Gegevens:

Auteur:
Categorie:
Columns/Blogs
Geplaatst:
8 december 2020, om 12:22 uur
Bekeken:
193 keer
Aantal reacties:
0
Aantal downloads:
23 [ download ]

Score: 0

(0 stemmen)

Log-in om ook uw mening te geven!




Share |

"Ga je mee verdwalen? Ik weet de weg. Loesje. "


‘Ga je mee verdwalen? Ik weet de weg’. Loesje.

 

Ik liep net incognito door de buurt. Dat betekent in dit verband zonder mobiele telefoon. Vergeten die mobiel en het stoort me niet. Ik hoop alleen niet dat ik door mijn enkel ga als ik in mijn hoofd loop te verdwalen en dan niet kan lopen. Rampscenario’s. Kleine rampen, ik ben regelmatig bezig met kleine rampen, vooral als ik moe ben. ‘Straks loop ik nog de gracht in’. ‘Straks val ik en word gespiesd op dat ijzeren hek’. ‘Ik haal het niet naar huis’, ‘haal het niet naar de auto’. Etc. Maar in nood zijn er altijd medemensen die zich over je gaan ontfermen. Een kleine moeite. En anders zijn het hufters.

Maar er gebeurt natuurlijk niks van dien aard. En o ja, ik heb zeker wel hufters meegemaakt. Zoals die bestelbus die me op mijn fietstochtje naar de moestuin een hek in jaagde of die klootzak die zijn hond niet onder controle had, die de mijne heeft gepakt.

Een verhaal apart.

Mijn hond durft nog steeds nauwelijks langs dat huis, waar die kuthond woont. Ik ken dat. Ik had vroeger ook zo’n huis, zo’n adres waar een hysterische moeder van een inmiddels ex-vriendinnetje me zou kunnen aanvallen. Ik zou haar een keer een hersenschudding hebben geslagen. Trauma’s. Je groeit er langzaam overheen, heel langzaam. Het kan jaren duren. Bij mij van mijn 10e tot een nieuw incident op mijn 11e haar revanche en daarna nog angst tot aan de tweede klas van mijn VWO. Ik nam altijd een alternatieve route, een veel mooiere route overigens, dwars door de weilanden.

Maar je moet elk verhaal een keer afsluiten.

Ervaringen beklijven meer dan fantasie, dat zal duidelijk zijn en is wetenschappelijk te bewijzen. Psychologie is er goed voor. Maar als je het probleem zelf oplost ben je beter af. Mijn hond is het bijtincident nog niet te boven, we lopen er dagelijks wel twee of drie keer langs en ik moet zeggen dat ik zelf ook altijd goed oplet of het kreng er is. Het lijkt een logeeradres. Meestal is er geen hond te zien.

Maar goed, in hoeverre een negatieve ervaring traumatiseert daar zijn geen regels voor. Noch zijn er regels voor het moment waarop de lucht weer opklaart. En hoe het litteken achterblijft. Ik ben vaak blij met een fysiek litteken, de samenvatting, de referentie, om het niet te vergeten. En tevens om er niet meer over te hoeven denken. Voldongen feiten. Show me your scars.

We blazen de dingen soms ook wel een beetje op. Zodat het bijna aanstellerij lijkt. Dat doen honden trouwens ook. Laatst trok mijn hond met haar achterbeen alsof ze een zeer voetje had. De kussentjes uitgebreid bekeken, maar niets te zien. En toen ze daarna met ons mee mocht in de auto sprong ze er vrolijk in, niets aan de hand. Het toeval wilde dat onderweg naar het bos op Radio 1 een conversatie kwam over dieren, dat die ook last kunnen hebben van aanstelleritis. Met als voorbeeld dat pootje! Dus wij keken elkaar veelbetekenend aan en ik had eindelijk weer eens iets te lachen. Coïncidentie. I love it. 

Dat alles in hetzelfde wetenschappelijk kader gepast moet worden is de grote misvatting, de grove fout. In de softe sector zijn waarheden betrekkelijk. In de exacte sector moet men rekening houden met nieuwe ontdekkingen. Denk nooit dat je ‘het weet’.

