Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Overige
Geplaatst:
14 mei 2008, om 21:10 uur
Bekeken:
891 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
491 [ download ]

Score: 3

(3 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Noodkreet [ 1 / 3 ]"



Er rest mij niets anders dan weg te kwijnen in mijn verdriet en te vluchten, ver weg van deze gehate werkelijkheid.
Dit was mijn eerste gedachte, op de bank bij de psychiater, nadat hij voor de eerste keer mijn verhaal had aangehoord zonder zijn emoties te laten zien. Jaren lang had ik keihard gewerkt en mijn ziel en zaligheid er ingestopt. Men zou denken dat ik gewaardeerd werd, maar niets was minder waar. Bij elke tegenslag probeerde ik nog beter mijn best te doen. Bij elk hoongelach hield ik mij stil en verzon ik weer nieuwe methodes om mijn collega's te behagen. Ik wou dolgraag dat iedereen mij aardig vond. Op een of andere manier was het mij niet gelukt.
 
Nu is de energie op. De kracht om het negatieve om te buigen of te weerleggen is verdwenen. De wil om te presteren is weg. De bom is gebarsten. Nu een week later, waarin mijn bank mijn beste vriend was, heb ik de moed weer gevonden om wat te ondernemen. Nog steeds ben ik niet de oude en moet ik verplicht thuis blijven van de dokter. Het besluit dat ik nu heb genomen is een logisch gevolg van de situatie, evenals de consequenties die hieruit voortvloeien.
 
De eerste tekenen waren dat ik steeds vaker uit mijn slof schoot. Mijn zelfbeheersing werd minder. Collega's keken raar op. De timide persoon zoals ze mij kenden, vervaagde. Er werden grapjes gemaakt en in de kantine had ik nu mijn eigen tafel. Helemaal voor mij alleen. Mensen hadden het over me. Ik ging steeds meer gefluister horen. Ook gefluister wat er niet was. Ik ging mij verbeelden dat de hele wereld tegen mij was. Vervolgens werd dat ook mijn waarheid. De laatste keer dat ik uit mijn slof schoot was ook meteen de druppel waarvan mijn baas zei : ‘Dat doet de emmer overlopen!' Ik kon hem niet anders dan gelijk geven. In zijn situatie kon hij ook niets anders doen dan mij naar de bedrijfsarts sturen. Maar goed, op dat moment zag ik de zaken toch net even iets anders. Ik werd gevraagd om nog een presentatie te geven aan het bestuur over de afgelopen kwartaalcijfers. Vrij normale vraag zou men zo zeggen, maar dit viel niet onder mijn takenpakket. Ik wilde nog steeds proberen om een wit voetje te halen en daarom stortte ik mij volledig op deze taak. Overal probeerde ik bij zoveel mogelijk mensen de juiste cijfers te halen voor deze presentatie. Onder het mom van ‘Kijk eens waar ik nu mee bezig ben!' Ik had kunnen weten dat dit geen indruk meer maakte op mijn collega's. In mijn fanatisme om iedereen te benaderen kwam ik vrij agressief over. Zelf had ik dat niet in de gaten, maar mijn collega's maakten nu steeds minder grapjes in de pauzes, uit angst voor mijn opvliegers. Ik kwam steeds vaker voor gesloten deuren te staan. Tot het moment dat ik het opgaf. De laatste daad op mijn werk bestond uit het openen van mijn raam op de zesde verdieping van het kantoren complex. Hierna prevelde ik nog een gebedje en gooide mijn computer door het geopende raam. Deze miste net de directeur die met twee klanten aan kwam lopen. Dat was mijn laatste werkdag. Vorige week ging ik dus naar een psychiater, die mij aanhoorde, wat onverstaanbaars mompelde en een recept uitschreef.
De eerste dagen kon ik voor een kasplantje door gaan. Versuft had ik samen met de afstandsbediening op de bank gelegen. Tot niets anders in staat dan met mijn duim de knoppen te beroeren. Zelfs roken was een vermoeiende bezigheid. Nadat ik op een dag rechtop tv zat te kijken, voelde ik dat mijn geest zich langzaam vrij maakte van de ketenen waarin het verstrengelt zat. Gedachten bevrijdden zich en doolden rond in het afgebakende deel van mijn brein. Langzaam begonnen ze vastere vormen aan te nemen en kreeg mijn bewustzijn meer vat op het hier en nu. Dit was het moment dat mijn situatie zich aftekenende tegen de achtergrond van een onduidelijke toekomst. Het besluit ontstond om deze achtergrond te vullen met een doel dat uiteindelijk de fundering vormt van mijn besluit.
 
