furie op jaren, vervaarlijk zwaaiend met de universele steun en toeverlaat van alle huisvrouwen waar ook ter wereld, door te laten.
" Sophie!!!.." keelt het mens. " .. wat zijt gij allemaal van pla...." verder geraakt Melanie, want het is madam Boeikens die zo verontwaardigd en hoogstongelegen komt binnenvallen, niet met haar tirade. Omdat de Vos door een welgemikte slag met zijn gebalde vuist midden op het aangezicht van het tierende vrouwmens, waardoor deze verdwaasd achteruitdeinst en met haar tien geboden van de trap dondert, bewijst dat hij als het ware geknipt is voor het beroep van nietsontziende zware jongen.
" Vos!!! Wat doet gij nu?!!" foetert Dieter het bewegingsloze lichaam op de lagergelegen overloop in ogenschouw nemend.
" Mijn werk, tiens! Wat anders?" antwoordt de Vos


Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.