Een wetenschappelijke alfa revolutie vindt pas plaats als generaties gevochten hebben voor erkenning, en de nieuwelingen gaan doen alsof het doodnormaal is, hoe de dingen werken. Dat is nu aan de gang als het gaat over sociale wetenschappen van zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw. Die toonaangevende wetenschappers waren tóen 40, 50, 60 jaar oud. Door de wol geverfd. Sinds ik me er zo de laatste tijd na een trauma van 35 jaar terug weer eens serieuzer dan populairwetenschappelijk in verdiep moet ik dat constateren. Dat het ‘allemaal gewoon geworden is’. Vooral de terminologie. Zelfs kleuters bezigen sommige vaktermen van toen. En ja ik kwam er bij mijn opfrisactie tevens achter dat Boeddha zegt: ‘neem nooit iets aan van mondelinge of schriftelijke overlevering, ook niet van mij, tenzij je de ervaring en de gevolgtrekkingen deelt’.

Maar goed, hahaha, het duurt dus allemaal een paar generaties, voor het beklijft. Degenen die nu aan het roer staan, gaan als ze hun burn-out hebben gehad, uiteindelijk de waarheid zien van de wetenschap van de negentiger jaren en het begin van de 21e eeuw, die zo ongeveer met iedereen gedeeld wordt.

Goed, dan zijn we er nu. La pointe. Dit gaat om de hoge vlucht van de technologie, die veel te bieden heeft, zo niet alles en de biotechnologie, die ethische vragen oproept, die nog ondergesneeuwd raken. Nu al leven die vragen, maar nog niet bij de jonge honden, de vakidioten van nu, die in hun kader vastzitten. Er is wat dat betreft weinig veranderd. Al lijkt het ‘liever’.

We leven nog maar een klein eindje in de nieuwe mythe. De biotechnologie. Ik vrees de gevolgen van overmoed. Ik durf het bijna niet te zeggen: het verlies van de moraal. Hoezo durf ik het nauwelijks te zeggen. Ik neig naar CU standpunten, behalve als ik ze hoor verkondigen en herhalen door de adepten. Ik vind dat, maar sta bij de beste stuurlui. Aan de kant. Ik observeer het. Zonder positie.     

Ik liep op mijn ronde wat te mijmeren over dingetjes die ik tegenkwam. Zo zag ik een grote vogelveer. Ik had hem gisteren ook al gezien. Zo eentje waar je een indianentooi van kan maken. Ik vroeg me af waarom deze veer nog niet weg was, niet gevonden en opgeraapt. Zijn de kinderen veranderd? Hebben ze zo weinig oog voor dingen die leuk zijn om op te merken, of laten ze, heel volwassen, de sporen liggen voor andere speurneuzen. Ik denk geen van beide. In mijn jeugd heb ik veel en vaak vogelveren gevonden en meegenomen. Niet dat ik er een tooi van maakte, maar gewoon om het vinden en het ontdekken. Ik denk niet dat het feit dat ik ze opraapte andere kinderen heeft belet ook veren te vinden. Er waren er gewoon meer of er waren simpelweg meer ruzies tussen vogels. Geen idee. Ik ben geen bioloog en als ik bioloog was zou ik me over zo’n vraag niet druk maken. Er zijn belangrijker zaken dan een burenruzie tussen en duif en een ekster of een eend en een sperwer. Ja dat klopt, die zijn hier ook. Sperwers. Schuwe vogels, althans in de menselijke habitat. Nooit gezien? Stom toevallig zat er van de week één op de schutting!