Gisteren ben ik voor de tweede keer geweest en gelukkig schreef hij dezelfde medicatie voor. De naam ben ik even kwijt, maar allemachtig, wat werken dié pilletjes goed. De stress verdwijnt nu langzaam uit mijn lijf tezamen met alle andere gevoelens en emoties. Maar wie heeft nu emoties nodig als je weer kan denken en pillen als deze hebt. Ik niet. Het is wel een raar gevoel zo thuis te zijn en geen verplichtingen meer te hebben. Het maakt toch wel een ander mens van mij. Ik heb meer tijd om na te denken en stil te staan bij de kleinere dingen des levens.
Fuck. Wat ben ik lui geworden op die bank. Ik ga staan, rek mij uit, terwijl mijn ogen met tegenzin de te grote spiegel aan de muur vinden. Ik heb die eens gekregen van mijn ouders. Ik kijk in die spiegel en zie een man die over het randje is gegaan. Ingevallen oogkassen met daarin donkerbruine ogen, die afgedekt zijn met donkere wenkbrauwen. In het midden staat mijn neus die verder weinig opvalt. De rimpels boven mijn wenkbrauwen vallen echter wel op. Het zijn net diepe kloven waar een man zijn gedachten van een heel leven in kan verstoppen. Mijn gezicht heeft over het algemeen een grauwe uitstraling waarin mijn mond zuur staat. Dat laatste kan ik verder ook weinig aan doen, want dat is nu eenmaal mijn gezichtsuitdrukking. Mijn kin versterkt dat door zich wat op de achtergrond te houden.
‘Voordat ik naar de supermarkt ga moet ik eerst maar mijn haren bedwingen', stel ik mijzelf voor. Ik wend mijn blik af van die lelijke spiegel, neem nog een hijs van de sigaret - die ik nog in mijn vingers had - en druk deze vervolgens uit in een veel te kitscherige asbak. Deze heb ik niet gekregen van mijn ouders, maar zelf gekocht in een vlaag van verstandsverbijstering. Dit was op een markt in Thailand, waar ik ben geweest met allemaal andere vrijgezellen.
Dat was wel een van de allerstomste vakanties geweest!
Ik schud mijn hoofd en beweeg mij in de richting van de badkamer. Als ik het licht aan doe zie ik pas goed hoe ik getekend ben door alle gebeurtenissen van de afgelopen jaren.
‘Eens kijken of jullie vandaag mee willen werken', spreek ik mijn wilde bos bemoedigend toe. Ik pak de tube gel in mijn rechterhand en knijp deze leeg op mijn andere hand. Met beide handen probeer ik mijn haar, dat hevig protesteert, in het gewenste model te brengen.
‘In de reclames gaat het altijd veel sneller en makkelijker', mompel ik zachtjes. Uiteindelijk heeft het iets van het model dat ik in gedachte heb. Ik vind het prima en pak vervolgens mijn bus deo en spuit wat onder mijn trui. Het is van die deo waar hordes van vrouwen op af behoren te komen, maar het blijft een reclame natuurlijk. Ik geef mijn spiegelbeeld een knipoog, die het zelfde doet en slof terug naar de kamer waar ik mijn schoenen aantrek en opzoek ga naar een tas voor de boodschappen. Deze vind ik in een keukenkastje en ik frommel het plastieken ding in mijn jaszak. Nog één keer haal ik diep adem en open vervolgens de voordeur. De galerij is leeg, wat mij goed uitkomt. Ik stap naar buiten. Als ik nu ergens geen behoefte aan heb dan is het wel praten met de buurvrouw. Die bemoeizuchtige muts van hiernaast. Ik kan mijn gezicht normaal niet laten zien of ze staat al naast mij de oren van mijn kop te vragen: ‘Gaat het wel buurman? U ziet een beetje bleekjes.'
De deur valt achter mij in het slot en ik begeef mij naar de lift. Het flatgebouw waar ik in woon heeft tien verdiepingen. Mijn appartement is op de negende verdieping en ik heb een mooi uitzicht over de stad, mijn stad. Ik woon al meer dan 15 jaar hier en inmiddels ben ik van mijn stad gaan houden. Even twijfel ik of ik de trap zal nemen, maar ik druk toch op de knop en de lift krijgt de opdracht om naar mijn verdieping te komen. Alles lijkt langs mij heen te gaan en mijn hoofd voelt aan als een groot donzen dekbed. Een beetje verdoofd sta ik voor de liftdeur als deze open gaat. Gelukkig. Niemand in de lift.
De deuren sluiten en ik zie dat de verdiepingnummers snel afnemen. Voordat ik het goed en wel besef sta ik al beneden in de hal en is de lift weer op weg naar boven. De glazen schuifdeuren gaan voor mij open en ik loop de straat op. Gaande weg dringen de geluiden van mijn stad door in mijn hoofd. Kinderen gillend en schreeuwend onderweg van school, naar huis. Auto's die toeteren en gevaarlijk manoeuvrerend langs de schoolkinderen scheuren. In vergelijking met mijn appartement barst het hier van de activiteiten.
Ik had moeten weten dat het nu lunchtijd is.
Mijn ogen sluiten zich heel eventjes voor de werkelijkheid waarna ik diep adem haal en mijn weg vervolg naar de supermarkt. Dit is pas de tweede keer dat ik alleen ga, maar ik moet gaan. Ik sta aan de overkant van de supermarkt waar ik om mij heen kijk. Het is er niet druk, wat ik kan zien aan het gebrek van fietsen in de fietsenrekken. Mijn hartslag neemt langzaam toe en even voelt het alsof mijn huid opbolt door de te hoge bloeddruk. Ik haal diep adem alvorens ik oversteek.
 