Waar kun je oog voor hebben als je er nooit op bent attent gemaakt. Hoe komt het dat ik ‘zoveel weet’ over planten en dieren, veel namen en eigenschappen. De botjes in de vleugels en het schedeltje, ik heb ze allemaal bekeken. Op plaatjes. Geen ervaring. Geen uilenballen uitgeplozen, want die waren er al niet meer, niet daar waar mijn oudste broer ze vond en er ervaring mee opdeed. Ik kan nog exact naar die plek lopen. Tijden veranderen. Maar wist ik veel, wist hij veel. We hebben het leven en de ontdekkingen en herkenning allemaal zelf moeten doen. Je eigen weg door het woud vinden. Ik vond wel de schalen van eitjes. Meestal helderblauw, mereleitjes. Een heel algemene, niet schuwe, vogel. Als je in de tuin werkt zitten ze te wroeten en vertrouwen erop dat je ze hun gang laat gaan. Wie me dat wijs gemaakt heeft weet ik niet. Ik denk mijn moeder. Het zijn waarnemingen en ervaringen. En waarschijnlijk hebben mijn broers of een vriendinnetje of de school of een werkstuk met praktisch onderzoek me dingen geleerd. Niets komt je aanwaaien. Aan de hand van school, lessen, veel buiten zijn en de omgeving tot je door laten dringen. Er is nooit veel moeite aan te pas gekomen. En het vervolg schrijft zichzelf. Merels zijn tegenwoordig ten dode opgeschreven door een virus. Las ik in de krant. Ik zie er inderdaad minder, minder dan een paar jaar geleden. Dat virus is een verklaring die door moet gaan voor wetenschappelijk, maar het is feitelijk slechts een mening, van een deskundige, een vakman. Die doorgeblaat wordt in de krant en mij en anderen dan bereikt en ik vind het aannemelijk klinken dus ik ga dat zeker niet verifiëren, dat kost alleen maar tijd op niks af. Ik ben geen bioloog, dus het hoeft me niets te zeggen. Ieder zijn steel. Ik zie nog zat merels. Het herstel is alweer ingezet. 

De coïncidentie was overigens dat ik op het trapveldje voor mijn huis een jongetje hoorde zeggen dat ‘het ei kapot’ was. Ik heb geen idee van de context van zijn opmerking. Maar iets was ‘toch dood’ en ‘het ei was kapot’. Het zij zo. Het is een coïncidentie die mij even bijblijft, omdat ik me op mijn loopje bezig had gehouden met jeugd, veren en eitjes. Het lijkt zomaar in de lucht te zitten, zelfs zonder bemoeienis van satellieten. Geen mobiel immers in mijn zak. En ja, dat was de aanzet tot een vrij ‘onbenullig verhaaltje’, van hier naar nergens en terug, om de degens te slijpen. Het blijven oefeningen. Wat is waarheid? 

Ik schrijf graag om de routine van het schrijven te onderhouden. Dwaalwegen, ik ga van het een naar het ander, associatief en kom op een bepaald moment weer terug op het begin en dan is het klaar? Nee, dan begint het pas. Het moet bewerkt worden, herschreven, duidelijk gemaakt, dingen moeten geschrapt worden en er moet zo min mogelijk worden toegevoegd. Dat leidt eventueel tot een soort column. Een mening over dingen waar je geen verstand van hebt, laat staan dat je weet wat de waarheid is. Van het kaliber van de verhaaltjes die je leest in de Libelle en de Plus, maar ook steeds meer in kranten zoals de Volkskrant en de Telegraaf of de regionale kranten. En het web staat er vol mee. Onbenullig.

Voor mezelf in de schrijverij voor mezelf gaat het probleem iets verder omdat het schrijven in zekere zin bloedserieus is. Bijvoorbeeld wanneer ik coïncidenties ervaar, waar Big Brother geen getuige van kan zijn geweest! Zonder zender, zonder mobiel. Dat biedt hoop!!

Ik kwam, zag en overwon. De keizer van het Romeinse Rijk waardig. Check. Feiten. Dat weet Big Brother dan weer wel!? Dat ik iets check op Google en wat ik check. En het blijft zo dat alles wat kán ook gebeurt. Reken maar. Of het komt eraan. De bijvangst van de sleepwet. Zonder verband. Op niets af. In de toekomst kunnen ze mijn toetsaanslagen ook ‘lezen’. Wat ik je brom. Het kan al, niet in de private sfeer natuurlijk, maar het kán dus het gaat gebeuren. Data generen data genereren data. Drie intelligente deelverzamelingen zijn genoeg om een burger te traceren.

Dat is een halve waan. Soms uitmondend in achterdocht. Ik ben er zelf nog bij. Die toetsaanslagen klinken waarschijnlijk als hedendaagse rap in de oren van onze goden, maar vooral gelukkig als muziek voor mezelf. Ik tik traag of langzaam, stop, scrol, zoek de positie, ga weer verder. Het klinkt goed of minder goed. 175 aanslagen per minuut is goed voor een redelijk overwogen tekst. Als ze dat maar weten.

 

 



Reageer op dit verhaal!

Je moet helaas ingelogd zijn om te kunnen reageren.