Ik loop de supermarkt binnen en pak een winkelwagentje terwijl de schuifdeuren achter mij weer dicht gaan. Zo rustig en onopvallend mogelijk probeer ik door te lopen. Eigenlijk best gek. Als ik alleen ben en erop gaat letten, lijkt het alsof iedereen mij ziet lopen. Dat alle ogen op mij gericht zijn en hun meningen klaar liggen op het puntje van hun tong. Een prikkel tussen mijn schouderbladen. Ogen boren zich in mijn rug en ik voel dat mensen mij in de gaten houden. Ik voel het gewoon! Met een ruk draai ik mij om en zie een ouder echtpaar keuvelend bij de groente afdeling de afweging maken of het nu bloemkool of broccoli wordt vanavond. Ik weet gewoon dat zij mij aankeken alsof ik een vieze ziekte ben. Ik dwing mijzelf tot rust te komen en stap uiterlijk onbewogen verder richting het koelvak. Daar staat dé ex-collega van kantoor. Ze weet niet waar ze moet kijken als mij ziet aankomen. Snel grijpt ze naar haar winkelwagentje en zie ik haar met angstige ogen haar weg vervolgen naar de kassa .
Zie je wel, zij denkt precies het zelfde!. Ik ben een ziekte waar je zo ver mogelijk bij vandaan moet blijven!
De spanning in mij neemt verder toe evenals mijn lichaamstemperatuur. Ik graai twee pakken melk uit het koelvak en gooi deze in mijn wagentje. Ik loop verder door de eerste gang en pak wat ik voor vanavond nodig heb. Ik voel toch enige mate van voldoening nu ik de eerste gang heb gehad. Het is uitputtend. Nooit geweten dat boodschappen doen zo zwaar kan zijn. Snel loop ik door de volgende gangen heen, het wagentje voor mij uit duwend. Plots stapt een man vlak voor mij de laatste gang in. Ik kan met mijn wijd openstaande ogen niet verhullen dat ik enorm schrik en mijn hart schakelt nog eens een versnelling hoger.
‘Pardon meneer', hoor ik die man zeggen, maar het is vooral wat hij niet zegt. Ik zie hem kijken naar mij terwijl hij een vies gezicht trekt. Zijn wenkbrauwen zakken tot over zijn ogen en zijn onderlip trekt zich terug. Ik zie toch het zelf! Wat een lef! Ik begin het nu echt warm te krijgen en rits mijn jas open. Ik heb bijna alles. Ik moet nu echt weg hier, het wordt mij te benauwd. Ik begin sneller te lopen en minder goed op te letten onder de constante druk van mensen die mij in de gaten houden. Een zweetdruppel ontpopt zich uit een van mijn poriën als ik bij de kassa ben aangekomen. Mijn hartslag is inmiddels te vergelijken met iemand die aan het trainen is voor de halve marathon. Snel pak ik mijn spullen uit het wagentje en zet deze op de lopende band. Als de caissière aan mijn boodschappen begint kijkt ze mij glimlachend aan, maar zodra ze mijn gezicht ziet verdwijnt die lach onmiddellijk.
‘Goede middag', zegt ze en begint, zonder nog op te kijken, met het scannen. Ik kan niets uitbrengen. Omslachtig haal ik de verfrommelde plastic zak uit mijn jas en probeer snel en onhandig mijn boodschappen in te pakken. Mijn handen trillen zachtjes bij deze inspanning. ‘O mijn god! Ik moet weg hier!' zeg ik binnensmonds. Het laatste pak melk is gescand en zij noemt mij het totaal bedrag op.
Die ondertoon in haar stem! Zo denigrerend!
‘Pinnen graag', kan ik nog maar met moeite over mijn lippen krijgen. Inmiddels zijn al mijn rimpels gevuld met zweet en probeer ik zo beheerst mogelijk mijn pincode in te typen. De vrouw die achter mij staat vind mij vast een slappe lul omdat ik moeite heb met mijn code. Hoe durft ze! Als mijn trillende vingers de juiste cijfers in hebben getoetst komt er ‘u heeft betaald' te staan en rolt de kassabon er eindelijk uit. Ik stop de bon in mijn plastic tas en wil net weglopen als zij nog vraagt: ‘Spaart u zegels?'
Even stokt mijn adem en mist mijn hart een slag. Heel even staat de tijd stil en is het geluid uit de supermarkt kortstondig verbannen.
Langzaam komt de tijd weer op gang en draai ik mij zo beheerst mogelijk om, terwijl mijn handen nu getooid zijn met witte knokkels.
‘Nee!', roep ik te luid en de mensen die nog niet naar mij keken doen dat nu wel.
‘Nee! Ik wil de rottige zegels niet van je! Weet je wat je met die zegels kan doen! Die kun in je...' Doordat ik schreeuw verslik ik me in mijn speeksel en moet ik proestend de laatste woorden doorslikken. Met een ruk draai ik mij weer om en been met grote passen op de schuifdeuren af die nog net op tijd opengaan. Zonder te kijken steek ik de straat over en blijf ik doorlopen totdat ik bij mijn flat ben aangekomen. Daar durf ik weer normaal adem te halen en loop ik de hal in waar ik de lift de opdracht geef om mij ditmaal beneden op te komen halen. De stilte in de hal is onbeschrijfelijk. De woorden van de caissière galmen nog na in mijn hoofd.
Spaart u zegels? Spaart u zegels? Al mijn kleine haartjes staan overeind, getuigen dat ik onder hoogspanning sta. De liftdeuren schuiven open en ik stap naar binnen, terwijl ik mijn boodschappen neer zet, druk ik op nummer negen. De deuren sluiten en ik ga naar boven tegen de wil van de zwaartekracht in. Ook hij is tegen mij. Ook hij zal mij nooit met rust laten! De lift maakt kenbaar dat ik op mijn verdieping ben en de deuren schuiven open. Ik loop de galerij op naar mijn voordeur. De hoop om voorbij het huis van mijn buurvrouw te lopen zonder dat ze mij aanspreekt is tevergeefs.
‘Hoi buurman, u ziet een beetje bleekjes. Gaat alles wel goed met u?' vraagt de buurvrouw die mij natuurlijk stond op te wachten, omdat zij mij eerder had misgelopen.
‘Gaat je niks aan! Trut!' flap ik eruit en laat mijn buurvrouw verbouwereerd achter op de galerij. Als ik met trillende handen haastig mijn huissleutel zoek, komt ze naar mij toegelopen. Stom mens!
‘Wat zei u daar? Dat neemt u onmiddellijk terug!'
Het is geen vraag, het is een eis. Iets knapt er in mij. Op een manier zoals een gloeilamp kapot gaat als het draadje springt. Anders kan ik het niet omschrijven. Ik laat de plastic zak, die ik nog beet heb, vallen. Met mijn rechterhand, waar ik mijn huissleutels in klem, sla ik mijn buurvrouw vol in het gezicht.
De tijd vertraagt, tot het moment zelf allesomvattend is.



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.